Document wD4wYbKDZ2VXm35g4xMXrk2DB

DownloadRandom document
PPRROOJJEECCTT--MMEERR:: HHEERRNVEIERUGWUINNNGING KSeInTnEisgeINvinDgAVER TE ANTWERPEN IAnadnamveerldnivng Indaver nv 1A6PRFEILB2R0U1A8RI 2018 PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN Contactpersoon Arcadis Belgium nv City Link 2 Posthofbrug 12 2600 Antwerpen Belgi Datum: april 2018 2 van 92 PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN WOORD VOORAF Milieueffectrapportage (kortweg m.e.r.) is een instrument om de doelstellingen en beginselen van het milieubeleid te helpen realiseren, namelijk het voorzorgsbeginsel en het beginsel van preventief handelen. Het m.e.r.-proces is een juridisch-administratieve procedure waarbij vr dat een activiteit of ingreep (projecten, beleidsvoornemens zoals plannen en programma's) plaatsvindt, de milieugevolgen ervan op een wetenschappelijk verantwoorde wijze worden bestudeerd, besproken en gevalueerd. De achterliggende grondgedachte suggereert dat het beter is om de voor het milieu schadelijke activiteiten (plannen en projecten) vanaf een vroeg stadium in de besluitvorming te ondervangen en indien mogelijk bij te sturen. Het Decreet algemene bepalingen milieubeleid (DABM) - zoals gewijzigd door het omgevingsvergunningsdecreet van 25 april 2014 (B.S. 23/10/2014) - voorziet in titel IV m.b.t. de milieueffect- en veiligheidsrapportage, verschillende mogelijkheden m.b.t. opbouw van de project-MERprocedure voorafgaand aan de indiening van de vergunningsaanvraag, nl. de aanmelding, aanmelding met verzoek tot scopingsadvies, verzoek tot voorlopige goed- of afkeuring,... . Hierna volgt een beschrijving van het traject dat werd gekozen door de initiatiefnemers. Dit document is de aanmelding voor het projectmilieueffectrapport (project-MER) dat wordt opgemaakt voor de hernieuwing van de vergunning van de site van Indaver, gelegen te Antwerpen. Het MER heeft tot doel om de milieu-impact van deze ontwikkeling te onderzoeken. De initiatiefnemer van een project-MER, in dit geval Indaver nv, brengt de administratie (de Dienst Mer) op de hoogte van het voornemen tot opstelling van een project-MER door middel van een aanmelding. Deze aanmelding omvat voor dit project tevens een verzoek tot scopingsadvies. Inhoud en doelstelling aanmelding met verzoek tot scopingsadvies Een aanmelding omvat minimaal: een beschrijving van het project, de overwogen alternatieven, de bestaande vergunningstoestand, de aan te vragen vergunningen, de te onderzoeken aanzienlijke effecten die het project vermoedelijk zal hebben, het voorgestelde MER-team en taakverdeling, een beschrijving van het procesverloop. Een aanmelding met verzoek tot scopingsadvies omvat tevens: een voorstel van de inhoud van het project-MER en de methodologie. Bij een dergelijk verzoek tot scoping bezorgt de dienst Mer de aanmelding aan de bevoegde adviesinstanties (administraties, overheidsinstellingen en openbare besturen) die op basis van de geografische ligging van het project en van de mogelijke te verwachten aanzienlijke effecten geselecteerd worden. Het doel van een verzoek tot scoping is de administraties voldoende informatie te verschaffen over het geplande project en de manier waarop een milieueffectrapport dat project zal bestuderen, evalueren en beoordelen, zodat zij reeds in een vroege fase extra elementen kunnen aanbrengen die in het MER aanvullend mee in beschouwing moeten worden genomen om de effectenstudie zo volledig mogelijk te maken. Er wordt voor dit project-MER geen terinzagelegging voorzien, voorafgaand aan de vergunningsaanvraag. De Dienst Mer duidt de administraties aan die, met het oog op een advies, een afschrift van de volledig verklaarde 'aanmelding' ontvangen. Het gaat hierbij o.a. om: het college van burgemeester en schepenen van de betrokken stad of gemeente(n); de provinciegouverneur van de betrokken provincie(s); de door de Vlaamse regering aangewezen administraties en organisaties vertegenwoordigd in SERV en MINA. Datum: april 2018 3 van 92 PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN Het terrein bevindt zich op 4,6 km afstand van de Nederlandse grens. Grensoverschrijdende effecten die in voorgaande MER's werden vastgesteld waren zeer beperkt, maar kunnen niet volledig uitgesloten worden. Indien de Dienst Mer oordeelt dat de grensoverschrijdende procedure gevolgd wordt, zullen de grensoverschrijdende adviesinstanties (Nederlandse gemeente `Woensdrecht' ligt deels binnen 5 km) geraadpleegd worden (zie hoofdstuk 8). De geraadpleegde adviesinstanties bezorgen hun advies aan de Dienst Mer binnen de 30 dagen. De Dienst Mer neemt uiterlijk binnen de 60 dagen na ontvangst een beslissing over de aanmelding. Doorgaans gaat hier een vergadering aan vooraf. De beslissing bevat een advies over de voorgestelde methodologie van effectbeoordeling. De aanmelding en de beslissing (scopingadvies) worden bekend gemaakt op de website van de Dienst Mer. Daarop wordt het project-MER opgesteld door erkende MER-deskundigen o.l.v. een MER-cordinator volgens de voorgestelde methodologie beschreven in de aanmelding en rekening houdend met het advies hierover van de Dienst Mer. Doelstelling project-MER Het doel van het project-MER is een zo concreet mogelijk beeld te geven van de te verwachten gevolgen voor mens en milieu van een project en eventuele alternatieven en aan te geven hoe negatieve effecten kunnen vermeden, gemilderd, verholpen of gecompenseerd worden. Voorafgaand aan de vergunningsprocedure is bij een participatief traject een openbare raadpleging van het ontwerp-MER mogelijk. Voor dit project wordt gekozen om geen openbare raadpleging te houden, voorafgaand aan de vergunningsaanvraag. Alvorens de vergunningsaanvraag in te dienen bij de vergunningverlener, kan de initiatiefnemer een voorlopige goedkeuring van het project-MER vragen aan de dienst Mer. De initiatiefnemer kiest er dus voor dat de Dienst Mer de kwaliteit van het project-MER aftoetst voorafgaand aan de vergunningsaanvraag. De Dienst Mer neemt binnen de 30 dagen na ontvangst (betekening na 40 dagen) een beslissing over deze voorlopige goed- of afkeuring. Bij voorlopige goedkeuring, zal de vergunningsaanvraag worden ingediend, vergezeld van het project-MER. De vergunningverlenende overheid beschikt over 30 dagen om na te gaan of het dossier ontvankelijk en volledig is. Zodra de vergunning ontvankelijk en volledig wordt bevonden, wordt er een adviesvraag over de vergunningsaanvraag en het project-MER verstuurd naar de relevante adviesinstanties. De termijn voor advies op het project-MER bedraagt 30 dagen na verzending van de adviesvraag (termijn voor advies over vergunning bedraagt daarentegen 60 dagen). Er wordt binnen 10 dagen tevens een openbaar onderzoek (O.O.) georganiseerd. Het publiek beschikt over 30 dagen om opmerkingen te geven op de vergunning en eventueel op het project-MER. Rekening houdend met de ingesproken reacties tijdens het openbaar onderzoek en de ontvangen adviezen, beslist de dienst Mer 60 dagen na de beslissing over de volledigheid en ontvankelijkheid over de goed- of afkeuring van het project-MER. De dienst Mer informeert de initiatiefnemer en de vergunningverlenende overheid en in voorkomend geval de omgevingsvergunningscommissie over haar beslissing en heeft hiervoor 10 dagen. Indien het project-MER wordt afgekeurd, stopt de vergunningsprocedure van rechtswege. Bij een goedkeuring van het project-MER kan de procedure voortgezet worden. Het goedgekeurde project-MER en het project-MER-verslag (opgesteld door de administratie) liggen vanaf de betekening van de beslissing ter inzage bij de Dienst Mer en worden ter beschikking gesteld op haar website. Datum: april 2018 4 van 92 PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN INHOUDSOPGAVE WOORD VOORAF LIJST MET AFKORTINGEN VERKLARENDE WOORDENLIJST LEESWIJZER 1 INLEIDING 1.1 1.1.1 1.1.2 1.1.3 1.1.4 Beknopte beschrijving van het project Doelstelling Vergunde activiteiten en aan te vragen vergunning Achtergrond aanmelding project-MER Verantwoording van het project 1.2 1.2.1 1.2.2 Toetsing aan de project-MER-plicht MER-besluit Hervergunning 1.3 Initiatiefnemer 1.4 1.4.1 1.4.2 Team van MER-deskundigen Interne deskundigen Externe deskundigen 2 RUIMTELIJKE, ADMINISTRATIEVE, JURIDISCHE EN BELEIDSMATIGE SITUERING VAN HET PROJECT 2.1 2.1.1 2.1.2 Ruimtelijke situering Ligging van het geplande project Bestemming volgens het gewestplan en ruimtelijke uitvoeringsplannen 2.2 2.2.1 2.2.2 2.2.3 Administratieve voorgeschiedenis Stedenbouwkundige vergunningen Milieuvergunningen Lopende en geplande vergunningsaanvragen Grondwaterwinning Datum: april 2018 3 10 11 12 13 13 13 13 14 14 14 14 14 15 15 15 15 17 17 17 19 20 20 20 23 23 5 van 92 PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN 2.2.4 2.2.5 2.3 Aanpassingen aan IndaChem Recovery (Solventrecyclage) Plastic to Chemicals (P2C) Relevante bijzondere voorwaarden uit de huidige milieuvergunning Bestaande milieustudies m.b.t. het projectgebied Juridische en beleidsmatige randvoorwaarden 3 PROJECTBESCHRIJVING 3.1 Afbakening van het project 3.2 Beschrijving van de activiteiten 3.2.1 Algemeen 3.2.2 Ontvangst en controle van aangevoerde afvalstoffen 3.2.3 Draaitrommelovens (DTO1, DTO2 en DTO3) 3.2.4 Aanlevering Verbranding en gaszuivering Reststromen Voornaamste milieuaspecten van de DTO's IndaChem 3.2.5 IndaChem Liquids: verwerking van vloeibaar anorganisch afval IndaChem Solids: solidificatie van vast anorganisch afval Voornaamste milieuaspecten van IndaChem Liquids en IndaChem Solids IndaChem Recovery 3.2.6 IndaChem Storage: Categorie 1 deponie 3.2.7 Afvalstoffen Situering IndaChem Storage t.o.v. andere aangrenzende deponien Huidige deponie van Indaver Toekomstige uitbreiding: 3-valleien-project Uitbating IndaChem Storage Voornaamste milieuaspecten van IndaChem Storage Watergebruik - Waterzuivering 3.2.8 Watergebruik Grondwaterwinning AMORAS-water Waterzuivering Demoplant Plastic-To-Chemicals (P2C) 4 ALTERNATIEVEN 4.1 Nulalternatief 4.2 Locatiealternatieven 4.3 Uitvoeringsalternatieven Datum: april 2018 23 23 23 25 27 43 43 43 43 45 45 47 47 50 50 50 50 52 54 54 55 55 55 56 57 58 59 60 60 60 60 61 61 63 63 63 63 6 van 92 PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN 5 REFERENTIESITUATIE, GEPLANDE SITUATIE EN ONTWIKKELINGSSCENARIO'S 5.1 Referentiesituatie 5.2 5.2.1 5.2.2 Geplande situatie Aanlegfase Exploitatiefase 5.3 Ontwikkelingsscenario's 6 INGREEP-EFFECTRELATIES 6.1 Lucht 6.2 Oppervlaktewater 6.3 Bodem en grondwater 6.4 Geluid en trillingen 6.5 Biodiversiteit 6.6 Mens 6.7 Overige disciplines: Landschap, bouwkundig erfgoed en archeologie 6.8 Ingreep-effecttabel 6.9 Interdisciplinaire gegevensoverdracht 7 EFFECTBESCHRIJVING EN -BEOORDELING 7.1 7.1.1 7.1.2 7.1.3 7.1.4 Lucht Afbakening van het studiegebied Beschrijving van de referentiesituatie Effectbeschrijving en -beoordeling Milderende maatregelen 7.2 7.2.1 7.2.2 7.2.3 7.2.4 Oppervlaktewater Afbakening van het studiegebied Beschrijving van de referentiesituatie en lozing Referentiesituatie oppervlaktewater Referentiesituatie lozing Geplande situatie lozing AMORAS-Water Effectbeschrijving en -beoordeling Milderende maatregelen 7.3 7.3.1 7.3.2 Bodem en grondwater Afbakening van het studiegebied Beschrijving van de referentiesituatie Datum: april 2018 65 65 65 65 65 66 67 67 67 67 67 68 68 68 68 69 71 71 71 71 72 73 74 74 74 74 74 74 74 74 77 77 77 77 7 van 92 PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN 7.3.3 Effectbeschrijving en -beoordeling 77 Bodem en/of grondwaterverontreiniging 77 Grondwaterwinning 78 7.3.4 Milderende maatregelen 78 7.4 Geluid en trillingen 79 7.4.1 Afbakening van het studiegebied 79 7.4.2 Beschrijving van de methodiek 79 7.4.3 Beschrijving van de referentiesituatie 79 7.4.4 Effectbeschrijving en -beoordeling 80 7.4.5 Milderende maatregelen 81 7.5 Biodiversiteit 82 7.5.1 Afbakening van het studiegebied 82 7.5.2 Beschrijving van de referentiesituatie 82 7.5.3 Effectbeschrijving en -beoordeling 83 7.5.4 Milderende en compenserende maatregelen 83 7.6 Mens 84 7.6.1 Afbakening van het studiegebied 84 7.6.2 Beschrijving van de referentiesituatie 84 7.6.3 Effectbeschrijving en -beoordeling 84 7.6.4 Milderende maatregelen 85 7.7 Andere milieueffecten 85 7.7.1 Mobiliteit 85 7.7.2 Landschap, bouwkundig erfgoed en archeologie 85 7.7.3 Klimaat 85 8 GRENSOVERSCHRIJDENDE EFFECTEN 87 BIJLAGE 1: KAARTENBUNDEL 89 COLOFON 92 Datum: april 2018 8 van 92 PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN TABELLEN Tabel 2.1 Overzicht stedenbouwkundige vergunningen Deponien 20 Tabel 2.2 Overzicht milieuvergunningen 20 Tabel 2.3 : Lozingsvoorwaarden van toepassing in 2018 24 Tabel 2.4 : Bestaande milieustudies Indaver nv 25 Tabel 2.5: Overzicht juridische en beleidsmatige randvoorwaarden 27 Tabel 6.1: Ingreep-effectmatrix 68 Tabel 7.1 Significantiekader voor jaargemiddelden 73 Tabel 7.2 Significantiekader voor uur- en daggemiddelden (percentielen) 73 Tabel 7.3: Significantiekader permanente impact discipline water 75 Tabel 7.4: Significantiekader tijdelijke impact discipline water: niet gevaarlijke stoffen 76 Tabel 7.5: Significantiekader tijdelijke impact discipline water: gevaarlijke stoffen 76 Tabel 7.6: Significantiekader voor de discipline Geluid 80 FIGUREN Figuur 2.1 Situering van Indaver 17 Figuur 2.2: Uittreksel GRUP Afbakening Zeehavengebied Antwerpen 19 Figuur 3.1 Overzicht van de beschikbare installaties bij Indaver nv te Antwerpen. 44 Figuur 3.2 Schema DTO1 en DTO2 46 Figuur 3.3 Schema DTO3 (MediPower) 46 Figuur 3.4: Blokschema DTO's 48 Figuur 3.5: Schema IndaChem Liquids 52 Figuur 3.6: Schema IndaChem Solids - Solidificatie 53 Figuur 3.7: Situering deponien 56 Figuur 3.8 Situering van de verschillende fasen van de deponien van Indaver (Bron: Indaver). 57 Figuur 3.9: Situering 3-valleien-project 58 Datum: april 2018 9 van 92 PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN LIJST MET AFKORTINGEN BBT BZV CZV DOV DPA 3V DTO GRUP MER m.e.r. MKN RUP SBZ TW VEN Vlarebo Vlarem VMM Beste beschikbare technologie Biologische Zuurstofvraag Chemische Zuurstofvraag Databank ondergrond Vlaanderen Deponie Antwerpen 3 Valleien-project Draaitrommeloven Gewestelijk Ruimtelijk Uitvoeringsplan Milieueffectrapport Milieueffectrapportage Milieukwaliteitsnorm Ruimtelijk Uitvoeringsplan Speciale beschermingszone Toetsingswaarde Vlaams Ecologisch Netwerk Vlaams Reglement betreffende de bodemsanering Vlaams Reglement betreffende de milieuvergunning Vlaamse Milieumaatschappij Datum: april 2018 10 van 92 PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN VERKLARENDE WOORDENLIJST BZV CZV Depositie Emissie Geleide emissie Grenswaarde Immissie NEC-richtlijn Niet-geleide emissie Omgevingsgeluid Vuilvracht Biochemische zuurstofvraag: De hoeveelheid zuurstof die per volume-eenheid verontreinigd water voor de zuivering ervan door micro-organismen wordt verbruikt bij een bepaalde temperatuur gedurende een bepaalde tijd. Chemische zuurstofvraag: De hoeveelheid zuurstof die per volume-eenheid (verontreinigd) water nodig is om de in het water aanwezig zijnde verbindingen chemisch te oxideren. Hoeveelheid van een stof of een groep van stoffen die uit de atmosfeer neerkomen in een gebied, uitgedrukt als een hoeveelheid per tijdseenheid per oppervlakte eenheid (bvb. 10 kg SO2/dag/ha). Elke inbreng door de mens van verontreinigingsfactoren in de atmosfeer, de bodem of het water. Is een bron (uitlaat, schoorsteen) waarvoor welbepaalde fysische kenmerken bestaan (ligging, hoogte, diameter) en een in principe meetbare volumestroom. Waarde (vaak concentratiecijfer van immissie) die niet overschreden mag worden. Een overschrijding van deze waarde moet aanleiding geven tot het treffen van maatregelen. De wijziging van de aanwezigheid van verontreinigingsfactoren in atmosfeer, bodem of water rond n of meer bronnen van verontreiniging ten gevolge van emissie uit deze bron of bronnen, omgevingsmeetwaarden. NEC staat voor 'national emission ceilings' ofwel nationale emissieplafonds. In de NEC-richtlijn 2001/81/EC worden per EU-lidstaat plafonds toegekend voor de totale emissies van zwaveldioxide (SO2), stikstofoxiden (NOx), vluchtige organische stoffen (VOS) en ammoniak (NH3) in 2010. Elke emissie anders dan een geleide emissie. Het geluid op een gegeven plaats en op een gegeven ogenblik; dat geldt zowel in open lucht als in een gesloten ruimte Maat voor de vervuilingsgraad van afvalwater. Het is de som van hoeveelheden per tijdseenheid (g/s) aan vervuilende stoffen, verkregen door de concentraties (g/m) te vermenigvuldigen met het debiet van het geloosde afvalwater (m/s). Datum: april 2018 11 van 92 PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN LEESWIJZER Deze aanmelding omvat 9 hoofdstukken. De figuren die niet opgenomen zijn in de tekst en de bijlagen zitten achteraan in het rapport. Achteraan bevindt zich tevens een literatuurlijst. De aanmelding bevat achtereenvolgens de volgende hoofdstukken: Hoofdstuk 1: Inleiding Geeft een korte situering en beschrijving van het project, de toetsing aan de MER-plicht, de initiatiefnemer van het project, de cordinator van het MER en de samenstelling van het team van deskundigen. In dit hoofdstuk wordt tevens duidelijk welke disciplines in het MER behandeld zullen worden. Hoofdstuk 2: Ruimtelijke, administratieve, juridische en beleidsmatige situering Geeft in eerste instantie een ruimtelijke situering van het project. De administratieve voorgeschiedenis bespreekt de relevante vergunningen en rapporten die in het kader van het voorliggend project lopende of goedgekeurd zijn. In dit hoofdstuk worden tevens alle relevante juridische en beleidsmatige randvoorwaarden besproken met een duiding van hun relevantie in het kader van het project. Hoofdstuk 3: Projectbeschrijving Geeft een afbakening van het project, de verantwoording, een beschrijving van de productie-installaties, ondersteunende installaties, gebruik van grondstoffen, geproduceerde hoeveelheden, afvalstoffen, transport enz. Hoofdstuk 4: Alternatieven Geeft een bespreking van het nulalternatief, eventuele locatie- en/of uitvoeringsalternatieven en een BBTtoetsing. Hoofdstuk 5: Referentiesituatie, geplande situatie en ontwikkelingsscenario's Geeft een definitie van wat er verstaan wordt onder referentiesituatie en geplande situatie en of er eventuele autonome of geplande ontwikkelingen (ontwikkelingsscenario's) moeten bekeken worden. Hoofdstuk 6: Ingreep-effectrelaties In hoofdstuk 6 wordt een globale analyse en afbakening van de te verwachten milieueffecten weergegeven. In dit hoofdstuk wordt tevens een ingreep-effect matrix opgenomen waarin de mogelijke effecten tijdens de relevante fases van het project (constructiefase, exploitatiefase) worden opgesomd. Hoofdstuk 7: Effectbeschrijving en -beoordeling Geeft per discipline een beschrijving van de methodiek die zal gehanteerd worden voor de beschrijving van de referentiesituatie, de beschrijving en beoordeling van de milieueffecten en de formulering van milderende en/of compenserende maatregelen. Hoofdstuk 8: Grensoverschrijdende effecten Geeft aan of er grensoverschrijdende effecten verwacht worden. Datum: april 2018 12 van 92 PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN 1 INLEIDING 1.1 Beknopte beschrijving van het project 1.1.1 Doelstelling Indaver nv baat op haar site te Antwerpen o.a. installaties voor verbranding van industrile en gevaarlijke afvalstoffen en een stortplaats uit. De basisvergunning voor de afvalverwerkingsinstallaties en de stortplaats op deze site vervalt op 1 januari 2020. Indaver nv wenst een hernieuwing van deze vergunning te bekomen om de reguliere operaties te kunnen verder zetten. Aangezien de verbrandingsoven en de deponie m.e.r.-plichtig zijn, dient voor de hernieuwing van de vergunning een m.e.r.-procedure te worden opgestart. In het MER zal de milieu-impact als gevolg van alle activiteiten op de site besproken worden. 1.1.2 Vergunde activiteiten en aan te vragen vergunning De voornaamste vergunde activiteiten zijn: IndaChem Storage: een categorie 1-stortplaats voor het storten van gevaarlijke afvalstoffen, in volgende fasen: Fase 1: Deponie 1: volgestort; Fase 2: Deponie 2: volgestort en zal afgedekt zijn bij bekomen van hervergunning; Fase 3: Deponie 3: zal volgestort en afgedekt zijn bij bekomen van hervergunning; Fase 4: Deponie 4: "kleine vallei" of DPA-vallei: zal volgestort en afgedekt zijn bij bekomen van hervergunning; Fase 5: Deponie Antwerpen 3 valleien-project (DPA 3V): inrichtingswerken in uitvoering. Eind 2018 wordt de start van de exploitatie verwacht. Thermische Behandeling Antwerpen (TBA): 3 draaitrommelovens: DTO1 en DTO2: vaste, vloeibare, pasteuze bedrijfs- en bijzondere afvalstoffen, elk met capaciteit van ca. 7 ton afvalstoffen per uur. DTO3 (MediPower): Risicohoudend Medisch Afval + verpakt afval + solventen + laag calorische vloeistoffen, voor een capaciteit van ca. 3 ton afvalstoffen per uur. IndaChem Liquids (oude benaming: Fysicochemie 1): installatie voor de verwerking door oxidatie, reductie, immobilisatie, neutralisatie en slibontwatering van nagenoeg uitsluitend anorganische en onbrandbare afvalstoffen en de verwerking van afvalolie-emulsies. De vergunde capaciteit bedraagt 25.000 ton afvalstoffen per jaar. IndaChem Solids (oude benaming: Fysicochemie 2): installatie voor het fysicochemisch behandelen van anorganische afvalstoffen via solidificatie, neutralisatie, metaal-immobilisatie, anionimmobilisatie en het steekvast maken. De vergunde capaciteit bedraagt 60.000 ton afvalstoffen per jaar. IndaChem Recovery (oude naam Solventenrecyclage): installatie voor de recuperatie van solventen en toegerust met een distillatie-eenheid. De vergunde capaciteit bedraagt 9.000 ton afvalstoffen per jaar. De bestaande installatie ligt sinds enige tijd stil en zal onder licht aangepaste vorm terug opgestart worden. De aangevraagde vergunning betreft: de hernieuwing van de hoger genoemde, vergunde activiteiten, zowel de afvalverwerkingsinstallaties als de deponie. Op de categorie 1-stortplaats fase 1 t/m 4 zal na de hernieuwing van de vergunning enkel nog nazorg plaatsvinden. Vanaf eind 2018 zullen enkel stortactiviteiten plaatsvinden op de nieuwe deponie van Indaver in het 3-valleienproject (DPA 3V); wijziging van Indachem Liquids: vervanging van 1 batchreactor door 3 kleine doorstoomreactoren; beperkte aanpassingen aan de IndaChem Recovery (nieuwe losplaats en aanpassingen van het proces binnen de bestaande installatie). Nieuwe Demo-plant Plastic-to-Chemicals (P2C). Datum: april 2018 13 van 92 PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN 1.1.3 Achtergrond aanmelding project-MER De meest recente project-MER's voor Indaver nv zijn de volgende: 2009: PRMER-0332: Ombouw van de statische oven op de site te Antwerpen. 2012: PRMER-0615: Uitbreiding van de deponie van Indaver nv te Antwerpen, om de stortcapaciteit te vergroten van 2.700.000 m naar 3.200.000 m. 2016: PRMER-2231: Het 3-valleien-project: Opvullen van de valleien tussen de deponien van Indaver, AMORAS en Hooge Maey, voor uitbreiding van de deponie van Indaver NV en AMORAS te Antwerpen. In dit MER zal de milieu-impact als gevolg van alle activiteiten op de site besproken worden. 1.1.4 Verantwoording van het project De basisvergunning voor de stortplaats en de afvalverwerkingsinstallaties op de site van Indaver nv, gelegen aan de Poldervlietweg 5, Haven 550, 2030 Antwerpen te Antwerpen, vervalt op 1 januari 2020. Indaver wenst ook na deze datum haar activiteiten verder te zetten. Hiermee zet Indaver nv deze site verder in om mee de maatschappelijke omslag te maken naar een circulaire economie. De gentegreerde set aan afvalbehandelingsinstallaties maakt deze site uniek een zeer relevant als sluitstuk in de maatschappelijke uitdagingen waar we vandaag als maatschappij mee geconfronteerd worden. Daarnaast is een verderzetting ook van belang voor de tewerkstelling van de werknemers. Een hervergunning van de inrichting is in dit opzicht noodzakelijk en wenselijk.. 1.2 Toetsing aan de project-MER-plicht 1.2.1 MER-besluit Het m.e.r.-besluit van 10 december 2004 verdeelt m.e.r.-plichtige projecten in 3 categorien. Een 1ste categorie van projecten is steeds onderworpen aan de m.e.r.-plicht (Bijlage I van voornoemd m.e.r.-besluit), een 2de categorie kan via een gemotiveerd verzoek ontheven worden van de m.e.r.-plicht (Bijlage II van voornoemd m.e.r.-besluit). De 3de categorie omvat projecten die onder de drempelwaarde van Bijlage II vallen (Bijlage III van voornoemd m.e.r.-besluit). Hiervoor dient door middel van een project-m.e.r.-screening nagegaan te worden of deze aanleiding geven tot aanzienlijke milieueffecten. De vergunde activiteiten van Indaver nv zijn onderworpen aan de m.e.r.-plicht overeenkomstig Bijlage 1, categorie 13) `Afvalverwijderingsinstallaties voor de verbranding, zoals gedefinieerd in punt D10 van artikel 4.2.1 VLAREMA, de chemische behandeling, zoals gedefinieerd in punt D9 van artikel 4.2.1 VLAREMA of het storten van gevaarlijke afvalstoffen'. 1.2.2 Hervergunning Specifiek voor de hervergunning van bestaande activiteiten vermeldt de regelgeving (Decreet algemene bepalingen milieubeleid (DABM) van 5 april 1995, Artikel 4.3.2, 2bis): "De verplichting tot het uitvoeren van een project-m.e.r. geldt niet voor de loutere hernieuwing van de omgevingsvergunning en de omzetting, vermeld in artikel 70 respectievelijk 390 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, tenzij de loutere hernieuwing van de vergunning of de omzetting betrekking heeft op activiteiten die fysieke ingrepen in het leefmilieu tot gevolg hebben." Onder een fysieke ingreep op het leefmilieu wordt verstaan de realisatie van een project zoals onder meer de verdere uitvoering van ontginningswerken, relifwijzigingen, opvullen putten en stortplaatsen, bronbemalingen, ontbossing, ed. Daar de hervergunning van de Deponie wel als een fysieke ingreep in het leefmilieu wordt aanzien, wordt ervan uitgegaan dat er voor de hervergunning van de activiteiten van Indaver wel een MER nodig is. Datum: april 2018 14 van 92 PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN 1.3 Initiatiefnemer De initiatiefnemer voor de opmaak van dit MER is: Indaver nv Haven 550 -- Poldervlietweg 5 2030 Antwerpen KBO-nummer: 0427.973.304 VE-nummer: 2.030.431.318 De contactpersoon voor het MER is: Stijn Jardin, Milieucordinator Tel . : 03/568.49.59 - fax. : 03/568.49.99 e-mail: e.indaver.be e ARCADIS Design &Consultancy for naturaland buitt assets 1.4 Team van MER-deskundigen Volgens de Vlaamse wetgeving dient een MER opgesteld te worden door erkende MER-deskundigen. Naast externe deskundigen bestaat het team van deskundigen ook uit interne deskundigen die optreden in naam van de initiatiefnemer. 1.4.1 Interne deskundigen Volgende personen treden op als interne deskundigen bij de opmaak van het MER: Stijn Jardin, Milieucordinator Indaver nv Chantal Jonkers, Manager Quality & Environment 1.4.2 Externe deskundigen Onderstaande team van erkende MER-deskundigen zal instaan voor de uitwerking van het MER: Frank Van Daele Type erkenning Lucht Ref. Ministerieel Besluit MB/MER/EDA/481-V3 Duurtijd erkenning Onbepaalde duur Bert Gielen Oppervlaktewater MB/MER/EDA-433 Onbepaalde duur Hilde De Lembre An Tombeur Mieke Deconinck Bodem en grondwater Mens -- deeldomein gezondheid Biodiversiteit MB/MER/EDA-282-V4 ERK/MER/2016/00001 MB/MER/EDA/590-V2 Onbepaalde duur Onbepaalde duur Onbepaalde duur Datum: april 2018 15 van 92 PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN ARCADIS Design & Consultancy for natural and huilt assets Stephan Claes (Vingotte Geluid & trillingen Environment) MB/MER/EDA-271 Onbepaalde duur De meeste externe deskundigen zijn tewerkgesteld bij ARCADIS Belgium NV. De discipline Geluid & trillingen wordt door Vin9otte Environment uitgevoerd. De coordinatie wordt verzorgd door Frank Van Daele, met medewerking van An Tombeur en Kim Driesen. Contactadres: ARCADIS Belgium, City Link 2, Posthofbrug 12, 2600 Antwerpen @arcadis.com) Voor de discipline landschap, bouwkundig erfgoed en archeologie' wordt voorgesteld om geen uitwerking door een erkend deskundige te voorzien, gezien wordt verondersteld dat het project geen significante impact zal veroorzaken ten aanzien van deze discipline. Deze discipline zal in globo door de coordinator worden behandeld, waarbij de mogelijke impact steeds besproken en gevalueerd wordt op basis van de voorgestelde methodiek. Iedere deskundige draagt de eindverantwoordelijkheid voor de inhoud van de disciplines waarvoor hij/zij erkend is. De coordinator draagt de eindverantwoordelijkheid voor het totale MER. Hij/zij draagt er zorg voor dat de inhoud van alle disciplines op elkaar worden afgestemd en dat de overdracht van de noodzakelijke gegevens van de ene discipline naar de andere tijdig en correct gebeurt. Hij/zij staat tevens in voor het opmaken van de eindsynthese en de niet-technische samenvatting. Hij/zij is het primaire aanspreekpunt voor de interne deskundigen en de verantwoordelijken bij de Dienst Mer. Datum: april 2018 16 van 92 PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN 2 RUIMTELIJKE, ADMINISTRATIEVE, JURIDISCHE EN BELEIDSMATIGE SITUERING VAN HET PROJECT 2.1 Ruimtelijke situering 2.1.1 Ligging van het geplande project De site van Indaver te Antwerpen is gelegen in het Antwerpse havengebied ten noorden van Antwerpencentrum op de rechteroever van de Schelde. Het bedrijf is gelegen te Poldervlietweg 5, Haven 550, 2030 Antwerpen, en grenst aan de verkeerswisselaar van de A12 Antwerpen-Bergen op Zoom en de R2, die de A12 via de Thijsmans- en Liefkenshoektunnels verbindt met de E34/A11 Antwerpen-Zelzate. De ingang van het bedrijf bevindt zich langsheen de Poldervlietweg, die via lokale wegen vanaf de A12 of de R2 bereikt kan worden (zie Figuur 2.1). Kaart 1 in (Bijlage 1: Kaartenbundel) toont de ligging van Indaver op een topografische kaart. Kaart 2 toont de site op een luchtfoto. Figuur 2.1 Situering van Indaver Het bedrijfsterrein is begrensd door: in het noorden: in het oosten: in het zuiden: in het westen: autoweg R2; autoweg A12; stortplaatsen AMORAS en Hooge Maey; spoorweg die vertrekt van het Vormingsstation Antwerpen-Noord. In het zuiden is de aangegeven terreingrens gelegen tussen de Indaver stortplaats en de stortplaatsen van respectievelijk Hoge Maey en Amoras. De ruimte (`valleien') tussen deze stortplaatsen zijn of worden eveneens volgestort, waardoor de begrenzing van het terrein hier complex is. Voor een toelichting van de ligging van de respectievelijke stortplaatsen (met 3D-figuren) verwijzen we naar paragraaf 3.2.6. Indaver nv ligt in het noordelijke deel van de Antwerpse haven, in een zone die volgens het gewestplan en volgens het GRUP Afbakening Zeehavengebied Antwerpen (2013) respectievelijk wordt aangeduid als Datum: april 2018 17 van 92 PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN industriegebied en als gebied voor zeehaven- en watergebonden bedrijven binnen de bestemmingscategorie `Bedrijvigheid' (zie Kaart 3). De meest nabij gelegen woonzones zijn: Stabroek: op ca. 1,5 km ten noordoosten Berendrecht: op ca. 3 km ten noorden Hoevenen: op ca. 3 km ten oosten Deze dorpskernen zijn hoofdzakelijk bestemd als woongebied. Het terrein bevindt zich op 4,6 km afstand van de Nederlandse grens. Grensoverschrijdende effecten die in voorgaande MER's werden vastgesteld waren zeer beperkt, maar kunnen niet volledig uitgesloten worden. Indien de Dienst Mer oordeelt dat de grensoverschrijdende procedure gevolgd wordt, zullen de grensoverschrijdende adviesinstanties (Nederlandse gemeente `Woensdrecht' ligt deels binnen 5 km) geraadpleegd worden (zie hoofdstuk 8). In de omgeving zijn enkele waardevolle natuurgebieden gelegen (zie Kaart 7): Schorren en polders van de Beneden-Schelde: aangeduid als Vogelrichtlijngebied, gelegen op ca. 60 m ten oosten van het projectgebied; De Kuifeend en de Blokkersdijk: aangeduid als Vogelrichtlijngebied en erkend natuurreservaat, gelegen op ca. 800 m ten zuiden van het projectgebied. Langs de Scheldeoever bevindt zich een smalle strook VEN-gebied, nl. `Slikken en schorren langsheen de Schelde'. In de nabije omgeving van het bedrijfsterrein komen geen beschermde monumenten, stads- of dorpsgezichten en landschappen voor (zie Kaart 9). De milieudoelstellingen oppervlaktewaterkwaliteit zijn type-specifiek ingevuld, d.w.z. dat ze kunnen verschillen al naargelang het type oppervlaktewaterlichaam. De Schelde en de Antwerpse havendokken (Kanaaldok B2) zijn de belangrijkste oppervlaktewateren in de omgeving (zie Kaart 4). Dit gedeelte van de Schelde (Zeeschelde IV, waterlichaamcode VL08-43) behoort tot het Beneden-Scheldebekken (en moet voldoen aan de milieudoelstellingen voor de categorie `overgangswater', met als type brak macrotidaal laaglandestuarium'. Het waterlichaam heeft het statuut van `sterk veranderd waterlichaam'. De havendokken (VL05-187) zijn getypeerd als `zeer licht brak meer'. De havendokken zijn kunstmatige waterlichamen. Ten oosten van het bedrijfsterrein (aan de andere kant van de autoweg) is een afwateringsgracht gelegen die het water naar de Schelde voert. De `Verlegde Schijn' `Hoofdgracht' en `Voorgracht' zijn getypeerd als `Grote beek Kempen' en hebben het statuut `sterk veranderd waterlichaam'. Het zuidelijk deel van het bedrijfsterrein van Indaver nv is gelegen in mogelijk overstromingsgevoelig gebied. Het noordelijk deel is niet gelegen in overstromingsgevoelig gebied. Het bedrijfsterrein van Indaver nv is noch in een waterwingebied, noch in een landschappelijk beschermd gebied gelegen. Voor de situering ten opzichte van overstromingsgebieden, natuurgebieden en landschappelijk waardevolle gebieden wordt verwezen naar de corresponderende kaarten in Bijlage 1: Kaartenbundel. Het bedrijfsterrein heeft een totale oppervlakte van 31 ha (afbakening in Figuur 2.1; deze oppervlakte is exclusief meest recente fasen van de deponie aansluiten op de aangrenzende deponien - `Valei'projecten). Hiervan is vrijwel volledig in gebruik (deponie, procesinstallaties, gebouwen en bedrijfswegen). Een aantal van deze deelgebieden worden niet in beschouwing genomen met betrekking tot deze studie, met name een klein braakliggend gedeelte, gebouwen en de bedrijfswegen. De deponie en de procesinstallatie behoren wel tot de scope van deze studie en werden in verschillende fasen in gebruik genomen. Op 23 maart 2017 werd de vergunning bekomen voor het 3-valleien-project. Hierbij ontstaat de opportuniteit voor Indaver nv om zonder bijkomende terreininname een nieuwe stortplaats in te richten met een bruto capaciteit van ca. 5.000.000 m. Deze deponie is momenteel in fase van inrichting met voorziene exploitatie eind 2018. De overige deponien zullen bij ingang van de hernieuwing opgevuld en afgedekt zijn. Hiervoor zal enkel nog nazorg nodig zijn. Datum: april 2018 18 van 92 PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN 2.1.2 Bestemming volgens het gewestplan en ruimtelijke uitvoeringsplannen Op het Gewestplan Antwerpen, vastgesteld bij Koninklijk Besluit van 3 oktober 1979, is de zone waarin het bedrijf gelegen is, aangeduid als industriegebied (Gewestplan nr. 14 Antwerpen, kaartblad 15/3). Volgens de bepalingen van het Gewestplan zijn industriegebieden bestemd voor de vestiging van industrien of ambachtelijke bedrijven. Daarnaast is het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan `Afbakening zeehavengebied Antwerpen' van toepassing. Dit GRUP werd op 30 april 2013 definitief vastgesteld door de Vlaamse regering. Binnen dit GRUP wordt het projectgebied aangeduid als specifiek regionaal bedrijventerrein voor afvalverwerking en recyclage. Het gebied is bestemd voor regionale bedrijven met afvalverwerkende en recyclerende activiteiten. Daarnaast zijn ook de verwerking en bewerking van mest of slib en grondopslag en grondbewerking en -verwerking toegelaten. In het GRUP werd volgende beleidsvisie m.b.t. het gebied uitgewerkt: de bestaande haven bestendigen; aanleg van buffers en leefbaarheidsbuffers; voldoende afstand tussen de kernen en de zeehaven; aanleg van een kraal van natuurelementen rondom de zeehaven; uitbouw van de ecologische infrastructuur. In onderstaande figuur wordt een uittreksel uit het betreffende GRUP weergegeven. Figuur 2.2: Uittreksel GRUP Afbakening Zeehavengebied Antwerpen Indaver is gelegen in gebied met bestemming `Specifiek regionaal bedrijventerrein voor afvalverwerking en recyclage'. Er gelden volgende stedenbouwkundige voorschriften (artikel R2 van het GRUP): Het gebied is bestemd voor regionale bedrijven met afvalverwerkende en recyclerende activiteiten. Datum: april 2018 19 van 92 PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN Daarnaast zijn de volgende activiteiten toegelaten: - verwerking en bewerking van mest of slib; - grondopslag en grondbewerking en -verwerking Installaties voor het opwekken van hernieuwbare energie, energierecuperatie of warmtekrachtkoppeling zijn toegelaten. 2.2 Administratieve voorgeschiedenis 2.2.1 Stedenbouwkundige vergunningen Indaver heeft voor al de installaties en voor de Deponien een stedenbouwkundige vergunning. In onderstaande tabel wordt een overzicht gegeven van de bouwvergunningen die werden afgeleverd voor de Deponien. Tabel 2.1 Overzicht stedenbouwkundige vergunningen Deponien Referentie Datum Onderwerp 19 039 06/04/1987 Deponie DROV/AN5/93/B/1827 05/05/1994 Deponie 2 HV/1999/B/0204 03/02/2000 Opvullen deponie HV/2001/B/0155 07/05/2003 Aanleg stortterrein en uitbreiding deponie HV/2007/B/0147 20/06/2008 Ophoging deponie van 30 naar 50m HVN/B/20123373 27/07/2012 Opvulling vallei HVN/B/20123373 31/10/2012 Vallei na aanpassingen brandweeradvies 2.2.2 Milieuvergunningen In onderstaande tabel wordt een overzicht gegeven van de milieuvergunningen die werden afgeleverd voor Indaver nv. De basisvergunningen op naam van Indaver nv vervalt op 01/01/2020. Alle vergunningen werden afgeleverd door de Deputatie van de Provincie Antwerpen, uitgezonderd de beroepen welke op Vlaams niveau werden afgeleverd. Tabel 2.2 Overzicht milieuvergunningen Referentie Datum Onderwerp Vervaldatum 2/GRWB/P.1030/DC 08/06/1989 Vergunning grondwaterwinning 01/01/2019 MLAV1/9800000485/ 17/06/1999 MV/bd "Basis" milieuvergunning 17/06/2019 MLAV1/9800000485/ 15/07/1999 MV/pn Herziening eindtermijn basismilieuvergunning 01/01/2020 2/ML/MLAV1/980000 13/04/2000 Rechtzetting i.k.v. hervergunning parameter totaal stikstof 0485/MV Datum: april 2018 20 van 92 PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN Referentie Datum MLWV/0000000015/ 03/08/2000 MV/AG MLAV1/0100000513/ 04/04/2002 MV/lydr AMV/000002347/101 28/10/2002 3 MLVER/0300000089/ 03/07/2003 V/AG MLVER/0300000093/ 03/07/2003 MV/IG MLAV1/0400000486/ 04/05/2005 MV MLWV/0500000004 25/08/2005 MLVER/0500000094 22/09/2005 AMV/0002347/1023 22/12/2005 AMV/0002347/1024B 22/05/2006 MLAV1/0600000273/ 19/10/2006 ES MLWV/0600000060 01/03/2007 MLVER/0600000189 22/03/2007 MLSPR/0700000009/ 07/06/2007 gvda AMV/00002347/1030 27/06/2007 B MLWV/0700000015 04/10/2007 MLAV1/0700000468/ 14/02/2008 ES MLWV-24/jdn-kh 13/11/2008 MLWV/08.39/jdn/bv 12/02/2009 Onderwerp Wijziging vergunningsvoorwaarden openingsuren Verwerking freonen op DTO2 Beroep verwerking van freonen DTO2 Omleiding rookgassen SO Bijkomende tank voor diesel/extra vloeibare afvalstoffen Wijziging/indeling site nr gevaarsklasse Wijziging lozingsnormen Denoxinstallatie DTOx Toekenning Derogatietemp ovens* Beroep wijziging Lozingsnormen Manipulatieruimte + vatenopslag Wijziging lozingsnormen Wijziging rubriek storten cfr nieuwe Vlarem Gebruik springstoffen (bij cleanings-werkzaamheden) Beroep wijziging lozingsnormen Wijziging stortcriteria deponie Ophoging en hervergunning deponie Wijziging lozingsnormen Wijziging lozingsnormen MLAV1/09-185/jdnbv/Ih 09/07/2009 MLSPR/0900000003 16/09/2009 MLAV1/09185/Jdn/bv 30/10/2009 AN2011/140/AV 06/05/2011 Ombouw Statische Oven (OSO) Opslagplaats springstoffen D Ombouw Statische Oven (OSO) Tijdelijke inrichting solidificatie Vervaldatum - 01/01/2020 01/01/2020 01/01/2020 01/01/2020 01/01/2020 01/01/2020 01/01/2020 01/01/2020 01/01/2020 01/01/2020 16/07/2009 06/06/2009 01/01/2020 16/07/2009 01/01/2020 01/01/2012 Per 01/01/2012 wijz. norm 01/01/2020 01/01/2020 01/01/2020 01/01/2020 Datum: april 2018 21 van 92 PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN Referentie MLWV-20110006/ELSL/Kadc MLWV-20110021/ELSL/fs MLVER-20120028/SAPI/ig MLWV-20120002/SAPI/inge MLAV1-20120026/SAPI/mben MLAV1-20120196/SAPI/mben MLVER-20120097/SAPI/mben MLWV-20120036/SAPI/mben MLVER-20140066/SAPI/FS MLWV- 20140058/SAPI/mben MLAV1-20150040/SAPI/indd MLVER-20150151/RUHI/AG MLWV-20160010/RUHI/age MLWV-20160025/CLBA/erca MLAV1-20160398/SAPI/erca MLAV1-20160383/SAPI/erca XXX Datum 27/10/2011 Onderwerp Wijziging lozingsvoorwaarden 10/11/2011 Wijziging lozingsvoorwaarden (pft's) 03/05/2012 Mededeling kleine verandering (directe injectie) 10/05/2012 Wijziging vergunningsvoorwaarde (norm Nitriet) 3/08/2012 Uitbreiding deponie (vallei) 18/10/2012 Uitbreiding tankenpark 31/10/2012 Mededeling kleine verandering (RMA topzone) 19/11/2012 Verlaging temperatuur DTO3 28/8/2014 Mededeling kleine verandering RMA-hal + topzone 23/12/2014 Vervangende brandstoffen 28/06/2015 Aanpassingen vergunning + OVR 17/12/2015 Melding klasse 3: testopstelling warmtepomp 27/7/2016 15/9/2016 6/4/2017 23/3/2017 xxx Schrapping lozingsnorm AOX Wijziging parameters stikstof, CZV Opbouw hook-up, omzet CLP, en anderen Uitbreiding deponie 3-valleien Hervergunning grondwaterwinning Vervaldatum 06/08/2011 01/01/2020 01/01/2020 01/01/2020 01/01/2020 01/01/2020 01/01/2020 01/01/2020 01/01/2020 01/01/2020 01/01/2020 01/01/2020 01/01/2020 01/01/2020 01/01/2020 01/01/2020 xxx Datum: april 2018 22 van 92 PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN 2.2.3 Lopende en geplande vergunningsaanvragen Grondwaterwinning Momenteel is een vergunningsaanvraag lopende voor een hervergunning en aanpassing van de bestaande grondwaterwinning van Indaver nv. De bestaande grondwaterwinning is vergund voor het exploiteren van een grondwaterwinning op 52 m diepte voor een maximaal debiet van 3.600 m/dag en 800.000 m/jaar, tot 2019. De geplande jaarlijkse hoeveelheid op te pompen grondwater (na hervergunning) bedraagt maximaal 400.000 m/j. Het aangevraagd te vergunnen debiet bedraagt maximaal 2.500 m/dag en 400.000 m/jaar. In het kader van deze vergunningsaanvraag werd op 22 maart 2018 een ontheffing van de verplichting tot het opstellen van een project-MER toegekend (PR2531). Aanpassingen aan IndaChem Recovery (Solventrecyclage) Indaver plant op vrij korte termijn een vergunningsaanvraag voor aanpassingen aan de installatie IndaChem Recovery (voormalige naam: Solventrecyclage). Deze vergunningsaanvraag wordt gepland vr de hervergunningsaanvraag. Voor meer gegevens over de geplande aanpassingen verwijzen we naar paragraaf 3.2.5. Plastic to Chemicals (P2C) Indaver plant op vrij korte termijn een vergunningsaanvraag voor een bijkomende installatie: een Demo-plant Plastic to Chemicals. Deze vergunningsaanvraag wordt gepland vr de hervergunningsaanvraag. Voor meer gegevens verwijzen we naar paragraaf 3.2.8. 2.2.4 Relevante bijzondere voorwaarden uit de huidige milieuvergunning In de milieuvergunningen voor Indaver zijn diverse bijzondere vergunningsvoorwaarden opgenomen. Deze leggen specifieke voorwaarden op aan volgende activiteiten: Technische eisen voor bepaalde aspecten van de DTO's (freonverwerking, directe injectie, DeNOx, emissiemetingen HF, temperatuur, alternatieve opstartbrandstof); Lekopvang t.h.v. bepaalde installaties; Verplichte wielwasinstallatie; Acceptatievoorwaarden deponie; Werkwijze bij inrichten en storten op de deponie; Opvolging van percolaat uit de deponie; Opvolging van grondwater rondom de deponie; Geluidsemissies (geluidsvermogenniveau DTO3); Opvolging gebruikt AMORAS-water; Lozingsvoorwaarden waterzuivering. Deze vergunningsvoorwaarden zullen, waar relevant, opgenomen en toegelicht worden in het MER. In onderstaande Tabel 2.3 worden de geldende emissiegrenswaarden voor de lozing van Indaver op oppervlaktewater opgenomen. Deze zijn opgenomen in de milieuvergunningen van Indaver. Datum: april 2018 23 van 92 PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN Tabel 2.3 : Lozingsvoorwaarden van toepassing in 2018 Parameter Eenheid Lozingsnorm 2018 zonder Amoras BZV mg/l CZV mg/l TOC mg/l zwevende stoffen mg/l bezinkbare stoffen ml/l fluoriden mg/l chloriden g/l sulfaten g/l totaal fosfor mg/l fenolen mg/l M.A.K. mg/l benzeen mg/l totaal cyaniden mg/l vrije chloor mg/l acrylonitrile mg/l EOX / AOX mg/l organo-chloorpesticiden ng/l organo-fosforpesticiden mg/l organische tinverbindingen mg/l apolaire KWS extr. In CCL4 mg/l totaal chroom mg/l totaal zink mg/l totaal kobalt mg/l totaal lood mg/l totaal nikkel mg/l totaal arseen mg/l totaal zilver mg/l totaal mangaan mg/l totaal koper mg/l totaal tin mg/l boor mg/l cadmium mg/l kwik mg/l mg/l antimoon mg/l 0 barium mg/l beryllium mg/l molybdeen mg/l selenium mg/l tellerium mg/l thallium mg/l titaan mg/l uranium mg/l vanadium mg/l chloroform mg/l dichloormethaan mg/l PAK's mg/l mg/l mg/l PCB's mg/l totaal stikstof mg/l haloformen mg/l chloorbenzeen PFOA mg/l PFOS mg/l PFPeA mg/l PFHxa mg/l PFHpA mg/l PFBS mg/l PFHxs mg/l nitriet mg/l 25 125 40 60 1 10 20 2 2 0,4 0,02 0,01 0,1 0,5 0,01 200 0,001 0,02 5 0,4 2 0,05 0,5 0,4 0,05 0,02 1 0,4 0,2 50 0,01 0,02 0,005 0,85 0,25 1 0,002 1,5 0,1 0,05 0,02 0,2 0,05 0,5 0,05 0,05 0,003 0,001 0,001 70 40 0,1 0,25 0,03 4 0,06 0,02 4 0,02 2 Opmerking geschrapt ogenblikkelijke waarde jaargemiddelde waarde ogenblikkelijke waarde jaargemiddelde waarde ogenblikkelijke waarde Nafthaleen ogenblikkelijke waarde PAK's (excl. Nafthaleen) jaargemiddelde waarde totaal PAK's Som haloformen en chloorbenzeen Lozingsnorm 2018 met AMORAS (indien afwijkend) 150 60 Datum: april 2018 24 van 92 PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN 2.2.5 Bestaande milieustudies m.b.t. het projectgebied In Tabel 2.4 wordt een overzicht gegeven van de bestaande milieustudies met betrekking tot het projectgebied. Tabel 2.4 : Bestaande milieustudies Indaver nv Datum Studie Uitvoerder 1993 Etudes Techniques prliminaires pour l'exploitation de centres de stockages de France Dechets dchets industriels Conseil 1997 Bekleding taluds DP1&2, beschrijving van mogelijke afdekvormen van de steile Betech taluds geresulteerd in de ministerile afwijking, voorstel begroeiing taluds 1998 Project-MER voor de hervergunning van de gehele site SGS 1999 OBO in kader periodieke onderzoeksplicht (Stelt verontreiniging vast van het vaste deel van de bodem met minerale olie en PAK ter hoogte van het tankenpark, er wordt verontreiniging van het grondwater vastgesteld met metalen, BTEX en VOCl) Lisec Studiecentrum voor Ecologie vzw 2000 Opstart BBO in kader van voorgaand OBO (conform d.d. 2005) 2003 Stabiliteit eindafdek deponie 1, onderzoek van de afschuiving van de 6/4 oostflank deponie 1 MWH 2003 Project-MER voor de hervergunning van de deponie en een verhoging tot 55mTAW (PR0023) SGS Environmental Services N.V. 2004 Beschrijvend bodemonderzoek Lisec Studiecentrum voor Ecologie vzw 2005 Eindafdek Vlarem concept, stabiliteitsanalyse van het stortmassief bij uitbreiding MWH naar 50m TAW en aanpassing van de hellingshoek van de taluds, stabiliteit van eindafdek, waterhuishouding eindafdek, financile evaluatie 2005 Stabiliteit van het stortmassief bij uitbreiding fase 3, beschrijving fasering en consolidatieproblematiek MWH 2005 Orinterend bodemonderzoek in kader van de periodieke onderzoeksplicht (eerder teruggevonden verontreiniging blijft stabiel) + aanvullend onderzoek Lisec Studiecentrum voor Ecologie vzw 2006 Gebruik van zand bentoniet op stortplaatsen Technosan 2006 Lekdebietcontrole fase 2 deponie Antwerpen MWH 2006 Opmaak bodemsaneringsproject tankenpark Opmerking: m.b.t. de deponie werden in kader van de uitgevoerde OBO's, BBO' en BSPs geen problemen vastgesteld Lisec Studiecentrum voor Ecologie vzw 2007 Project-MER voor de hervergunning van de deponie en verhoging tot 50mTAW (PR0225) SGS 2008 Evaluatie proefproject bodemsaneringsproject Indaver nv RSK Benelux bvba 2010 Voorstel betreffende de opvolging van effluent verbrandingsinstallaties op de site van Indaver nv te Antwerpen SGS 2011 Project-MER voor de uitbreiding van de deponie van Indaver NV te Antwerpen SGS Belgium NV Datum: april 2018 25 van 92 PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN Datum 2014 2016 2016 2016 2016 2017 2018 Jaarlijks Jaarlijks Jaarlijks Jaarlijks Studie Onderzoek deelstromen AOX/EOX Project-MER voor het 3-valleien-project: Opvullen van de valleien tussen de deponien van Indaver, AMORAS en Hooge May Orinterend bodemonderzoek Orinterend bodemonderzoek: aanvulling Rapport schadegeval Bodem incident Hook-up Tussentijds rapport bodemsaneringswerken Navolgend BBO incident Hook-up Milieujaarverslag Indaver site Antwerpen Jaarrapport deponie Indaver Technisch rapport verbranding Monitoring BSP Periodiek Energieplannen en -studies voor diverse installatieonderdelen volgens de regelgeving Uitvoerder Arcadis Bova Enviro+ RSK RSK RSK RSK RSK Indaver NV Indaver NV Indaver NV Bodemsaneringsdeskundige Energie-deskundige Datum: april 2018 26 van 92 PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN 2.3 Juridische en beleidsmatige randvoorwaarden Tabel 2.5: Overzicht juridische en beleidsmatige randvoorwaarden Data Toelichting Relevant Bespreking relevantie Milieuhygine algemeen en Sectorale wetgeving Decreet houdende algemene bepalingen in verband met milieubeleid (DABM) 5 april 1995 Het DABM regelt de milieuplanning, bedrijfsinterne milieuzorg, de milieueffect- en veiligheidsrapportering en de oprichting en taakomschrijving van agentschappen. Ja De initiatiefnemer is m.e.r.-plichtig. Besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygine (VLAREM II) 1 juni 1995 Besluit van de Vlaamse Regering houdende bijkomende algemene en sectorale milieuvoorwaarden voor GPBV-installaties - VLAREM III 16 mei 2014 Omgevingsvergunningendecreet en uitvoeringsbesluiten 25 april 2014 Datum: april 2018 VLAREM II legt vast voor welke activiteiten een vergunning vereist is. Het bevat de milieukwaliteitsnormen waarop de overheid haar vergunningenbeleid moet afstemmen, een overzicht van overgangsbepalingen voor het toepassen van nieuwe milieuvoorwaarden op bestaande bedrijven, algemene en sectorale milieuvoorwaarden en milieuvoorwaarden voor niet ingedeelde inrichtingen en activiteiten. VLAREM III bevat bijkomende algemene en sectorale milieuvoorwaarden voor GPBV-installaties. Ja Algemeen relevant Ja Indaver is een GPBV installatie. Het decreet van 25 april 2014 betreffende de Ja De omgevingsvergunning die Indaver zal omgevingsvergunning en haar uitvoeringsbesluiten leggen de aanvragen, kadert binnen deze regelgeving. procedures vast die met betrekking tot de omgevingsvergunning kunnen worden gevoerd. De inhoudelijke milieubepalingen zijn vervat in titel IV en een nieuwe titel V van het DABM en VLAREM II en III. VLAREM II bevat voortaan ook de indelingslijst (bijlage I) en de milieuspecifieke procedures zoals de evaluaties en de afwijkingsprocedure. De inhoudelijke bepalingen inzake de ruimtelijke ordening, zoals de regels die een vergunningsplicht of meldingsplicht opleggen, Paragraaf in dit document 1.2 Disciplines Water, Bodem, Lucht, Geluid - Algemeen van toepassing 27 van 92 PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN Data Toelichting Relevant Bespreking relevantie Paragraaf in dit document blijven vervat in de VCRO en in de uitvoeringsbesluiten. Bodemdecreet 27 oktober 2006 Het bodemdecreet en Vlarebo regelen de bodemwetgeving in Vlaanderen. Het decreet voorziet in het gebruik van normen voor de beoordeling van bodemverontreiniging en in het vaststellen van saneringsdoelstellingen. Ja Binnen deze regelgeving wordt de bodemverontreiniging op het terrein van Indaver Discipline bestudeerd. Bodem VLAREBO 14 december 2007 Het uitvoeringsbesluit VLAREBO bevat de bepalingen die van toepassing zijn op grondverzet en het (her)gebruik van uitgegraven bodems.. Ja Binnen deze regelgeving wordt de Discipline bodemverontreiniging op het terrein van Indaver Bodem bestudeerd. Materialendecreet 23 december 2011 Het decreet zet de Europese Kaderrichtlijn 2008/98/EG om in Vlaamse regelgeving en legt een juridische basis voor de omslag van het Vlaamse afvalstoffenbeleid naar een beleid gericht op de ganse materiaalkringloop. In het decreet staat een duurzame ontwikkeling inzake materiaalgebruik centraal, met name vrijwaren van de gezondheid van mens en milieu, tegengaan van verspilling van grondstoffen en energie. Hierbij wordt de Ladder van Lansink gerespecteerd. Ja Indaver moet de afvalstoffen die bij haar activiteiten ontstaan, volgens deze regelgeving afvoeren. Algemeen van toepassing Het Vlaams Reglement voor het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen (VLAREMA) 17 februari 2012 Het VLAREMA bevat meer gedetailleerde voorschriften over (bijzondere) afvalstoffen, grondstoffen, selectieve inzameling, vervoer, de registratieplicht en de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid. BBT / BREF-documenten i.k.v. Richtlijn Industrile Emissies (2010/75/EU) 24 november 2010 Op Europees niveau worden BREF-documenten opgesteld. Ja De processen van Indaver zullen worden getoetst Deze documenten geven per industriesector de BBT alsook de aan de relevante technieken uit de toepasselijke emissieniveaus (naar lucht, water, geluid,...) die gepaard gaan BBT en BREF documenten. Vooral met deze BBT. disciplines Vito stelt BBT-studies op voor verschillende industriesectoren. lucht en Deze studies geven de best beschikbare technieken aan, alsook water de emissieniveaus (naar lucht, water, geluid,...) die gepaard gaan met deze beste beschikbare technieken. Verordening 850/2004/EG van 29 april 2004 Vanwege de verplaatsing over grote afstand en de Ja In het acceptatiebeleid wordt rekening gehouden Project- Datum: april 2018 28 van 92 PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN Data Toelichting Relevant Bespreking relevantie Paragraaf in dit document 29 april 2004 van het Europees Parlement en de Raad betreffende persistente organische verontreinigende stoffen en tot wijziging van Richtlijn 79/117/EEG biomagnificatie van deze stoffen is het risico vooral hoog voor ecosystemen en de plaatselijke bewoners van het Noordpoolgebied. Dit betekent dat persistente organische verontreinigende stoffen een bedreiging voor het milieu en de gezondheid van de mens over de hele wereld vormen. met POP-houdend afval. POP-houdend afval wordt enkel geaccepteerd voor zover het voldoet aan de voorwaarden van de POP-richtlijn. beschrijving EG-richtlijn 1999/31/EG betreffende het storten van afvalstoffen en wijzigingsbesluiten 1999 De richtlijn heeft ten doel te voorzien in maatregelen om de negatieve gevolgen van het storten van afvalstoffen voor het milieu te voorkomen of te verminderen. In de richtlijn, die van toepassing is op alle stortplaatsen die als afvalverwijderingsterreinen voor het storten van afvalstoffen op of in de bodem zijn omschreven, worden de verschillende categorien afvalstoffen gedefinieerd (stedelijk afval, gevaarlijke, ongevaarlijke en inerte afvalstoffen). De stortplaatsen worden ingedeeld in drie klassen: stortplaatsen voor gevaarlijke afvalstoffen; stortplaatsen voor ongevaarlijke afvalstoffen; stortplaatsen voor inerte afvalstoffen. Ja Indaver heeft de deponie ingedeeld als categorie 1 stortplaats (rubriek 2.3.6.c.). Administratieve situering van het project Ruimtelijke planning Decreet ruimtelijke ordening 18 mei 1999 Regelt de organisatie van de ruimtelijke ordening in Vlaanderen. Neen Geen specifieke aandachtspunten voor Indaver. Dit decreet is vooral van toepassing op de organen die belast zijn met het uitwerken van de ruimtelijke ordening (gewest, provincie, - gemeente). Concreet is het GRUP Afbakening Zeehavengebied Antwerpen van toepassing op het projectgebied. Verordening 1013/2006/EG 13 februari 2006 Wet betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu Ja Het projectgebied bevindt zich op 4,6 km afstand Administrat betreffende (BS 10 maart 2006) van bepaalde plannen en programma's en de inspraak van het van de landsgrens met Nederland. ieve grensoverschrijdende publiek bij de uitwerking van de plannen en programma's in Grensoverschrijdende effecten zijn, op basis van situering overbrenging van verband met het milieu. voorgaande MER-studies, wellicht van het afvalstoffen verwaarloosbaar. project Datum: april 2018 29 van 92 PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN Data Toelichting Relevant Bespreking relevantie Paragraaf in dit document Samenwerkingsakkoord tussen het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreffende de uitwisseling van informatie over projecten met gewestgrensoverschrijdende milieueffecten 4 juli 1994 Dit akkoord regelt de uitwisseling van informatie over projecten met gewestgrensoverschrijdende milieueffecten.. Neen Het projectgebied bevindt zich op ruime afstand van de gewestgrenzen (> 50 km) en zal bijgevolg geen effecten veroorzaken in de andere gewesten. Administrat ieve situering van het project Gewestplan 28 december 1972 Geeft de bestemming van de gronden in Vlaanderen weer. en later Ja Indaver ligt in een gebied dat bestemd is als industriegebied. Een klein gedeelte van het terrein ligt volgens het gewestplan in een bufferzone. Volgens het gewestelijk RUP Administrat `Afbakening Zeehavengebied Antwerpen' werd ieve het hele gebied herbestemd naar specifiek situering regionaal bedrijventerrein voor afvalverwerking van het en recyclage (Bijlage 2). project (http://bouwvoorschriften.antwerpen.be/Detailvie werAntwerpen.html?algplanid=RUP_02000_212_ 00202_00001) Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen (RSV) 23 september 1997 Geeft een toekomstvisie over hoe we in Vlaanderen met onze schaarse ruimte moeten omgaan om een zo groot mogelijke ruimtelijke kwaliteit te krijgen (planhorizon loopt tot 2007); Het RSV is de basis voor verdere verfijning in provinciale en gemeentelijke ruimtelijke structuurplannen. Om in te spelen op nieuwe ruimtelijke uitdagingen wordt het plan geregeld herzien. Dit gebeurde voor het laatst in de periode 2010-2011. De Vlaamse Regering keurde op 30 november 2016 het Witboek Beleidsplan Ruimte Vlaanderen goed. Dit is een belangrijke nieuwe formele stap op weg naar het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen, dat het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen zal vervangen. Indaver ligt in het haven- en industriegebied van de Antwerpse haven. Dit gebied moet gereserveerd worden voor de ontwikkeling van nieuwe en verdere ontwikkeling van bestaande industrile en economische activiteiten. De Antwerpse haven wordt aangeduid als een belangrijke `poort' voor in- en uitvoer. Ja Administrat ieve situering van het project Datum: april 2018 30 van 92 PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN Gewestelijk Ruimtelijk Uitvoeringsplan (GRUP) Provinciaal Ruimtelijk Structuurplan Antwerpen (RSPA) Gemeentelijk Ruimtelijk Structuurplan Antwerpen Algemene en bijzondere Datum: april 2018 Data Toelichting Relevant Bespreking relevantie Paragraaf in dit document 24 oktober 2014 Het GRUP "Afbakening zeehavengebied Antwerpen" geeft uitvoering aan de gewenste ruimtelijke structuur zoals vastgelegd in het Ruimtelijke Structuurplan Vlaanderen. Dit gebied behoort tot de bestemmingscategorie `bedrijvigheid', meer bepaald tot het " Specifiek regionaal bedrijventerrein voor afvalverwerking en recyclage". Het gebied is bestemd voor regionale bedrijven met afvalverwerkende en recyclerende Administrat activiteiten. ieve Ja situering Daarnaast zijn de volgende activiteiten van het toegelaten: project - verwerking en bewerking van mest of slib; - grondopslag en grondbewerking en - verwerking. Installaties voor het opwekken van hernieuwbare energie, energierecuperatie of warmtekrachtkoppeling zijn toegelaten. Vastgesteld door de provincieraad op 25/01/2001 en goedgekeurd door de Vlaamse Regering op 10/07/2001 Verfijning van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen op provinciaal vlak. Het uitgangspunt van het Provinciaal Ruimtelijk Structuurplan Antwerpen is het efficint gebruik van de ruimte en het verder voorkomen van versnippering. Het gewenst ruimtelijk beeld van deze hoofdruimte wordt verder gebiedsgericht uitgewerkt en in zeven deelruimten opgesplitst. In 2011 is een kortetermijn- of partile herziening van het RSPA afgerond. Deze herziening had grotendeels tot doel om de planperiode te verlengen van 2007 tot 2012. Goedgekeurd op 18/09/2006 Het stedelijk ruimtelijk structuurplan geeft de hoofdlijnen weer van het ruimtelijk beleid dat de stad wenst te voeren. Het s-RSA werd inmiddels gevalueerd en zal geactualiseerd worden. Bij de actualisering zal onder meer rekening gehouden worden met de verwachte bevolkingsgroei en de wijziging in de bevolkingssamenstelling in de volgende decennia. De deelruimte `Antwerpse haven' is van toepassing voor Indaver. De doelstellingen voor de `Antwerpse haven' zijn het bieden van kansen Administrat aan de haven, het verzekeren van de ieve Ja toegankelijkheid en bereikbaarheid en het vorm situering geven aan grenzen en het verdichten, efficint van het benutten en hergebruiken van haventerreinen. project Gelijkaardige bestemming en toekomstvisie voor de terreinen van Indaver. Administrat ieve Ja situering van het project Een APA en een BPA (Algemeen en Bijzonder Plan van Aanleg) Neen Niet van toepassing voor Indaver. Administrat 31 van 92 PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN Data plannen van aanleg, gemeentelijke plannen van aanleg Milieubeleidsplannen Bestuursakkoord 2013-2018 "Respect voor A" 2013 - 2018 Nationaal Klimaatplan 20092012 2008 Vlaams Klimaatbeleidsplan 2013 - 2020 Goedgekeurd op 28/06/2013 Strategisch plan van de Datum: april 2018 2006 Toelichting Relevant Bespreking relevantie zijn beleidsdocumenten waarin de visie van de overheid wordt uitgedrukt over de toekomstige ruimtelijke ordening van een specifiek gebied. Paragraaf in dit document ieve situering van het project Het bestuursakkoord omvat naast allerhande doelstellingen ook doelstellingen met betrekking tot milieu. In samenwerking met de Gewesten werd een Nationaal Klimaatplan opgesteld. Dit plan kadert in een algemene strategie voor duurzame ontwikkeling en wil de bestaande en geplande beleidsplannen en programma's op federaal en gewestelijk niveau integreren zodat Belgi haar verplichtingen i.v.m. de beperking van broeikasgasemissies nakomt. Op 26 april 2012 besliste de Nationale Klimaatcommissie om een nieuw Nationaal Klimaatplan uit te werken, maar de realisatie ervan was ondergeschikt aan de onderhandelingen over lastenverdeling voor de periode 2013-2020 tussen de federale staat en de gewesten. Door het uitblijven van een samenwerkingsakkoord over een dergelijke lastenverdeling voor de periode 2013-2020 besliste de Nationale klimaatcommissie in 2017 om geen nationaal klimaatplan voor deze periode meer uit te schrijven en zich te concentreren op het uitwerken van een gentegreerd Nationaal Energie-Klimaatplan 2021-2030, zoals voorgesteld in het Europese Clean Energy Package. Het nieuwe Vlaams Klimaatbeleidsplan (VKP) bestaat uit een overkoepelend luik en twee deelplannen: het Vlaams Mitigatieplan (VMP), om de uitstoot van broeikasgassen te verminderen, en het Vlaams Adaptatieplan (VAP) om de effecten van de klimaatverandering in Vlaanderen op te vangen. Ter uitvoering van de Vlaamse regeerakkoorden van 1999 en Neen Specifiek naar bedrijven toe worden in dit akkoord geen doelstellingen geformuleerd. Ja De verbrandingsprocessen in de installatie zorgen voor emissies van o.a. CO2. Ja In het VKP wordt vermeld dat er nood is aan een Algemeen verbeterde ontsluiting van de havens en van voldoende efficinte overslagpunten naar spoor, weg en water. toepassing Ja In de omgeving van het projectgebied Algemeen 32 van 92 PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN Data Haven van Antwerpen (2006) Meest Maatschappelijk Haalbaar Alternatief (2009) 2009 Lucht Richtlijn Industrile Emissie (2010/75/EU) 24/11/2010 Saneringsplan fijn stof voor de zones met overschrijding in 2003 en aanpak fijn stofproblematiek in 23/12/2005 Datum: april 2018 Toelichting Relevant Bespreking relevantie Paragraaf in dit document 2004 wordt in elke Vlaamse zeehaven een strategisch plan opgemaakt dat de langetermijnvisie (tot 2030) voor de havenontwikkeling in beeld moet brengen. Krachtlijnen van die strategische planprocessen zijn: zuinig gebruik van ruimte en milieu, duurzame mobiliteit, duidelijke en beleefbare grenzen tussen de haven en het buitengebied, en respect voor de aanwezigheid van belangrijke natuurwaarden in en rond de haven. Nadat het plan-MER werd afgerond, werd hieruit een Maatschappelijk Meest Haalbaar Alternatief geformuleerd. Op 24 oktober 2014 keurde de Vlaamse Regering het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan (GRUP) `Afbakening zeehavengebied Antwerpen' definitief goed. worden/werden een aantal projecten uitgevoerd, welke de natuurlijke omgeving relevant kunnen wijzigen. Deze projecten zijn o.a.: De ontwikkeling van een zone rond het vormingsstation nabij de Verlegde Schijns. Voor de optimale realisatie van het logistiek park Schijns is het noodzakelijk dat de Verlegde Schijns gedempt wordt. Aanleg van een plas voor o.a. Zwartkopmeeuwen binnen de verkeerswisselaar ter hoogte van Stabroek. Het project AMORAS. van toepassing Deze Richtlijn Industrile Emissies (Industrial Emissions Ja De activiteiten van Indaver zijn opgenomen in Admini- Directive (IED)) integreert de IPPC- en zes andere richtlijnen (de BREF- en BBT-documenten. stratieve Richtlijn grote stookinstallaties, de Afvalverbrandingsrichtlijn, de situering Oplosmiddelenrichtlijn en drie Richtlijnen voor de van het titaniumdioxide-industrie). In navolging van deze nieuwe richtlijn project werden begin 2013 een aantal aanpassingen aan het Vlarem doorgevoerd. In de IED-richtlijn is ten opzichte van de IPPC-richtlijn onder meer sprake van verduidelijking van de scope (o.a. definitie installatie, waterzuiveringsinstallaties en afvalbeheer), aanscherping van de toepassing van de BREF (referentie) documenten, bepalingen over de actualisatie van vergunningen, en een verruiming van de mogelijkheid van het stellen van algemene regels. Om de stofemissies te verlagen, keurde de Vlaamse overheid in 2005 het Vlaamse stofplan van 2005 goed. Ja Algemeen van toepassing voor de Antwerpse haven. Discipline Lucht Sinds 1 januari 2005 mogen van Europa de grenswaarden van fijn stof maximaal 35 keer per jaar worden overschreden. Om de 33 van 92 PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN Vlaanderen Data Actieplan fijn stof in de industrile hotspotzones 2007 Actieplan fijn stof en NO2 in de Antwerpse haven en de stad Antwerpen 2014-2018 2014 PACT 2020 Luchtkwaliteitsplan NO2 Datum: april 2018 2011 Toelichting Relevant Bespreking relevantie stofemissies te verlagen werd eind 2005 het Vlaamse stofplan goedgekeurd. De acties van het stofplan richten zich enerzijds tot alle sectoren (wegverkeer, huishoudens, industrie, scheepvaart, tertiaire sector, land- en tuinbouw) en zijn anderzijds toegespitst op zogenoemde hotspots, welbepaalde plaatsen met verhoogde concentratie (industrile hotspots, steden en gemeenten, snel- en gewestwegen). Het actieplan heeft tot doel om de problematiek van fijn stof in de industrile hotspotzones Gentse kanaalzone, Oostrozebeke, Roeselare en Ruisbroek in kaart te brengen en een overzicht te geven van maatregelen die worden getroffen voor industrile bronnen Het actieplan heeft als strategische doelstelling het tot stand brengen van een verdere verbetering van de luchtkwaliteit in stad en haven Antwerpen, tot op een niveau dat de PM10daggrenswaarde zo snel als mogelijk duurzaam wordt gerespecteerd en de negatieve gezondheidseffecten sterk worden gereduceerd, en een duurzame daling van de NO2jaargemiddelde concentraties tot onder de jaargrenswaarde, ten laatste in 2015. De focus zal hierbij enerzijds liggen op het concreet aanpakken van knelpuntlocaties (meetpunt Luchtbal, meetpunt Kallo en meetpunt Borgerhout), en anderzijds op de transportemissies gezien deze (1) in belangrijkste mate bijdragen tot de NO2problematiek en (2) vanuit gezondheidskundig oogpunt het meest schadelijk zijn. Dit pact stelt dat Vlaanderen voor de luchtkwaliteit in 2020 even goed moet scoren als Europese topregio's. Hierbij dienen de gemiddelde jaarconcentratie aan fijn stof met 25% dalen t.o.v. 2007. In september 2011 heeft de Vlaamse Regering het Luchtkwaliteitsplan NO2 principieel goedgekeurd. Dit Neen Het projectgebied bevindt zich niet in een dergelijke zone. Ja Algemeen relevant in de Antwerpse haven. Ja Algemeen relevant in Vlaanderen Ja Algemeen relevant in Vlaanderen Paragraaf in dit document Discipline Lucht Discipline Lucht Discipline Lucht 34 van 92 PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN Data 2008 Visie document "De weg naar een duurzaam geurbeleid" Toelichting Relevant Bespreking relevantie Luchtkwaliteitsplan richt zich op het bereiken van de NO2 jaargrenswaarde in 2015 en kadert in de uitstelaanvraag die Vlaanderen indiende bij de Europese Commissie. De belangrijkste bron van NOx en oorzaak van de overschrijding blijkt het transport (wegverkeer en scheepvaart) te zijn. De maatregelen in het luchtkwaliteitsplan richten zich dan ook grotendeels op transport. Paragraaf in dit document Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur (toen Hilde Crevits) stelde een visiedocument op `De weg naar een duurzaam geurbeleid'. In dit visiedocument wordt Afvalstoffen worden vaak geassocieerd met geur. Discipline Voor de deponie werden nog geen klachten geregistreerd met betrekking tot geur. Lucht in hoofdlijnen ingegaan op de (beleids)context, beleidshiaten, recente realisaties, visie en potentile vernieuwende geurbeleidsmaatregelen in Vlaanderen. Op 29 april 2009 werd Ja hierover door de Minaraad een advies geformuleerd. In essentie wordt gesteld dat indien er hinder is, dit via BBT-maatregelen tot een aanvaardbaar niveau dient teruggedrongen. Water Decreet integraal waterbeleid 18 juli 2003 Grondwaterdecreet, dd. 24/01/1984 en uitvoeringsbesluit over de afbakening van 27/03/1985 Datum: april 2018 Legt de principes, doelstellingen en structuren vast voor een duurzaam waterbeleid conform de bindende bepalingen van de Europese Kaderrichtlijn Water. Via dit decreet worden een aantal nieuwe instrumenten ingevoerd - zoals de watertoets - die de overheid in staat moeten stellen een effectief beleid inzake integraal waterbeheer te voeren. Het waterbeheer wordt voortaan beschouwd per deelbekken. Vlaanderen werd ingedeeld in 11 rivierbekkens. Ja Voor Indaver zal worden gevalueerd of waterbesparende maatregelen mogelijk zijn. Discipline Water Dit decreet regelt de bescherming tegen verontreiniging, de Ja Indaver heeft een grondwaterwinning. Het effect reglementering betreffende grondwaterwinning en de objectieve ervan werd in een recente geohydrologische Discipline aansprakelijkheid van veroorzaakte grondwatertafeldaling (sinds studie gevalueerd. Wter 1999 opgenomen in VLAREM-wetgeving). 35 van 92 PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN Data Toelichting Relevant Bespreking relevantie Paragraaf in dit document waterwingebieden en beschermingszones Grondwaterbescherming (grondwaterdecreet) (decreet van 24 januari 1984 , gewijzigd bij decreten van 12 december 1990 en 20 december 1996 (BS 31 december 1996) Regelt de bescherming van het grondwater tegen verontreiniging. Het omvat ondermeer de reglementering betreffende de grondwaterwinning, alsook bepaalt het de afbakening van waterwingebieden en beschermingszones rond drinkwaterwinningen. Gewestelijke stedenbouwkundige verordening inzake hemelwaterputten, infiltratievoorzieningen, buffervoorzieningen en gescheiden lozing van afvalwater en hemelwater 01/01/2014 Dit besluit gaat uit van het principe dat hemelwater in eerste instantie dient hergebruikt te worden, in tweede instantie in de bodem infiltreert en in laatste instantie vertraagd wordt afgevoerd. Het besluit is o.m. van toepassing op het bouwen of herbouwen van gebouwen (voor nieuwe gebouwen) vanaf 40m dakoppervlakte, uitbreidingen vanaf 40m dakoppervlakte en aanleg van verharde grondoppervlaktes vanaf 40 m. Stroomgebiedbeheerplan Schelde (2010-2015) 2010 - 2015 Op 8 oktober 2010 stelde de Vlaamse Regering het stroomgebiedbeheerplan voor de Schelde en het bijhorende maatregelenprogramma voor Vlaanderen definitief vast. Het Vlaamse stroomgebiedbeheerplan voor de Schelde heeft betrekking op het grootste deel van Vlaanderen. Enkel het Maasbekken ligt niet in het stroomgebied van de Schelde. Besluit m.b.t. watertoets 3 november 2006 Dit besluit geeft de lokale, provinciale en gewestelijke overheden, die een vergunning moeten afleveren, richtlijnen voor de toepassing van de watertoets. Wet op de onbevaarbare waterlopen KB 28 december 1967 Voorziet de indeling van de waterlopen in verschillende categorien, geeft aan wie er bevoegd is voor het beheer alsook bepalingen naar beheer en onderhoud toe. Ja Neen Ja Ja Ja Indaver heeft een eigen grondwaterwinning; deze winning is vergund tot 2019, en de vereisten inzake grondwaterwinning van onderhavig project zijn gedekt binnen deze bestaande vergunning. Discipline Water Er worden geen nieuwe constructies gebouwd. Het projectgebied behoort tot het stroomgebied van de Schelde. Discipline Water Het MER zal de `elementen en informatie tot uitvoering van de watertoets' bevatten. De Verlegde Schijn is een onbevaarbare waterloop die invloed van Indaver ondervindt. Discipline Water Discipline Water Datum: april 2018 36 van 92 PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN Data Toelichting Wet op de bevaarbare waterlopen KB 5 oktober 1992 (BS 6 november 1992) Duidt o.a. aan welke waterlopen als bevaarbare waterlopen worden beschouwd. Regelgeving betreffende vrije vismigratie 26 april 1996 en 18 juli 2003 (BS 14 november 2003) In de Beschikking van de Benelux Economische Unie (26 april 1996) en in het Decreet Integraal Waterbeleid wordt vooropgesteld dat in alle waterlopen van de hydrografische stroomgebieden van de Benelux vrije migratie van alle vissoorten mogelijk gemaakt wordt tegen begin 2010 Regelgeving inzake polders KB 3 juni 1957 en 23 januari 1958 Regelt de bevoegdheid van de polders met als doel om het binnendijkse land te behoeden voor overstromingen door de zee, en het instellen van een optimaal peil in functie van het multifunctioneel gebruik van de gronden (eerst gericht op landbouw, nu sedert het decreet integraal waterbeleid meer multifunctioneel). Relevant Bespreking relevantie Ja De Schelde is een bevaarbare waterloop die invloed van Indaver ondervindt. Neen Geen waterlopen op het terrein aanwezig. Indaver veroorzaakt geen knelpunten voor vismigratie in de Schelde. Paragraaf in dit document Discipline Water Neen Gebied valt niet binnen werkingsgebied van een polder of watering. Geluid Omgevingslawaai Besluit van de Vlaamse Regering van 22 juli 2005 Besluit inzake de evaluatie en de beheersing van het omgevingslawaai. Ja Indaver dient aan de normen van Vlarem te voldoen. Landschapszorg Decreet betreffende het onroerend erfgoed en bijhorend besluit 12 juli 2013 (decreet) 16 mei 2014 (besluit) Het Onroerenderfgoeddecreet voorziet 4 mogelijke beschermingsstatuten: een beschermd monument, een beschermd cultuurhistorisch landschap, een beschermd stadsof dorpsgezicht en een beschermde archeologische site. Het Onroerenderfgoeddecreet voorziet in 6 vastgestelde inventarissen. Hierin worden erfgoedobjecten opgenomen die niet beschermd zijn maar wel waardevol zijn. Er is een inventaris voor bouwkundig erfgoed (gehelen en relicten), landschapsatlas, houtige beplantingen met erfgoedwaarde, historische tuinen en parken, archeologische zones. Er zijn een Ja Ten oosten van Indaver is een deel van de ankerplaats `Polders van Stabroek' aangeduid als erfgoedlandschap. Andere milieueffec ten Datum: april 2018 37 van 92 PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN Regionaal landschap (Art 54 van het decreet op natuurbehoud) Natuurbehoud Decreet betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu Vlaamse en/of erkende natuur- of bosreservaten NATURA 2000; Speciale beschermingszones Datum: april 2018 Data 20 januari 1998 Toelichting Relevant Bespreking relevantie aantal rechtsgevolgen voor vastgelegd. Tot slot zijn er nog de erfgoedlandschappen. Een erfgoedlandschap is een groter ruimtelijk geheel van erfgoedelementen en -waarden, afgebakend in een RUP. Daarbij worden de maatregelen voor het behoud van de erfgoedwaarden en -kenmerken ingeschreven in de stedenbouwkundige voorschriften. Betreft een gebied met landschappelijke waarde en waarrond op initiatief van de provincie een samenwerkingsverband tussen gemeenten wordt opgezet. Neen Er is geen regionaal landschap in de omgeving van Indaver gelegen. Paragraaf in dit document 21 oktober 1997 Heeft tot doel een verregaande bescherming, ontwikkeling en herstel van het natuurlijke milieu te verwezenlijken. Belangrijk hierbij is het stand-stillprincipe. Tevens voorziet het in een afbakening van een Vlaams Ecologisch Netwerk (VEN) en het integraal verwevings- en ondersteunend netwerk (IVON) tussen bestaande grote eenheden natuur (GEN) of te vormen grote eenheden natuur (GENO). Het natuurdecreet legt de voorschriften en geboden in VEN en de Speciale Beschermingszones vast. Tevens regelt dit decreet het soortgericht natuurbeleid (soortenbescherming). 21 oktober 1997 Natuurgebieden die van belang zijn voor het behoud en ontwikkeling van de natuur of het natuurlijk milieu kunnen door de Vlaamse regering worden aangewezen of erkend als natuurreservaat. Bossen die worden aangewezen worden vanaf de aanwijzing bosreservaat genoemd. Europese regelgeving die werd omgezet in Vlaamse wetgeving via het decreet NATURA 2000 is het streven van Europa als gevolg van de habitatrichtlijn (92/43/EEG) om een samenhangend Europees netwerk te vormen van gebieden waarin maatregelen genomen worden om de natuurlijke habitats in een gunstige staat te behouden voor de bedoelde soorten uit de habitatrichtlijn. Ja Stand still principe moet overal worden toegepast. In de omgeving van het projectgebied liggen meerdere natuurgebieden. Binnen een straal van 5 km bevindt zich het erkend natuurreservaat `Galgeschoor en de Kuifeend. Discipline Biodiversit eit Ja Het erkende natuurreservaat `Kuifeend' is gelegen op circa 1 km meter ten zuiden van Discipline Indaver en het `Galgeschoor' op circa 4,5 km ten westen. Biodiversit eit Ja De Kuifeend is een vogelrichtlijngebied. Galgeschoor maakt deel uit van volgende Discipline speciale beschermingszones: Vogelrichtlijngebied `Schorren en polders van de BenedenSchelde' Biodiversit eit 38 van 92 PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN Data Toelichting Relevant Bespreking relevantie Paragraaf in dit document betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu Speciale beschermingszones zijn gebieden aangewezen door de Vlaamse regering in toepassing van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn. Habitatrichtlijngebied `Schelde- en Durmestuarium van de Nederlandse grens tot Gent'. Conventie van Ramsar 2 februari 1971 De Conventie van Ramsar heeft tot doel de bescherming van waterrijke gebieden van internationaal belang. Deze gebieden werden in Vlaanderen omgezet tot speciale beschermingszones voor vogels. Meer info: http://www.wetlands.org/rsis/ Ja Hwaetteprrroijkjegctegbeiebdievdaznelifnitsernniaettiognealeaglebneliannege. nIn de Discipline ruime omgeving (4,5 km) van het projectgebied is Biodiversit n Ramsargebied gelegen: Galgenschoor. eit Bosdecreet 13 juni 1990 Regelt het behoud, bescherming, aanleg en beheer van bossen in Vlaanderen; omvat naast bostechnische gegevens ook specifieke verwijzingen naar ecologische en recreatieve functies van een bos. Neen Terrein is geen bos volgens de definitie van het bosdecreet. Discipline Biodiversit eit Op grond van Decreet betreffende natuurbehoud en het natuurlijk milieu kan een Natuurinrichtingsproject worden ingesteld 21/10/1997 en 23/07/1998 Natuurinrichting is een gebied optimaal inrichten in functie van het behoud van bestaande natuur, maar ook voor het herstel en de ontwikkeling van natuur, en het beheer nadien is de doelstelling van natuurinrichting. Om deze inrichting te kunnen doen zijn verschillende soorten maatregelen en inrichtingswerken mogelijk, gaande van plaatsen van een begrazingsraster tot grote grondwerken. Wat men daadwerkelijk in natuurinrichting doet, wordt zorgvuldig afgewogen. Neen Het projectgebied behoort niet tot een natuurinrichtingsproject. Gemeentelijke kapvergunning Specifieke gemeentelijke verordening betreffende het verwijderen van bomen aanvullend op deze zoals voorzien in Bosdecreet, Stedenbouwkundige regelgeving en Decreet op het natuurbehoud. Neen Het betreft een bestaand industrieterrein waarop geen bomen gekapt zullen worden. Koninklijk besluit houdende maatregelen ter bescherming van bepaalde in het wild groeiende plantensoorten. 16 februari 1976 Regelgeving die bescherming regelt van dieren en planten en beperkingen inhoudt naar vervoer, plukken of vangen,... Neen Het gaat hier om industriegebied. Besluit van de Vlaamse Regering van 15 mei 2009 met betrekking tot 15 mei 2009 Dit besluit is van toepassing op alle inheemse soorten en uitheemse soorten die vallen onder toepassingsgebied van de Vogel- en Habitatrichtlijn en het verdrag van Bern, en alle Ja Algemeen van toepassing. Discipline Biodiversit eit Datum: april 2018 39 van 92 PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN soortenbescherming en soortenbeheer (Soortenbesluit) Data Soortenbeschermingsprogra mma voor de Antwerpse haven (M.B. 23 mei 2014) 23 mei 2014 Toelichting Relevant Bespreking relevantie andere uitheemse soorten voor zover het gaat over de introductie ervan of populatiebeheer. Het Soortenbesluit bevat een basis voor het vaststellen van Rode lijsten door de bevoegde minister (artikel 5). Momenteel zijn er rode lijsten vastgesteld door de volgende besluiten: het ministerieel besluit van 16 maart 2011 tot vaststelling van zes Rode lijsten in uitvoering van artikel 5 van het soortenbesluit , het ministerieel besluit van 17 juni 2013 tot vaststelling van drie Rode lijsten ter uitvoering van artikel 5 van het Soortenbesluit van 15 mei 2009 en het ministerieel besluit van 12 november 2014 tot vaststelling van drie Rode lijsten ter uitvoering van artikel 5 van het Soortenbesluit van 15 mei 2009. Het Soortenbesluit van 15 mei 2009 bevat in artikel 24-27 tevens de wettelijke basis voor het nemen van maatregelen Ja Indaver is gelegen in het Antwerpse havengebied. inzake soortenbehoud. De meest prominente van die maatregelen is de mogelijkheid voor de bevoegde minister om soortenbeschermingsprogramma's vast te stellen (artikel 26-27). Tot op heden zijn door de minister vijf van dergelijke soortenbeschermingsprogramma's vastgesteld, waaronder het programma voor Antwerpen. In de Antwerpse haven komen 51 havenspecifieke beschermde soorten en 39 niet-havenspecifieke beschermde soorten voor. Er werden 14 paraplusoorten geselecteerd uit de ruimere groep van 90 beschermde soorten omdat de behoudsmaatregelen voor deze soorten meteen ook de instandhouding van de overige 76 beschermde soorten afdekken. Paragraaf in dit document Discipline Biodiversit eit Datum: april 2018 40 van 92 PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN Overeenkomst voor de bescherming van vleermuizen als uitvloeisel van de Conventie van Bonn Data Toelichting Relevant Bespreking relevantie Paragraaf in dit document Conventie werd door Belgi ondertekend op 1 oktober 1990 en op 3 mei 2002 (BS 24 juli) door Vlaanderen bekrachtigd; trad in werking op 2 juni 2003 Deze conventie handelt over de bescherming van migrerende wilde diersoorten, dus bescherming over de grenzen heen. Bepaalt dat het opzettelijk vangen, houden of doden van vleermuizen verboden is. Tevens dienen sites te worden aangeduid en beschermd die belangrijk zijn voor instandhouding van deze dieren (zoals ook voorzien in de Europese habitatrichtlijn 92/43/EEG(21 mei 1992). Neen In natuurgebieden in de Antwerpse haven zijn vleermuizen aanwezig. Evenwel niet op de site of in de nabije omgeving van Indaver. - Energie Decreet houdende algemene bepalingen betreffende het energiebeleid (Energiedecreet) 8 mei 2009 Het decreet regelt onder meer de organisatie van de elektriciteits- en aardgasmarkt in het Vlaamse gewest, milieuvriendelijke energieproductie en rationeel energiegebruik, erkenningen en energieprestaties van gebouwen. Besluit algemene bepalingen energiebeleid 19 november 2010 Vormt het uitvoeringsbesluit het Energiedecreet. Het bevat een Titel VI `Milieuvriendelijke energieproductie en rationeel energiegebruik' waarin o.a. energieplanning voor energieintensieve inrichtingen wordt geregeld. Benchmarking Convenant over energie-efficintie in de Vlaamse industrie Goedgekeurd door de Vlaamse Regering op 29/11/2002 Door toe te treden tot het convenant gaan de bedrijven de verplichting aan om de energie-efficintie van hun procesinstallaties op wereldtopniveau te brengen en/of te behouden tegen 2012, er mee rekening houdend dat het wereldtopniveau ook zal verbeteren in de tussenliggende periode. (meer info: www.benchmarking.be) Ja Indaver wordt als energie-intensief bedrijf beschouwd (> 0,5 PJ aan primair energiegebruik per jaar) (inclusief energie-inhoud van de - aangevoerde afvalstoffen). Ja Indaver wordt als energie-intensief bedrijf beschouwd (> 0,5 PJ aan primair energiegebruik per jaar) (inclusief energie-inhoud van de - aangevoerde afvalstoffen). Neen Indaver heeft geen convenant ondertekend - Mens Legionellabesluit (Besluit van de Vl.R. betreffende het voorkomen van de veteranenziekte of 9 februari 2007 Regelt de bescherming van het publiek tegen de verspreiding van de Legionella-bacterie, die de veteranenziekte (Legionellose) veroorzaakt. Neen Indaver heeft geen installaties waarop deze regel van toepassing is. Datum: april 2018 41 van 92 PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN Data Legionellose op voor het publiek toegankelijke plaatsen) Ministerieel besluit houdende de indeling van inrichtingen in risicoklassen naargelang de kans op Legionellose. Toelichting Relevant Bespreking relevantie Paragraaf in dit document Datum: april 2018 42 van 92 PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN 3 PROJECTBESCHRIJVING 3.1 Afbakening van het project Het project omvat het hernieuwen van de projectvergunning voor de site gelegen aan Poldervlietweg 5, Haven 550, 2030 Antwerpen. Indaver baat op deze site o.a. installaties voor verbranding van industrile en gevaarlijke afvalstoffen en een stortplaats uit. De basisvergunning voor de stortplaats en de afvalverwerkingsinstallaties op deze site vervalt op 1 januari 2020. Voorliggend project beoogt de hernieuwing van de vergunning van Indaver nv. De site van Indaver omvat volgende kadastrale percelen: 16-B-138D/deel; 16-B-138K/deel; 16-B-138L; 18-D-28C; 18-D-80B; en heeft gezamenlijk een oppervlakte van ongeveer 31 ha. De site is gelegen op de rechteroever van de Schelde in het Antwerpse havengebied. Het onderwerp van dit MER beperkt zich tot de evaluatie van de impact van het bedrijf op zijn omgeving, met het oog op het hernieuwen van de vergunning. Eventuele kleine wijzigingen aan de installaties, en wijzigingen die niet MER-plichtig zijn, worden mee gevalueerd voor zover ze relevant zijn voor de milieueffecten. Er worden voor de opmaak van dit MER geen relevante ontwikkelingsscenario's gedentificeerd, die bij het evalueren van de milieueffecten van belang kunnen zijn. 3.2 Beschrijving van de activiteiten 3.2.1 Algemeen Indaver nv baat op haar site te Antwerpen een gentegreerd afvalverwerkingsbedrijf uit, waarvan de verschillende onderdelen worden weergegeven in Figuur 3.1. Datum: april 2018 43 van 92 PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN Figuur 3.1 Overzicht van de beschikbare installaties bij Indaver nv te Antwerpen. De voornaamste vergunde activiteiten zijn: IndaChem Storage: een categorie 1-stortplaats voor het storten van gevaarlijke afvalstoffen. 3 draaitrommelovens (DTO1, DTO2 en DTO3): 3 afvalverbrandingsinstallaties voor o DTO1 en DTO2: vaste, vloeibare, pasteuze bedrijfs- en bijzondere afvalstoffen, elk met capaciteit van ca. 7 ton afvalstoffen per uur. o DTO3 (MediPower): Risicohoudend Medisch Afval + verpakt afval + solventen + laag calorische vloeistoffen, voor een capaciteit van ca. 3 ton afvalstoffen per uur. IndaChem Liquids (oude benaming: Fysicochemie 1): installatie voor de verwerking door oxidatie, reductie, immobilisatie, neutralisatie en slibontwatering van nagenoeg uitsluitend anorganische en onbrandbare afvalstoffen en de verwerking van afvalolie-emulsies. De vergunde capaciteit bedraagt 25.000 ton afvalstoffen per jaar. IndaChem Solids (oude benaming: Fysicochemie 2): installatie voor het fysicochemisch behandelen van anorganische afvalstoffen via solidificatie, neutralisatie, metaal-immobilisatie, anionimmobilisatie en het steekvast maken. De vergunde capaciteit bedraagt 60.000 ton afvalstoffen per jaar. IndaChem Recovery (oude benaming: Solventenrecyclage): installatie voor de recuperatie van solventen en toegerust met een distillatie-eenheid. De vergunde capaciteit bedraagt 9.000 ton afvalstoffen per jaar. Datum: april 2018 44 van 92 PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN 3.2.2 Ontvangst en controle van aangevoerde afvalstoffen Alle afvalstoffen die op het bedrijfsterrein toekomen, worden aan een controleprocedure onderworpen. Het betreft zowel de afvalstoffen die in de verwerkingsinstallaties verbrand, behandeld of gezuiverd worden, als de afvalstoffen die meteen op de deponie gestort worden. Aanvoer van afvalstoffen gebeurt steeds nadat een contract is afgesloten met de producent/leverancier van de afvalstoffen. Hierbij zijn een aantal criteria vastgelegd, waaraan de betreffende afvalstof beantwoordt. Door de voorkennis van de eigenschappen van de afvalstof, bepaalt Indaver vooraf welke verwerkingstechniek toegepast moet worden en/of onder welke omstandigheden gestort kan worden. Voor de ontvangst zijn een portiersloge, een controlelaboratorium, drie weegbruggen en een vrachtwagenparking aan de ingang van het terrein voorzien. De specificaties waaraan de afvalstoffen moeten voldoen hangen af van de wijze waarop ze verwerkt worden. Deze specificaties zijn erop gericht dat de verwerking van de afvalstoffen tot het gewenste resultaat leidt (vernietiging, verbranding, recuperatie, reactie, immobilisatie, ...) en dat de werking van de verwerkingsinstallaties niet verstoord wordt. 3.2.3 Draaitrommelovens (DTO1, DTO2 en DTO3) Indaver probeert zoveel mogelijk materialen uit afval te recupereren voor recycling en hergebruik. Sommige afvalstoffen, waaronder kritisch en gevoelig afval uit de chemische en farmaceutische industrie, moeten echter thermisch verwerkt worden, om te vermijden dat gevaarlijke stoffen hun weg vinden naar de materialen- of voedselketen. Indaver beschikt hiervoor over draaitrommelovens, die gevaarlijke of schadelijke componenten kunnen neutraliseren en niet terug te winnen en niet te vernietigen bestanddelen kunnen uitfilteren om ze veilig te kunnen opslaan. In drie draaitrommelovens in Antwerpen wordt industrieel en gevaarlijk afval dat niet voor recycling in aanmerking komt, thermisch verwerkt. En daarvan is DTO3 (MediPower), dat medisch afval duurzaam en veilig verwerkt. In de ovens wordt warmte gerecupereerd, waarbij stoom wordt geproduceerd. In Figuur 3.2 wordt de werking van DTO1 en DTO2 schematisch voorgesteld. In Figuur 3.3 wordt de werking van DTO3 voorgesteld. Datum: april 2018 45 van 92 PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN Figuur 3.2 Schema DTO1 en DTO2 Figuur 3.3 Schema DTO3 (MediPower) Datum: april 2018 46 van 92 PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN Aanlevering DTO1 en DTO2 De meeste afvalstoffen worden in bulk aangeleverd en in de bunkers gestort, van waaruit het afval met grijpers in de vulschacht wordt gebracht en zo in de draaitrommel terecht komt. Vaten worden afzonderlijk opgeslagen en afhankelijk van de inhoud geledigd, geshredderd of direct in de oven gebracht. Vloeibare afvalstoffen worden via het tankenpark aangeleverd, waar ze via bovengrondse leidingen naar de oven worden verpompt. Viskeuze afvalstoffen, die niet te verpompen zijn, worden overgebracht naar een pastatank; vloeibare stoffen die zo weinig mogelijk mogen gemanipuleerd worden, kunnen via directe injectie vanuit een tankwagen naar de oven worden gevoerd. DTO3 (Medipower) DTO3 is een kleinere DTO, waar vooral medisch afval verbrand wordt. Daar dit aangeleverd wordt in vaten beschikt DTO3 enkel over een vatenopslag voor vaste afvalstoffen (medisch afval of andere vaste of vloeibare afvalstoffen) en niet over een bunker. Daarnaast worden ook vloeibare afvalstoffen verbrand die vanuit opslagtanks of door directe injectie vanuit tankwagens worden aangevoerd. Verder zijn de installatieonderdelen (zie verder) gelijkaardig voor de 3 DTO's. Verbranding en gaszuivering In de draaitrommelovens worden de afvalstoffen verbrand. Bij de verbranding van vaste afvalstoffen blijven slakken of bodemassen als restproduct over. De bodemassen gaan naar de slakkenopwerking waar ze ontijzerd worden met een hoogwaardige metaalfractie voor recycling als resultaat. De rookgassen van de draaitrommel gaan naar de naverbrandingskamer, waar ze volledig uitbranden. Vervolgens doorlopen ze een gaszuivering, waarin diverse polluenten worden verwijderd. Hieronder geven we een overzicht van de voornaamste installatieonderdelen en voor de voornaamste onderdelen een toelichting bij hun werking: deelinstallaties voor voeding van de oven met de diverse te verbranden afvalstoffen; draaitrommeloven; naverbrandingskamer; stoomketel met selectieve niet-katalytische reductie (SNCR): warmterecuperatie en NOx-reductie; elektrofilter: verwijderen van vliegassen (stof); wasinstallatie: verwijderen van zure en basische polluenten (HCl, SO2, ...), bepaalde metalen, alsook stof; bruinkoolfilter: verwijderen van dioxines en (zware) metalen; schoorsteen. Draaitrommeloven Onderstaande figuur geeft een blokschema van de activiteiten van de Draaitrommelovens. Datum: april 2018 47 van 92 PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN Figuur 3.4: Blokschema DTO's De draaitrommelovens verbranden de afvalstoffen bij 950 tot 1.200 C (er werd een temperatuursderogatie bekomen, waardoor de minimale temperatuur op 950 C i.p.v. op 1100 C ligt). Datum: april 2018 48 van 92 PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN Deze temperaturen worden bereikt dankzij de verhouding van de vaste afvalstoffen in de trommeloven en de branders van de vloeibare brandstoffen. Als steunbrandstof kan naast vloeibare afvalstoffen (afvalolie, ...) ook lichte stookolie ingezet worden. Elke draaitrommeloven is uitgevoerd als een langzaam draaiende trommel die lichtjes afhellend is opgesteld. Door het draaien worden de te verbranden afvalstoffen gemengd en omgewoeld wat de volledigheid van de verbranding bevordert. Door de hellende opstelling verplaatst de vaste oveninhoud zich onder invloed van de zwaartekracht naar de uitgang van de oven. Naverbrandingskamer De verbrandingsproducten uit de draaitrommel komen in de naverbrandingskamer terecht. Het betreft typisch 15 22% bodemassen (slakken) en 78 85% rookgassen (3 5% ketel- en vliegassen en de rest gasvormig). Aan de ingang van de naverbrandingskamer is een ontslakkingsinrichting aangesloten, welke de slakken/bodemassen van de draaitrommeloven verwerkt. De minimale verblijftijd van de rookgassen in de naverbrandingskamer bedraagt 2 seconden bij 850 1.100 C (minimum 950 C bij medisch afval in DTO3, hiervoor werd een temperatuursderogatie bekomen waardoor de minimale temperatuur voor medisch afval op 950 C i.p.v. op 1100 C ligt) en 6% zuurstofovermaat, na toevoeging van de laatste verbrandingslucht. Hierdoor wordt een maximale vernietiging van alle brandbare stoffen gegarandeerd. Om de verbrandingstemperatuur te garanderen kunnen in de naverbrandingskamer vloeibare afvalstoffen genjecteerd worden. DTO2 is bijkomend voorzien van een inrichting om brandbare gassen onder druk (CFK's, halonen, ...) te verdampen of te ontspannen naar de naverbrandingskamer. Stoomketel Na de naverbrandingskamer is de stoomketel gebouwd. Een deel van de vliegassen wordt hier onder invloed van de zwaartekracht en van centrifugaalkrachten bij doorstroming van de ketelgangen afgescheiden en verwijderd. In de stoomketel wordt de warmte van de rookgassen gebruikt om water om te zetten tot stoom. Een bijkomende behandelingstrap van de rookgassen van de draaitrommelovens gebeurt door middel van de injectie van een ureumoplossing ter hoogte van de stoomketel, waardoor een reductie van stikstofoxides tot stikstofgas (N2) wordt gerealiseerd (= SNCR-methode, een selectieve niet-katalytische reductie). De reductie verloop als volgt (sterk vereenvoudigd): 4 NO + 4 NH3 + O2 --> 4 N2 + 6 H2O De DeNOx-installatie (in werking sinds eind 2005) is noodzakelijk om te kunnen voldoen aan de Vlarem II emissienorm voor NOx in de rookgassen van de draaitrommelovens. Rookgaszuivering Na de stoomketel komt de droge elektrofilter, voor de afscheiding van de vliegassen met een rendement van ca. 99,5%. De opgevangen vliegassen worden opgeslagen in afzonderlijke silo's. Na de elektrofilter worden de rookgassen eerst afgekoeld door rechtstreekse injectie van waswater in de eerste sectie van een wastoren (zure wasser) waardoor reeds HCl geabsorbeerd wordt. Daarna worden de gassen gewassen in de tweede sectie van de wastoren met het waswater van de eerste sectie, waarvan de pH geregeld wordt met kalkmelk (Ca(OH)2). Vervolgens worden de rookgassen in een tweede wastoren (basische wasser) behandeld voor een optimale SO2-verwijdering (pH-regeling met NaOH). In de wastorens wordt nog een deel van de resterende vliegassen verwijderd, alsook metaalzouten en kwik. Na de wassectie worden de rookgassen over een bruinkoolfilter geleid, om dioxines en furanen en de laatste sporen kwik en zware metalen te verwijderen. Datum: april 2018 49 van 92 PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN Vervolgens worden de rookgassen naar de schoorsteen geleid en geloosd. De rookgassen van de ovens hebben, vanwege de natte wassing, een relatieve vochtigheid van meer dan 100%, waardoor bij de meeste weersomstandigheden een duidelijke rookpluim zichtbaar is. Reststromen Bij deze verbranding ontstaan naast de rookgassen een aantal secundaire stromen die verder binnen Indaver verwerkt worden: Stoom die gebruikt wordt voor opwekking van elektrische energie, voor verwarming der gebouwen, als energiedrager voor distillatie en voor diverse andere toepassingen in de fabriek, o.m. spoelen van tankwagens. Indaver is aldus m.b.t. de energievoorziening grotendeels onafhankelijk van externen. Uitgebrande slakken worden na schrootverwijdering afgevoerd naar de deponie. Ze kunnen er gebruikt worden voor opbouw van randdijken, waarbij ze ander stabilisatiemateriaal vervangen. Ketelassen uit de stoomketel en vliegassen uit de elektrofilter die, na de nodige behandeling in de fysicochemie-eenheden (Indachem Solids), naar de deponie worden afgevoerd. Waswater van de gaswassing dat in de neutralisatie-eenheden van de draaitrommelovens gezuiverd wordt en vervolgens wordt geloosd. De verzadigde bruinkool wordt terug naar de oven afgevoerd. Aldaar wordt het verbrand bij de aanwezig hoge temperaturen in de trommel. Het gehalte verontreiniging (vnl. dioxines en kwik) in de bruinkool is vergelijkbaar met en zelfs lager dan andere types afvalstoffen die in de DTO's verwerkt worden. De dioxines aanwezig op de bruinkool zullen in de vuurhaard ontbonden worden. Het kwik verdampt in de vuurhaard, en zal daarna deels in de natte wassing worden verwijderd. Het kwik komt zo in de filterkoek van de neutralisatie/waterzuivering terecht. Deze filterkoeken worden na voorbehandeling gestort op de deponie. De fractie kwik die niet in de wassing verwijderd wordt, zal via de bruinkool opnieuw gecapteerd worden. De verwijderingsefficintie van kwik is hoger dan 99%. Voornaamste milieuaspecten van de DTO's Draaitrommelovens Lucht 3 schoorstenen belangrijkste polluenten: NOx, CO, SO2, HF, HCl, dioxines, TOC, fijn stof, zware metalen Water waswater van de rookgaszuivering Bodem en Grondwater risico op bodemverontreiniging enkel bij incidenten tijdens verlading Geluid en trillingen diverse geluidsbronnen 3.2.4 IndaChem IndaChem Liquids: verwerking van vloeibaar anorganisch afval Een deel van de capaciteit van IndaChem Liquids wordt ingenomen door afvalstoffen van interne oorsprong. Het betreft vooral percolaat van de stortplaats (IndaChem Storage), spuislib van de afvalwaterzuiveringsinstallaties (zowel van de algemene waterzuivering als van de specifieke zuivering (neutralisatie) van het afvalwater van de DTO's) op het terrein en spoelwaters ontstaan bij reiniging van installatieonderdelen zoals de stoomketels en de elektrofilters van de verbrandingsovens. Datum: april 2018 50 van 92 PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN Daarnaast biedt Indaver met de IndaChem Liquids-installatie een brede waaier aan gespecialiseerde verwerkingsmogelijkheden voor een aantal vloeibare anorganische afvalstromen, zoals: Neutralisatie: Er worden bij Indaver verschillende zuren en basen aangeleverd. Dikwijls zijn zij belast met zware metalen en/of beperkte concentraties organische componenten. Een gecombineerde behandeling is dan noodzakelijk; Immobilisatie: Immobilisatie is een techniek om zware metalen, anionen of zouten af te scheiden van afvalwater (vb. water uit scrubbers, vloeibare katalysatoren, diverse spoelwaters, enz.); Oxidatie: Indaver staat in voor de oxidatie van cyanidehoudend afval en van nitriet in beperkte concentraties; Reductie: Indaver kan instaan voor reductie van zeswaardig naar driewaardig chroom. Adsorptie: Door toevoeging van actief kool kunnen organische componenten uit een afvalstof verwijderd worden. De installatie bestaat uit: opslagvoorzieningen: opslagplaats voor vaten; gietputten voor lossen van bulkafvalstoffen; opslagtanks (zuren, basen, emulsies, chromaten) die gevuld worden vanuit de gietputten; opslag van grondstoffen (NaOH, NaOCl, FeClSO4, Na2S2O3, CaO, Na2S); 3 batchreactoren in een gebouw; 4 polishertanks; 2 filterpersen. Naar de geplande situatie toe wenst men n batchreactor te vervangen door drie kleine doorstroomreactoren. De verwerking bestaat erin de afvalstoffen te mengen met een gepaste dosering van chemicalin. De werkwijze en de dosering moet geval per geval bepaald worden op basis van de eigenschappen en samenstelling van de afvalstoffen. In Figuur 3.5 wordt een mogelijke werkwijze schematisch voorgesteld. Datum: april 2018 51 van 92 PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN Figuur 3.5: Schema IndaChem Liquids Tijdens de meeste processen ontstaat warmte en damp. Alle reactoren, opslagtanks en gietputten worden afgezogen. De afgezogen lucht wordt over een basische scrubber gestuurd. Bij de fysicochemische verwerking ontstaan slib en afvalwater. Het slib wordt ontwaterd in de filterpersen en de filterkoeken worden daarna afgevoerd naar de deponie. Het afvalwater gaat voor verdere behandeling naar de waterzuiveringsinstallatie. IndaChem Solids: solidificatie van vast anorganisch afval In de solidificatie-eenheid worden vaste anorganische afvalstoffen zoals vliegassen, slakken, filterkoeken, katalysatorafval, slib, verontreinigde gronden, residu's van rookgasreinigingen en sommige types zoutafval geneutraliseerd. Zware metalen en anionen ondergaan een immobilisatie. Door toevoeging en menging met reagentia, bindmiddelen en vulstoffen zet Indaver niet-steekvaste afvalstoffen om in een eindproduct met een monolithische structuur. In vaste afvalstoffen worden zware metalen en/of anionen gemmobiliseerd, `chemisch verankerd' in een stabiel zandachtig eindproduct, zodat die componenten nog amper kunnen vrijkomen in de omgeving. Het gemmobiliseerde eindproduct wordt overgebracht naar de deponie. De installatie bestaat uit: opslagvoorzieningen: opslagruimte voor vaten; opslagsilo's voor cement, kalk en vliegas; opslagbekkens en mengbekkens voor afvalstoffen en grondstoffen (slakkenzand van DTO's, extern afval, cement); een mengbekken; n hydraulische kraan voor manipulatie van de vaste stoffen; 2 containers met opvangsysteem voor eindproduct; restwateropvangput; slibtrechter, weegtrechter; vaste-stofmenger. Datum: april 2018 52 van 92 PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN Deze zijn schematisch voorgesteld in Figuur 3.6. Figuur 3.6: Schema IndaChem Solids - Solidificatie De processen bestaan steeds uit een menging van de afvalstof met kalk, cement, vliegas en/of slakken. De doseer- en weegsystemen (trechters) maken een juiste mengverhouding mogelijk. De vaste-stofmenger zorgt voor een zo homogeen mogelijke vermenging zodat de gewenste reacties kunnen optreden. Daartoe kan ook ter bevochtiging een hoeveelheid water toegevoegd worden. Het eindproduct wordt afgevoerd naar de deponie met containerwagens. Bij geen enkele van deze verwerkingsprocessen komt afvalwater vrij. De kuiswaters van het dagelijks reinigingen en het vervuilde regenwater uit de installatie worden in een opvangput afzonderlijk opgeslagen en gebruikt in de installatie zelf. Dit gebeurt in de solidificatiereactie (uitharding van een cementmengsel), waar water als proceswater gebruikt wordt. Daar met vaste stoffen gewerkt wordt zijn er geen noemenswaardige gasvormige emissies. Wel is er sprake van een zekere diffuse stofemissie bij de manipulatie van vaste stoffen in open lucht (grijperkraan, transport met vrachtwagens, ...). Datum: april 2018 53 van 92 PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN Voornaamste milieuaspecten van IndaChem Liquids en IndaChem Solids IndaChem Liquids en IndaChem Solids Lucht restgassen van basische scrubber (IndaChem Liquids) en diffuse stofemissies (vnl. IndaChem Solids) belangrijkste polluenten: anorganische polluenten (IndaChem Liquids, zeer beperkt) en stof (IndaChem Solids) Water waswater van basische scrubber + filtraat (enkel IndaChem Liquids) Bodem en Grondwater risico op bodemverontreiniging enkel bij incidenten tijdens verlading Geluid en trillingen diverse geluidsbronnen 3.2.5 IndaChem Recovery In deze installatie werden tot enkele jaren geleden (toen onder de benaming "Solventenrecyclage" of SR) verontreinigde solventen (type thinners), gereinigd tot herbruikbare solventen. De bodemfractie bevatte de verontreinigingen die werden afgevoerd naar de DTO's. De verwerkingscapaciteit bedroeg 1.700 kg per uur en ca 4.000 ton per jaar. De installatie is vergund voor 9.000 ton per jaar. De SR is in februari 2016 stilgelegd naar aanleiding van het incident op de site Antwerpen. Door het incident raakten zowel de laad- & losplaats als de diepkoeler beschadigd. Hierdoor, en door verslechterde marktcondities op de solvent recyclage markt, werd besloten om de SR tijdelijk niet meer op te starten. Het recent gestarte SR revamp project bouwt de SR om naar een flexibele, breed-inzetbare installatie. De installatie kan zowel het destillaat als het residu valoriseren. Dit laat toe om het oude productgamma, de solvent recyclage stromen, uit te breiden met andere stromen. Onder andere de valorisatie van metalen uit complexe mengsels is nu mogelijk. De producten zijn mengels bestaande uit oa laag- en hoogkokende solventen, Active Pharmaceutical Ingredients (API's), reactie-intermediates, katalysatoren,... De installatie bestaat uit: een distillatie-eenheid onder vacumcondities met dunne-filmverdamper, druppelafscheider, condensor en koeler; een opslag- en mengtank (30 m), met de nodige beschermingsvoorzieningen naar veiligheid en milieu, zoals inkuiping, stikstofinertisatie en blusvoorzieningen. Indaver plant op korte termijn de installatie terug bruikbaar te maken. Daar andere types solventen zullen worden gerecycleerd, zullen daarbij beperkte aanpassingen binnen de bestaande installatie gebeuren. Enkele relevante aspecten van de aangepaste werking (heropstart voorzien in 2019): nieuwe los- en laadplaats; aangepast proces gericht op recuperatie van de bodemfractie; operaties niet langer onder vacum en zonder diepkoeler; afgassen van proces- en mengtank zullen op de pendelgasleiding worden aangesloten (wegvallen van emissiepunten). Datum: april 2018 54 van 92 PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN In het MER zal een meer uitgebreide beschrijving van de aangepaste IndaChem Recovery worden opgenomen. De voornaamste milieuaspecten zijn: IndaChem Recovery Lucht damppluim koeltoren (niet verontreinigd) Water afvalwatervrij Bodem en Grondwater risico op bodemverontreiniging enkel bij incidenten tijdens verlading Geluid en trillingen diverse geluidsbronnen 3.2.6 IndaChem Storage: Categorie 1 deponie Afvalstoffen Verbrandingsassen, residu's van de fysicochemische installaties en andere steekvaste en niet-giftige afvalstoffen worden gestort op de deponie. Indaver legde de deponie aan op eigen terreinen, in overeenstemming met de best beschikbare technologie. Volgende stoffen zijn toegelaten op de deponie van Indaver nv: Reststoffen van verbranding en/of behandeling van afvalstoffen; Gevaarlijke afvalstoffen na de nodige voorbehandeling; Asbesthoudende afvalstoffen; Gevaarlijke bedrijfsafvalstoffen; Bijzondere afvalstoffen die omwille van hun aard of samenstelling vergelijkbaar zijn met gevaarlijke bedrijfsafvalstoffen; Gevaarlijk puin en gevaarlijke afbraakmaterialen, inclusief asbestcement; NORM materiaal (Naturally Occuring Radioactive Material). De aangevoerde afvalstoffen moeten steekvast zijn, zodat de stortplaats betreedbaar is en de stabiliteit verzekerd is. De afvalstof moet hoofdzakelijk anorganisch zijn en de samenstelling moet voldoen aan de stortcriteria overeenkomstig VLAREM en vergunning. In het MER zullen de stortcriteria opgenomen en toegelicht worden. Situering IndaChem Storage t.o.v. andere aangrenzende deponien In het studiegebied zijn naast de deponien van Indaver nog volgende deponien aanwezig: deponie Hooge Maey: volgestort; deponie AMORAS: berging van filterkoeken van baggerspecie, voornamelijk uit de Antwerpse havendokken. In Figuur 3.7 is de ligging van de huidige deponien aangegeven. Datum: april 2018 55 van 92 PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN Figuur 3.7: Situering deponien Legende: Groen: Indaver (IND): volstort Okergeel: Indaver (DPA-vallei): bij hervergunning zal ook deze volstort zijn Blauw: Hooge Maey (IHM): volstort Rood: AMORAS (AMO): in opbouw (Bron: Pollux) Huidige deponie van Indaver De deponie van Indaver (IndaChem Storage) werd op verschillende tijdstippen vergund en in gebruik genomen, waardoor intern verschillende benamingen worden gehanteerd voor de verschillende delen van de deponie. Voor de volledigheid wordt hier een overzicht gegeven van de gehanteerde terminologie (Figuur 3.8): Fase 1: Deponie 1: Meest zuidelijk gelegen gedeelte van de deponie met een oppervlakte van 5,7 ha. In gebruik sinds 1987. Vergunningstermijn is verlopen en de deponie is volgestort sinds juli 2009. Werken in kader van de eindafdek werden beindigd in augustus 2010. Fase 2: Deponie 2: Meest noordelijke gedeelte van de deponie met een oppervlakte van 3,06 ha (grondoppervlak + spie tussen deponie 1 en 2). In gebruik sinds 1994. Er wordt ingeschat dat deze deponie volgestort en afgedekt zal zijn bij het verkrijgen van de hervergunning. Deze fase is vergund tot 2020. Fase 3: Deponie 3: Noordoostelijke gedeelte, omsloten door deponie 1, 2 en Hooge Maey, met een oppervlakte van 2 ha. In gebruik sinds 2006. Er wordt ingeschat dat deze deponie volgestort en afgedekt zal zijn bij het verkrijgen van de hervergunning. Ook deze fase is vergund tot 2020. Kleine deponie 4: "kleine vallei" of DPA-vallei Gelegen tussen deponie 1 en de Hooge Maey. Deze uitbreiding zorgde voor een extra stortcapaciteit van 500.000 m zonder extra grondoppervlakte in te nemen. In gebruik sinds 2012. Er wordt ingeschat dat deze deponie volgestort en afgedekt zal zijn bij het verkrijgen van de hervergunning. Vergund tot 2020. Datum: april 2018 56 van 92 PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN Fase 1 is reeds volgestort en afgedekt, en is niet meer vergund voor stortactiviteiten. Fase 2, 3 en 4 zijn nog vergund, maar zullen op moment van hervergunning tevens volgestort en afgedekt zijn. Na hervergunning zullen deze deponien enkel nog in nazorg zijn (geen exploitatie meer), waardoor ze niet meer in de vergunningsaanvraag opgenomen zullen worden. Kleine vallei Figuur 3.8 Situering van de verschillende fasen van de deponien van Indaver (Bron: Indaver). Toekomstige uitbreiding: 3-valleien-project Analoog aan de invulling van de `kleine vallei', bieden zich drie nieuwe valleien aan door de opbouw van de deponie van AMORAS. Ook hier ontstaat dezelfde opportuniteit om zonder bijkomende terreininname een nieuwe stortplaats in te richten met een bruto capaciteit van ca. 5.000.000 m. De situering hiervan is aangegeven in Figuur 3.9. Datum: april 2018 57 van 92 PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN Figuur 3.9: Situering 3-valleien-project Legende: Groen: Indaver (IND): volstort Okergeel: Indaver (DPA-vallei): bij hervergunning zal ook deze volstort zijn Lichtgroen: 3-valleien-project Indaver: nieuw Blauw: Hooge Maey (IHM): volstort Rood: AMORAS (AMO): in opbouw Paars: 3-valleien-project AMORAS : nieuw (Bron: Pollux) Het volstorten van een dergelijke valleicapaciteit wordt aanzien als een duurzame keuze van stortlocatie, aangezien met dit concept substantile stortcapaciteit wordt bekomen zonder in beslagname van nieuwe ruimte en dus met een uiterst beperkte footprint (ter hoogte van het maaiveld). De valleicapaciteit die gecreerd wordt door de opbouw van de deponie van AMORAS geniet interesse van zowel Indaver als AMORAS: Er werd voor dit project in 2016 een MER opgemaakt (PRMER-2231: Opvulling van de valleien tussen de deponien van Indaver, AMORAS en Hooge Maey voor uitbreiding van de deponie van Indaver NV en AMORAS te Antwerpen - het "3-valleien"-project; Bova Enviro+; juli 2016). De vergunning voor dit project werd bekomen op 23 maart 2017. Indaver kan hierdoor haar activiteiten verderzetten op een nieuwe deponie (DPA 3V), zoals aangegeven in Figuur 3.9. Momenteel vinden er inrichtingswerken plaats voor deze deponie. Er wordt verwacht dat men in het najaar van 2018 zal kunnen starten met de exploitatie van deze deponie. Uitbating IndaChem Storage Huidige situatie: In de huidige situatie gebeurt de afvalstoffenaanvoer op de deponie (`kleine vallei') tussen 8h00 en 17h00. Buiten deze uren worden er in principe geen externe afvalstoffen voor de stortplaats geaccepteerd. Een externe afvalstof dient tijdens deze periode aangemeld te worden bij de portier. Voor aanlevering buiten deze uren dient de klant dit specifiek aan te vragen bij de Planningsdienst. De aard, de hoeveelheden en de juiste ligging van de aangeleverde afvalstoffen worden bijgehouden in het register `deponie Antwerpen'. De opbouw van de deponie gebeurt volgens een concreet opbouwplan. De evolutie van de deponie wordt regelmatig gecontroleerd door topografische opmetingen. De actieve zone en de lengte van het stortfront Datum: april 2018 58 van 92 PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN worden zo klein mogelijk gehouden. Het storten gebeurt enkel overdag. Om het afval na het lossen van vrachtwagens op de juiste plaats te brengen, zijn grondverzetmachines aanwezig. Hemelwater laat men zo veel mogelijk oppervlakkig aflopen naar de opvang van run-off water, zodat er zo weinig mogelijk percolatie optreedt. In de deponie zijn onderaan geperforeerde buizen voorzien die percolaat opvangen. Dit water wordt afgepompt en hergebruikt als proceswater op Indachem solids en komt zo in een gesloten kringloop terug op deponie. Indien er tijdens een bepaalde exploitatiefase een teveel aan percolaat is zal dit geloosd worden binnen de geldende lozingsnormen of verwerkt worden intern of extern. afgevoerd. Dagelijks wordt na de stortactiviteiten een afdeklaag aangebracht op de horizontale vlakken. Partijen geurgevoelige afvalstoffen worden dadelijk na het storten afgedekt. Als afdekmateriaal worden ontijzerde bodemassen gebruikt. De bodemassen kunnen vervangen worden door afvalstoffen mits deze garanderen dat stofvorming, verspreiding van zwerfvuil, en geurhinder voorkomen worden. Eventueel opwaaien van afvalmateriaal en geurhinder worden daarnaast nog beperkt door een besproeiingsprogramma bij droog en/of warm weer. Een afzonderlijke voorziening bij de deponie is de wielwasinstallatie. Dit is een ruimte die iets breder en langer is dan een vrachtwagen. Ze is gesitueerd op het terrein van Indaver na de uitgang van de deponie op de weg naar de bedrijfsuitgang en moet door alle vrachtwagens die de deponie verlaten gebruikt worden. De zijkanten van de installatie bestaan uit twee muurtjes waarin sproeikoppen aangebracht zijn. De sproeikoppen treden automatisch in werking als een vrachtwagen de installatie binnen rijdt. De installatie zorgt ervoor dat alle vrachtwagens die de deponie oprijden en vervolgens het terrein verlaten ontdaan zijn van de grootste hoeveelheden stof, afval en aarde, die eventueel aan de wielen en de onderste delen van de vrachtwagen meegevoerd worden. Het restwater van de wielwasinstallatie wordt naar de afvalwaterzuivering geleid. Toekomstige situatie: In de toekomst, wanneer de huidige deponien volgestort zullen zijn, en de uitbreiding met de DVA 3V-vallei is verwezenlijkt, zal de exploitatie gelijkaardig zijn. Aanvoer van afvalstoffen zal langs het terrein van Indaver blijven gebeuren, waardoor de huidige activiteiten van de portier, afvalstoffencontrole, wielwasinstallatie, ... onveranderd zullen blijven. Voornaamste milieuaspecten van IndaChem Storage IndaChem Storage Lucht Diffuse emissies (stof, geur) Water Opvangen van run-off water en afpompen van percolaat Bodem en Grondwater Opvolging van de afdichting onderaan de Deponie (eventueel ontstaan van lekken) om het risico op bodemverontreiniging uit te sluiten Invloed op grondwaterstroming onder en rond de Deponie Geluid en trillingen Mobiele geluidsbronnen bij de stortactiviteiten op de Deponie (vrachtwagens, grondverzetmachines) Datum: april 2018 59 van 92 PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN 3.2.7 Watergebruik - Waterzuivering Watergebruik Indaver maakt voor haar waterbehoefte gebruik van grondwater, hemelwater en leidingwater. Hieronder geven we de respectievelijke jaardebieten uit de meest recente waterbalans (debieten 2017): Hemelwater: 80 616 m/jaar; Grondwater: 390 749 m/jaar; Leidingwater: 295 206 m/jaar. Indaver gebruikt daarnaast ook bepaalde interne restwaterstromen om gebruik van vers water te beperken: Gebruik van "vuilwater" (vooral neerslagwater) van de laad- en loszone (964 m) van IndaChem Solids in IndaChem Solids (771 m in 2017); Gebruik van percolaat van de deponien in IndaChem Solids (5.039 m in 2017); Gebruik van filtraat van IndaChem Liquids in IndaChem Solids (5.303 m in 2017); Gebruik van spoelwater van de dioxinefilters in de gaswassing in de DTO's (34.899 m in 2017). In het MER wordt de waterbalans gevalueerd, vooral met het oog op eventuele verdere besparing van grond- en leidingwater. Grondwaterwinning Indaver onttrekt voor haar bevoorrading grondwater vanuit vier winningsputten met een vergunde diepte van 52 m. Momenteel is een vergunningsaanvraag lopende voor een uitbreiding van de bestaande grondwaterwinning van Indaver nv. De bestaande grondwaterwinning is vergund voor het exploiteren van een grondwaterwinning op 52 m diepte voor een maximaal debiet van 3.600 m/dag en 800.000 m/jaar, tot 2019. De geplande jaarlijkse hoeveelheid op te pompen grondwater (na hervergunning) bedraagt maximaal 400.000 m/j. Het aangevraagd te vergunnen debiet bedraagt maximaal 2.500 m/dag en 400.000 m/jaar. Voor deze grondwaterwinning werd recent een hydrogeologische studie uitgevoerd. Deze studie zal gebruikt worden om in het MER de effecten van de grondwaterwinning te duiden. AMORAS-water Indaver heeft de voorbije jaren de mogelijkheid gevalueerd om gebruik te maken van een waterstroom die vrijkomt in de installaties van het buurbedrijf AMORAS. Deze waterstroom wordt momenteel via een leiding die langs de grens van het Indaver-terrein loopt, naar het Kanaaldok geleid en daar geloosd. Het gebruik van deze waterstroom bij Indaver zou het gebruik van leiding- en/of grondwater kunnen beperken. De nodige voorbereidende studies werden hiervoor gedaan. Daaruit bleek dat het AMORASwater bruikbaar is voor bepaalde toepassingen, doch dat bepaalde verontreinigingen die aanwezig zijn in het AMORAS-water dan via het lozingspunt van Indaver zullen worden geloosd. De waterzuivering van Indaver kan deze niet verwijderen. Er werd een vergunning aangevraagd en bekomen om dit water in de toekomst te kunnen gebruiken. Indien Indaver dit project realiseert, is in deze bekomen vergunning voorzien dat de lozingsnormen van enkele polluenten die door het project benvloed worden, verhoogd worden. Momenteel is er geen concrete planning om het project te realiseren. Hiervoor zijn eerst een aantal (contractuele) afspraken tussen AMORAS en Indaver nodig, alsook een aantal technische aanpassingen. Datum: april 2018 60 van 92 PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN In het MER zullen 2 scenario's worden gevalueerd in de toekomstige situatie: Scenario zonder gebruik van AMORAS-water Scenario met gebruik van AMORAS-water Voor beide scenario's zijn realistische aannames (debieten, samenstelling waterstromen, ...) beschikbaar, zoals opgenomen in het vergunningsdossier dat hiervoor werd opgemaakt en ingediend. Ook de verschillende lozingsnormen voor beide scenario's die in de huidige vergunning zijn opgenomen, zullen mee gevalueerd worden. Waterzuivering De afvalwaters van de Draaitrommelovens (vnl. waswaters van de gawassing) ondergaan een specifieke fysicochemische zuivering in de DTO-installaties. Deze zuivering is recent vernieuwd. Alle andere verontreinigde afvalwaters worden in een centrale fysicochemische zuivering behandeld. De aldus gezuiverde waterstromen worden samengevoegd en doorlopen nog een zandfilter alvorens ze geloosd worden. In het MER zal een meer uitgebreide beschrijving van de verschillende afvalwaterstromen en van de waterzuivering worden opgenomen. 3.2.8 Demoplant Plastic-To-Chemicals (P2C) Indaver plant op de site een nieuwe Demoplant P2C te bouwen. Er zal voor P2C een aparte vergunningsaanvraag worden gevraagd. Deze is gepland vr de hervergunningsaanvraag. De activiteit van de P2C plant is niet MER-plichtig. De ingebruikname van de installatie wordt pas na de hervergunning van de gehele site voorzien. Indaver plant de effecten van P2C wel mee in de MER voor de hervergunning op te nemen om, op basis van de bekende ontwerpgegevens, een zo correct mogelijk totaalbeeld van de effecten van de gehele site op iets langere termijn te geven. Een gelijkaardige aanpak is gekozen voor het OVR. In de Demoplant zullen uit plasticafval (samengestelde folies zoals polyethyleen/aluminium, polystyreenisolatie van koelkasten, ...) volgende bruikbare fracties worden bekomen: Nafta (kookpunt < 210 C) en Nafta (kookpunt 210-370 C): recupereerbaar in petrochemie (steamcrackers). Paraffine was (C20-C50): bruikbaar als smeermiddel of voor productie van kaarsen. Styreen: bruikbaar in petrochemie (productie van polystyreen). Men beoogt een productie van 2 ton/uur bruikbare producten (48 ton/dag, 15 000 ton/jaar). Het proces omvat een verwarming van het plastic afval tot 450 500 C zonder aanwezigheid van zuurstof. Bij deze omstandigheden worden de plasticketens gekraakt tot kleinere moleculen. Deze verdampen en worden in fracties gescheiden door distillatie. De fracties worden zo nodig gehydrogeneerd om onzuiverheden te verwijderen en een verzadigde paraffine te bekomen. Paraffinewas wordt uit de zwaarste fractie bekomen door extractie. Datum: april 2018 61 van 92 PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN De installatie omvat volgende onderdelen: Silo's voor stockage van plastic granulaat afval, voorzien van transportsystemen (transportband). Extruder: Hierin wordt het granulaat gesmolten en verwarmd tot 350 C. Krakers: Er worden 2 parallelle kraaklijnen voorzien. De kraking gebeurt in 2 stappen bij temperaturen tot 500 C. Er zijn dus in totaal 4 krakers. Elke kraker heeft een volume van 6 m (4 m vloeistof en 2 m gas) en werkt bij een lichte overdruk (50 mbar). Condensatie: De kraakgassen worden verzameld en vloeibaar gemaakt in een condensatie in 2 stappen (80 C en 20 C). Men bekomt een samengesteld olie-mengsel met moleculen van C6 tot C55. Distillatie: De gecondenseerde `olie' wordt in een vacumdistillatiekolom gescheiden in fracties (C6C30, C30-C40 en C40-C55). Fractionering: De lichtste fractie (C6-C30) wordt in een fractionering bij atmosferische druk verder gescheiden in deelfracties (C6-C12, C12-C20 en C20-C30). Alle vloeistoffen (gecondenseerde olie en de verschillende fracties) worden opgevangen en gestockeerd in een aantal tanks. Hydrogenatie: Daar er, afhankelijk van de verwerkte plastics, onzuiverheden in de bekomen vloeistoffen aanwezig zullen zijn (zwavel, halogenen, zuurstof, stikstof, ...) en daar de olie deels onverzadigde verbindingen bevat zal een hydrogenatie de kwaliteit van de bekomen fracties verbeteren. De te hydrogeneren fracties worden naar een afzonderlijke hydrogenatie-installatie gepompt. Deze bestaat uit 2 reactoren van 4 m elk, waarin de olie intens vermengd wordt met waterstofgas. De reactie vindt plaats in batch, gedurende 1 uur bij 250 C en 60 bar met katalysator. De katalysator kan gerecupereerd worden. De onzuiverheden worden als restgas afgeleid. Extractie: In deze deelinstallatie vindt een extractie van lineaire koolwaterstoffen plaats (afscheiding van vertakte, cyclische en aromatische koolwaterstoffen) uit de zwaarste fracties, om een paraffine was te bekomen met hoge zuiverheid. Hiervoor wordt een mengsel van MEK en tolueen gebruikt als solvent. De extractie omvat het mengen van de behandelde fractie met het solvent, 3 opeenvolgende kristallisatie-filtratie-stappen (-30 C, -5 C en 10 C) en een solventherwinning. De capaciteit van de extractie is beperkt 1 ton/uur. Restgassen van de extruders, niet condenseerbare gassen van de condensatie, restgassen van de hydrogenatie, ... worden als brandstof gebruikt voor de branders van de P2C-installatie. De installatie zal dus een emissiepunt voor de rookgassen van de branders hebben. Verder zal deze installatie stoom en elektriciteit gebruiken. In het MER zullen eventuele relevante milieu-aspecten van deze installatie gevalueerd worden op basis van ontwerp-gegevens. Het betreft emissiepunten van branders, het voorzien energiegebruik (verwarming, koeling, ...) en eventueel geluidsemissies. Het proces genereert geen relevante afvalwaterstroom. Datum: april 2018 62 van 92 PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN 4 ALTERNATIEVEN 4.1 Nulalternatief Het nulalternatief omschrijft de ontwikkeling die volgt wanneer noch het project noch enig alternatief ervoor wordt uitgevoerd. Het nulalternatief kan gebruikt worden als referentiekader om de milieueffecten te beoordelen. Het nulalternatief is bijgevolg de toestand en de evolutie van het studiegebied, indien het project geen doorgang vindt. Het nulalternatief betreft hier het behoud van de exploitatie van Indaver nv tot 01/01/2020. Voor P2C is het nulalternatief geen Demo-plant te bouwen op de site van Indaver. Als indaver dit niet doet is de kans zeer groot dat er spoedig een gelijkaardig initiatief op een andere locatie niet van Indaver komt. Gezien de maatschappelijke relevantie en de snelheid waarmee de economische wereld zich aanpast naar een circulaire economie is er een grote vraag naar het realiseren van dergelijke Demo-plant. 4.2 Locatiealternatieven Aangezien er geen uitbreiding van de vergunning wordt aangevraagd, en er geen nieuwe infrastructuren zullen worden gebouwd, worden voor de hervergunning geen locatiealternatieven overwogen. Wel komt op site Antwerpen een nieuwe installatie P2C. Deze zal een aparte ingedeelde inrichting of activiteit zijn (IIA) waarvoor een aparte vergunning zal aangevraagd worden. Na overleg met de Dienst MER werd deze activiteit als niet MER-plichtig overeenkomstig bijlage 1 of 2 van het MER-besluit beoordeeld. De P2C-installatie wordt al in dit MER opgenomen om een volledig zicht te geven op de milieueffecten op iets langere termijn. Voor de P2C-installatie werden wel locatiealternatieven bekeken. Gezien deze nieuwe installatie SevesoHoge drempel zal zijn geeft de inplanting op Site Antwerpen, die al Hoge-drempel Seveso is, een aantal voordelen en synergin die andere Indaver sites niet kunnen bieden. Daarnaast zijn er voordelen naar gebruik van stoom en elektriciteit van de draaitrommelovens en gebruik van andere randinfrastructuur als , wegenis, riolering, onderhoudsdienst, ed. 4.3 Uitvoeringsalternatieven In het MER zullen voor het gebruikte water 2 scenario's worden gevalueerd in de toekomstige situatie (zie paragraaf 3.2.7.3): Scenario zonder gebruik van AMORAS-water Scenario met gebruik van AMORAS-water Aangezien er geen belangrijke uitbreiding van de vergunning wordt aangevraagd, en er geen nieuwe infrastructuren zullen worden gebouwd, worden voor dit project verder geen uitvoeringsalternatieven overwogen. In het MER zal de toepassing van de BBT getoetst worden aan de hand van de relevante BREF-rapporten. Het betreft vooral de BREF "Waste Incineration" en BREF "Waste Treatment". Beide documenten dateren van 2006 en zijn momenteel in revisie. Er zijn reeds draftversies van de nieuwe BREF-documenten van 2017 beschikbaar. Zowel de bestaande installaties, als de geplande beperkte wijzigingen (aan IndaChem Liquids,en IndaChem Recovery) en P2C zullen gevalueerd worden. Datum: april 2018 63 van 92 PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN 5 REFERENTIESITUATIE, GEPLANDE SITUATIE EN ONTWIKKELINGSSCENARIO'S 5.1 Referentiesituatie De referentiesituatie wordt gedefinieerd als `de toestand van het studiegebied waarnaar gerefereerd wordt in functie van de effectvoorspelling'. Het is de situatie waarmee de situatie bij uitvoeren en functioneren van een project vergeleken wordt om tot een duiding van de milieueffecten te komen. In dit MER wordt de situatie van het studiegebied en van de leefgemeenschap, met name de situatie op vlak van lucht-, water- en bodemkwaliteit en de geluidstoestand in het jaar 2017 als referentiesituatie weerhouden. Met betrekking tot de emissies betekent de referentiesituatie de emissies van de exploitatie van Indaver eveneens in het referentiejaar 2017. 5.2 Geplande situatie 5.2.1 Aanlegfase Het MER voor de hervergunning zal geen relevante uitbreidingen op de site van Indaver evalueren. Voor de vergunning van de nieuwe P2C Demoplant zal een aparte vergunningsprocedure worden doorlopen. De effecten van de aanlegfase voor deze installatie zullen in die specifieke vergunningsaanvraag worden gevalueerd en worden niet hernomen in het MER voor de hervergunning. Het betreft effecten die verband houden met volgende aspecten: Innemen van een beperkte braakliggende zone op het bedrijfsterrein (groenperk, geen relevante begroeing aanwezig). Tijdelijke bemaling voor werken onder het maaiveld (funderingen, opvangputten, ...), met lozing van het bemalingswater via de waterzuivering van Indaver. Beperkt grondverzet voor werken onder het maaiveld (funderingen, opvangputten, ...), waarbij volgens de regelgeving controles gebeuren op eventuele verontreiniging van de grond, zodat deze op gepaste wijze kan worden afgevoerd en/of hergebruikt. Het betreft grondwerken in opgespoten bodemlagen. Werfgeluid tijdens de aanlegfase. Stofemissies tijdens de aanlegfase, die beperkt worden door de maatregelen die in de regelgeving (Vlarem) opgelegd worden tijdens activiteiten met een grote kans op stofemissies (grondwerken, slijpen, ...). Er wordt daarom in het MER geen evaluatie van de milieueffecten in de aanlegfase voorzien. 5.2.2 Exploitatiefase De geplande situatie wordt bekomen door de effecten in het referentiejaar 2017 te vermeerderen met de verwachte impact van de geplande wijzigingen en uitbreidingen zoals hoger beschreven. Aangezien er geen belangrijke aanpassingen of uitbreidingen beoogd worden, is de geplande situatie grotendeels gelijk aan de huidig vergunde situatie. Volgende zaken worden in de evaluatie van de geplande situatie beschouwd: Twee scenario's voor het watergebruik: met of zonder gebruik van AMORAS-water (zoals opgenomen in de huidige vergunning). Dit aangezien voor beide scenario's een andere set lozingsvoorwaarden van toepassing zal aangevraagd worden. Beperkte wijzigingen aan IndaChem Liquids en IndaChem Recovery. Uitbreiding met Demo-plant Plastic-To-Chemicals: o Extra restgassen o Extra geluidsemissie o Extra afvalwater (zeer beperkt) o Evaluatie van bodembeschermende maatregelen die het extra risico op bodemverontreiniging t.h.v. opslagvoorzieningen en verwerkingsinstallatie beperken Datum: april 2018 65 van 92 PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN 5.3 Ontwikkelingsscenario's Ontwikkelingsscenario's beschrijven de evolutie van het studiegebied in de toekomst, rekening houdend met de autonome evolutie van het gebied en met de evolutie onder invloed van plannen en beleidsopties. De autonome ontwikkeling van een studiegebied zijn de veranderingen aan dat gebied zonder gestuurde benvloeding van buiten af. Bij de gestuurde ontwikkelingen wordt rekening gehouden met het geplande beleid, zoals bv. bepaald door het gewestplan, ruimtelijke uitvoeringsplannen, structuurplannen of gekende, geplande ontwikkelingen. Deze scenario's dienen beschreven te worden ter aanvulling van de referentiesituatie, indien er redenen zijn om aan te nemen dat deze toestand in de toekomst ingrijpend kan veranderen. Deze veranderingen kunnen onder impuls geschieden van zowel de autonome ontwikkeling als door de mens gestuurde ontwikkelingen. In het kader van dit MER worden geen belangrijke ontwikkelingsscenario's opgenomen aangezien niet verwacht wordt dat het studiegebied wijzigingen zal ondergaan die een relevante impact zullen hebben op de inhoud van dit MER. Indien uit het verdere verloop van de m.e.r.-procedure zou blijken dat er toch relevante ontwikkelingsscenario's zijn, zullen deze uiteraard mee beschouwd worden. Datum: april 2018 66 van 92 PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN 6 INGREEP-EFFECTRELATIES Bij de bepaling van de te verwachten effecten worden de mogelijke ingrepen in beschouwing genomen die aanleiding kunnen geven tot effecten. Voor het beschouwde project wordt enkel de exploitatiefase in beschouwing genomen, aangezien er geen relevante wijziging of uitbreiding van de activiteiten zal plaatsvinden. De exploitatie omvat de verbranding van afval, de op- en overslag van afvalstoffen, hulpstoffen en eindproducten, de stortactiviteiten op de Deponie en het transport. Hierna wordt per discipline een overzicht gegeven van de voornaamste te verwachten milieueffecten. 6.1 Lucht Het belangrijkste te verwachten milieueffect voor de discipline lucht is de benvloeding van de luchtkwaliteit ten gevolge van atmosferische emissies. Deze zijn vooral afkomstig van de verbrandingsinstallaties en in mindere mate ook van laad- en losactiviteiten, op- en overslag, activiteiten op de deponie,... . Mogelijk relevante effecten die deze emissies teweeg brengen zijn ook eventuele gezondheidseffecten bij de omwonenden en ecotoxicologische effecten. De P2C demoplant heeft een nieuw bijkomend emissiepunt naar lucht. 6.2 Oppervlaktewater Voor de discipline oppervlaktewater is het belangrijkste te verwachten milieueffect benvloeding van de waterkwaliteit en -kwantiteit door de lozing van het afvalwater van Indaver nv. Het afvalwater van Indaver wordt, na zuivering, geloosd in de Hoofdgracht van het Verlegde Schijn net naast het pompstation (< 100 meter). Het geloosde water komt dus, met het water van de Hoofdgracht, in het Kanaaldok terecht. Het belangrijkste te verwachten milieueffect is hier dan ook de verontreiniging van de Hoofdgracht (zeer lokaal en daardoor beschouwd als niet relevant) en het Kanaaldok. 6.3 Bodem en grondwater De voornaamste te verwachten effecten tijdens de exploitatiefase zijn: bodem- en of grondwaterverontreiniging t.g.v.: historische activiteiten mogelijke incidenten/lekken bij de productieprocessen; mogelijke incidenten/lekken bij op- en overslag van afvalstoffen, hulpstoffen en eindproducten; mogelijke lekken van boven- en ondergrondse leidingen; aanwezigheid van de deponie (monitoring); benvloeding van de grondwaterhuishouding als gevolg van het oppompen van grondwater. 6.4 Geluid en trillingen Productie, overslag en transport zijn de belangrijkste bronnen voor mogelijke geluidseffecten. De geluidsemissie ten gevolge van de exploitatie zal het dominante effect zijn voor deze discipline. Datum: april 2018 67 van 92 PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN 6.5 Biodiversiteit Mogelijke effecten ten opzichte van biodiversiteit zijn het gevolg van de abiotische effecten. De effectgroepen die bij Indaver van belang kunnen zijn, zijn: (fyto)toxiciteit via atmosferische emissies; ecotoxiciteit voor aquatische organismen ten gevolge van de lozing van afvalwater; verschraling door voedselaanrijking ontvangende waterlopen; rustverstoring ten gevolge van geluidsoverlast en lichthinder. 6.6 Mens Mogelijk te verwachten effecten voor de mens zijn het gevolg van abiotische effecten. Mogelijke effecten die de nodige aandacht verdienen zijn: gezondheidseffecten: toxicologische effecten ten gevolge van gasvormige emissies; hinder ten gevolge van geluid, geur, verkeer en eventueel licht en visuele hinder. 6.7 Overige disciplines: Landschap, bouwkundig erfgoed en archeologie Aangezien het project hoofdzakelijk de evaluatie van bestaande installaties omvat, wordt geen impact op het landschap, bouwkundig erfgoed en op archeologie verwacht. 6.8 Ingreep-effecttabel In Tabel 6.1 wordt voor de disciplines die door erkende deskundigen behandeld worden tenslotte een overzicht gegeven van de ingrepen en mogelijk te verwachten effecten onder de vorm van een matrix. Tabel 6.1: Ingreep-effectmatrix Oorzaak/Effect Verwerkingsinstallaties Opslag Transport Deponie Abiotische effecten Lucht: Benvloeding luchtkwaliteit X X X X Water: Benvloeding waterkwaliteit X - - X Benvloeding waterkwantiteit X - - X Bodem en grondwater: Bodem- en grondwaterverontreiniging Benvloeding grondwaterhuishouding X X X X X - - X Geluid en trillingen: Benvloeding geluidsklimaat X X X Datum: april 2018 68 van 92 PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN Oorzaak/Effect Biotische effecten Biodiversiteit: (fyto)toxiciteit via atmosferische emissies Ecotoxiciteit voor aquatische organismen Rustverstoring Mens: Gezondheidseffecten Hinder (geur, geluid, verkeer) Wijziging veiligheidssituatie Visuele aspecten Verwerkingsinstallaties Opslag X X X X X X X X X X Transport Deponie X X X X X X Legende: X : - : er is mogelijk een effect er is geen effect te verwachten 6.9 Interdisciplinaire gegevensoverdracht Uiteraard bestaan er tussen de disciplines belangrijke interacties en zal een gegevensoverdracht nodig zijn. De belangrijkste vectoren van gegevensoverdracht zijn de volgende: Effecten m.b.t. de luchtkwaliteit: Fytotoxiciteit (biodiversiteit); Gezondheid van de mens; Hinder voor de mens (geur); Zure/eutrofirende depositie (biodiversiteit); Effecten m.b.t. oppervlaktewater: Ecotoxiciteit (Biodiversiteit); Effecten m.b.t. geluid en trillingen: Hinder voor de mens; Rustverstoring (Biodiversiteit); Effecten m.b.t. bodem en grondwater: Gezondheidseffecten voor de mens; Aantasting flora; Lichtinvloed: Hinder voor de mens; Landschappelijke beleving: Visuele hinder voor de mens. Datum: april 2018 69 van 92 PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN 7 EFFECTBESCHRIJVING EN -BEOORDELING Hierna wordt per discipline een beschrijving gegeven van de methodiek die gevolgd zal worden voor de beschrijving en beoordeling van de milieueffecten. Deze beschrijving omvat telkens de volgende elementen: afbakening van het studiegebied; beschrijving van de methodiek, inclusief beschikbare basisgegevens die zullen worden gebruikt en geplande metingen; beschrijving van de referentiesituatie; effectbeschrijving en -beoordeling; milderende maatregelen. 7.1 Lucht 7.1.1 Afbakening van het studiegebied Wat de mogelijke luchtverontreiniging betreft, zal het studiegebied bepaald worden door de mogelijke verspreiding van de polluenten rond de site van Indaver nv. Aangenomen wordt (op basis van gelijkaardige evaluaties in voorgaande MER's) dat de bijdrage van deze verspreiding verwaarloosbaar zal worden op een afstand van meer dan 5 km. Om deze reden wordt een studiegebied met een straal van 5 km t.o.v. het projectgebied voorgesteld. 7.1.2 Beschrijving van de referentiesituatie De actuele kwaliteit van de omgevingslucht wordt gekarakteriseerd op basis van: luchtkwaliteitskaarten, opgemaakt door VMM (meest recente beschikbare jaar = 2016); gegevens van het VMM meetstations in het studiegebied. De actuele kwaliteit van de omgevingslucht zal getoetst worden ten opzichte van de geldende normen en kwaliteitsdoelstellingen. In eerste instantie worden de emissies gekarakteriseerd en gekwantificeerd. Hierbij worden in de referentiesituatie volgende emissies onderscheiden: de geleide procesemissies van: de 3 schoorstenen van de verbrandingsinstallaties (DTO1, DTO2 en DTO3); de uitlaat van de afzuiging/ scrubber van IndaChem Liquids; scrubber ompakruimten de niet-geleide emissies: deze omvatten diverse emissies die ontstaan: bij laden en lossen en tijdens opslag vanuit opslagvoorzieningen (tanks, silo's, bekkens, gietputten, bunkers, ...); bij welbepaalde activiteiten zoals de vatenshredder, tankcleaning, mengers IndaChem Solids, ... vanop de deponie; de voornaamste emissies worden voorkomen of beperkt door afzuigingen (bvb. pendelgasleiding naar DTO's, lokale scrubbers of filters, ... deze emissies zullen in het MER gevalueerd worden op basis van de beschrijvingen en de kwantificering in voorgaande MER's, geactualiseerd met recente gegevens; In de geplande situatie zijn er van P2C een bijkomend geleid emissiepunt (emissiepunt turbine) en nietgeleide emissies van laden en lossen en opslag . De kwantificering van de emissies zal voor de voornaamste emissiebronnen plaatsvinden aan de hand van meetgegevens. Voor minder belangrijke emissiebronnen, zal een (worst case) inschatting gedaan worden op basis van andere beschikbare gegevens (procesgegevens, indicatieve meting, ...). Datum: april 2018 71 van 92 PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN Voor de kwantificering van de maximale emissies van de Draaitrommelovens in de geplande situatie, zal een worst case berekening worden gedaan op basis van het te vergunnen thermisch vermogen van de ovens. De voeding van de ovens wordt immers beperkt door het thermisch vermogen en niet zozeer door de hoeveelheid afvalstoffen. Rekening houdend met de calorische waarde van het afval zal een worst case emissie (debiet, ...) worden bepaald. 7.1.3 Effectbeschrijving en -beoordeling De impact van de emissies op de luchtkwaliteit wordt in kaart gebracht, en dit voor alle scenario's. Voor de voornaamste parameters zal een inschatting gemaakt worden van de immissiebijdrage van het bedrijf op de concentraties in de omgeving. Hiertoe zal het IMPACT-model gebruikt worden en zal de berekeningsmethode uit Vlarem II gevolgd worden. Dit model berekent voor een gemiddeld meteorologisch jaar de concentratie van een bepaalde contaminant in een rooster van punten rond de bron. De bekomen percentielscontouren worden voorgesteld op een kaart van de omgeving. Daar bij Indaver afval met een zeer diverse samenstelling verbrand wordt kunnen verschillende polluenten in de rookgassen aanwezig zijn. De verbrandingsinstallaties zijn echter uitgerust met een uitgebreide gaszuivering, waardoor de meeste polluenten zeer grondig verwijderd worden. De emissies van afvalverbrandingsovens zijn onderworpen aan specifieke emissiegrenswaarden voor alle relevante polluenten, zoals vastgelegd in Vlarem II op basis van Europese regelgeving. De emissies worden gemonitord (emissiemetingen) om na te gaan of de emissiegrenswaarden gerespecteerd worden. In het MER zal een selectie van relevante polluenten (polluenten met een mogelijk schadelijk effect in de omgeving) worden gemaakt. Dit zal gebeuren volgens de voorschriften uit het MER Richtlijnenboek Lucht. Enkel voor de geselecteerde polluenten wordt een effectevaluatie met dispersieberekeningen uitgevoerd. In het MER zal gemotiveerd worden waarom andere polluenten niet als relevante polluent worden geselecteerd. In voorgaande MER's kwam men daarbij tot onderstaande selectie (deze zal mogelijk nog worden aangepast in het nieuwe MER): NOx SO2 PM10 Dioxines (TEQ) De berekende immissiebijdragen van de Indaver-emissies zullen worden getoetst aan de normen en aan de kwaliteitsdoelstellingen voor luchtverontreiniging. De beoordeling zal gebaseerd zijn op: de mate waarin zal voldaan worden aan de normen/luchtkwaliteitsdoelstellingen; het belang van de bijdrage van Indaver nv tot de luchtverontreiniging; de omvang van het gebied waarover zich bovengenoemde effecten kunnen voordoen. Voor de evaluatie zal gebruik gemaakt worden van de verschillende normen, richtwaarden, grenswaarden, standaarden, ... zoals opgenomen in de momenteel van toepassing zijnde juridische randvoorwaarden. De in het Richtlijnenboek Lucht (Geactualiseerde versie, Januari 2012) voorgeschreven significatiekaders zullen worden gevolgd, enerzijds voor jaargemiddelden (Tabel 7.1) en anderzijds voor uur- en daggemiddelden (Tabel 7.2). Datum: april 2018 72 van 92 PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN Tabel 7.1 Significantiekader voor jaargemiddelden Beoordeling bijdrage Score Gemiddelde Beperkte bijdrage -1 immissiebijdrage > 1% van de milieukwaliteitsnorm of richtwaarde of toegelaten aantal overschrijdingen Gemiddelde Belangrijke bijdrage -2 immissiebijdrage > 3% van de milieukwaliteitsnorm of richtwaarde of toegelaten aantal overschrijdingen Gemiddelde Zeer belangrijke bijdrage -3 immissiebijdrage > 10% van de milieukwaliteitsnorm of richtwaarde of toegelaten aantal overschrijdingen Koppeling met milderende maatregelen Onderzoek naar milderende maatregelen is minder dwingend tenzij de milieukwaliteitsnorm in de referentiesituatie reeds voor 80% ingenomen is Milderende maatregelen dienen gezocht te worden binnen het MER met zicht op implementatie op korte termijn Milderende maatregelen zijn essentieel Tabel 7.2 Significantiekader voor uur- en daggemiddelden (percentielen) Beoordeling bijdrage Immissiebijdrage > 1% van de milieukwaliteitsnorm of richtwaarde of toegelaten aantal overschrijdingen Beperkte bijdrage Immissiebijdrage > 5% van de milieukwaliteitsnorm of richtwaarde of toegelaten aantal overschrijdingen Belangrijke bijdrage Immissiebijdrage > 20% van de milieukwaliteitsnorm of richtwaarde of toegelaten aantal overschrijdingen Zeer belangrijke bijdrage Score -1 -2 -3 Deze beoordelingscriteria zijn richtinggevend en niet noodzakelijk als absolute waarden te beschouwen. Indien dient te worden afgeweken van bovenvermelde significantiekaders, zal dit omstandig gemotiveerd worden. 7.1.4 Milderende maatregelen In het geval zich als gevolg van het project significant negatieve effecten zouden voordoen, zullen milderende maatregelen worden voorgesteld. Ook voor minder uitgesproken negatieve effecten kunnen milderende maatregelen voorgesteld worden, bvb. als er nog BBT-maatregelen zijn, die nog niet worden toegepast. Datum: april 2018 73 van 92 PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN 7.2 Oppervlaktewater 7.2.1 Afbakening van het studiegebied Het lozingspunt van Indaver ligt in de Hoofdgracht van de Verlegde Schijn net naast het pompstation (< 100 meter). Het geloosde water komt dus, met het water van de Hoofdgracht, in het Kanaaldok terecht. De milieueffecten van de Indaver-lozing op de Verlegde Schijn zijn daardoor zo goed als onbestaand, doch worden verplaatst naar het Kanaaldok. Het studiegebied zal bijgevolg de Verlegde Schijn (zeer beperkt) en het Kanaaldok omvatten. Voor het Kanaaldok richten we ons op een zone die zich uitstrekt vanaf ongeveer 1 km stroomopwaarts tot ca. 2 km stroomafwaarts van het lozingspunt van Indaver. 7.2.2 Beschrijving van de referentiesituatie en lozing Referentiesituatie oppervlaktewater De hydrologische karakteristieken en de waterkwaliteit van het Kanaaldok en de Verlegde Schijn, worden zowel stroomopwaarts als stroomafwaarts van het lozingspunt van Indaver nv gekarakteriseerd. Daartoe wordt gebruik gemaakt van de gegevens van het VMM-meetnet en gegevens van specifieke studies in de omgeving (VMM en VITO). De stroomopwaartse toestand geeft de nulhypothese aan, terwijl de stroomafwaartse toestand de referentiesituatie weergeeft. De waterkwaliteit van het ontvangend oppervlaktewater wordt getoetst aan de waterkwaliteitsdoelstellingen die van toepassing zijn. Op die manier kan de gewenste situatie geverifieerd worden. Referentiesituatie lozing Voor de referentiesituatie van de emissies wordt gebruik gemaakt van de meetgegevens van het referentiejaar 2017 voor de relevante parameters in het geloosde effluent. De lozingsvrachten in de referentiesituatie worden in kaart gebracht aan de hand van de metingen op de geloosde debieten en extrapolatie van deze gegevens naar de maximale productiecapaciteit. Geplande situatie lozing De vrachten in de geplande situatie worden in kaart gebracht aan de hand van de samenstelling en het debiet van eventuele bijkomende afvalwaterstromen. De emissiesituatie voor de geplande situatie zal in kaart gebracht worden bij volcontinu bedrijf. AMORAS-Water Zoals reeds aangehaald (zie paragraaf 3.2.7.3) zullen in de geplande situatie 2 scenario's worden gevalueerd: Scenario zonder gebruik van AMORAS-water Scenario met gebruik van AMORAS-water Voor beide scenario's zijn realistische aannames (debieten, samenstelling waterstromen, ...) beschikbaar, zoals opgenomen in het vergunningsdossier dat hiervoor werd opgemaakt en ingediend. Ook de verschillende lozingsnormen voor beide scenario's die in de huidige vergunning zijn opgenomen (zie paragraaf 2.2.4), zullen mee gevalueerd worden. 7.2.3 Effectbeschrijving en -beoordeling De effecten die binnen de discipline oppervlaktewater besproken worden, zijn (per scenario): de waterhuishouding: er wordt een waterbalans opgesteld waarbij de ingaande en uitgaande stromen en verliezen in kaart gebracht worden; mogelijke oppervlaktewaterverontreiniging van het Kanaaldok ten gevolge van de lozing van afvalwater; Datum: april 2018 74 van 92 PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN impact op de afvoer van het Kanaaldok. Naast het opstellen van de waterbalans zal met het oog op de evaluatie van de mogelijke oppervlaktewaterverontreiniging overgegaan worden tot een beschrijving en zo kwantitatief mogelijke inschatting van het debiet en de samenstelling van het geloosde afvalwater. Ook de waterzuiveringsinstallatie wordt beschreven. De emissiesituatie zal voor alle relevante parameters (CZV, BZV, Ntot, Ptot, kwik (Hg), chloraat (ClO3-), chloriden (Cl-), sulfaat (SO42-), metalen, vrije chloor en EOX, kalium, jodide, bromide) in kaart worden gebracht en de geloosde vuilvrachten worden berekend. Met betrekking tot de impact van de lozing wordt zowel gekeken naar de permanente (gemiddelde) impact als naar de tijdelijke (worst case) impact. Voor beide situaties wordt zowel de referentiesituatie als de geplande situatie in beeld gebracht. Permanente (gemiddelde) impact Voor de evaluatie van de permanente (gemiddelde impact) van de lozing wordt, indien hiervoor voldoende informatie beschikbaar is, de methodiek van de meest recente versie van het richtlijnenboek voor de discipline water gebruikt (juni 2011). Deze methodiek bestaat er in eerste instantie uit om stroomafwaarts een lozing voor parameter x de concentratieverhoging Cv bij volledige menging te berekenen volgens de volgende formule: = + waarbij Ce = concentratie parameter x in het geloosde water (jaargemiddelde) QL = lozingsdebiet afvalwaterstroom (jaardebiet) Qopp = afvoerdebiet oppervlaktewater (gemiddeld tijdebiet) Om de significantie van de permanente impact van de lozing te duiden, wordt onderstaand beoordelingskader uit het vermelde richtlijnenboek gehanteerd. Als toetsingswaarde worden de milieukwaliteitsnormen gebruikt. Tabel 7.3: Significantiekader permanente impact discipline water Totale concentratieverhoging lozingen (X) vs. toetsingswaarde 1% < X 10% 10% < X 20% X > 20% Huidige immissiekwaliteit (Y) vs. toetsingswaarde Y < 50% -1 -1 -2 50% Y < 75% -1 -2 -3 Y 75% -2 -3 -3 -1: beperkte bijdrage -2 relevante bijdrage -3: belangrijke bijdrage Y = gemiddelde immissiekwaliteit stroomopwaarts van de lozing Datum: april 2018 75 van 92 PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN Tijdelijke (worst case) impact Naast de permanente impact wordt in het MER ook de tijdelijke impact van een lozing bekeken. De beoordeling van deze tijdelijke of worst case impact is er op gericht om na te gaan of onder bepaalde/tijdelijke omstandigheden de lozing aanleiding kan geven tot een relevant/onaanvaardbaar effect Naar analogie met de evaluatie van de permanente (gemiddelde) impact, moet voor de evaluatie van de worst case impact in eerste instantie een concentratieverhoging berekend worden. Hiertoe kan dezelfde methodiek gehanteerd worden zoals beschreven bij de evaluatie van de permanente impact. Verschilpunten zitten hem evenwel in de te hanteren uitgangsgegevens. De gehanteerde uitgangsgegevens moeten een worstcase lozingssituatie reflecteren (laag afvoerdebiet (bv. P10) vs. hoge lozingsconcentraties / vuilvracht). In dit MER wordt gerekend met de lozingsnormen vs. het afvoerdebiet van het Kanaaldok. Voor de beoordeling van de tijdelijke (worst case) impact van niet gevaarlijke stoffen wordt het volgende significantiekader uit het Richtlijnenboek water gebruikt: Tabel 7.4: Significantiekader tijdelijke impact discipline water: niet gevaarlijke stoffen Gemodelleerde concentratieverhoging 0,5 x TW Verwaarloosbaar tijdelijk effect Gemodelleerde concentratieverhoging > 0,5 x TW en TW Beperkt tijdelijk effect Gemodelleerde concentratieverhoging > TW en frequentie Relevant tijdelijk effect voorkomen <10% op jaarbasis Belangrijk (onaanvaardbaar) tijdelijk effect Gemodelleerde concentratieverhoging > TW en frequentie Tijdelijk effect vormt op zich aanleiding tot het niet voorkomen >10% op jaarbasis respecteren van de kwaliteitsdoelstelling op jaarbasis TW: toetsingswaarde Voor de beoordeling van de tijdelijke (worst case) impact van gevaarlijke stoffen wordt het volgende significantiekader uit het richtlijnenboek water gebruikt: Tabel 7.5: Significantiekader tijdelijke impact discipline water: gevaarlijke stoffen Gemodelleerde concentratieverhoging 0,5 x TW (MKN) Beperkt tijdelijk effect Gemodelleerde concentratieverhoging > 0,5 x TW en TW Relevant (aanvaardbaar) tijdelijk effect Gemodelleerde concentratieverhoging > TW Belangrijk (onaanvaardbaar) tijdelijk effect Potentieel risico op acuut toxische effecten TW: toetsingswaarde Watertoets Alle elementen die nodig zijn voor de uitvoering van de watertoets zullen in het MER opgenomen worden in een afzonderlijk hoofdstuk. Datum: april 2018 76 van 92 PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN 7.2.4 Milderende maatregelen In het geval zich als gevolg van het project significant negatieve effecten zouden voordoen, zullen milderende maatregelen worden voorgesteld. Ook voor minder uitgesproken negatieve effecten kunnen milderende maatregelen voorgesteld worden. 7.3 Bodem en grondwater 7.3.1 Afbakening van het studiegebied Het studiegebied voor bodem omvat de directe omgeving van de voorziene installaties, zodat het studiegebied kan samenvallen met het projectgebied. Potentile grondwaterverontreiniging kan zich buiten de zone van de installaties verspreiden. Bijgevolg wordt voorgesteld het studiegebied voor grondwater voorlopig af te bakenen tot een straal van 500 m rond het projectgebied. 7.3.2 Beschrijving van de referentiesituatie De beschrijving van de referentietoestand omvat enerzijds een volledige hydrogeologische karakterisatie van het studiegebied, en anderzijds een beschrijving van de bekende verontreinigingssituatie van het gebied. De hydrogeologische karakterisatie wordt beschreven op basis van een recent hydrogeologische studie. Deze omvat o.a. de topografie, de pedologische gesteldheid, de geologische opbouw, de hydrogeologische opbouw (o.a. doorlatendheid, grondwaterstroming, ...), de (invloed op) grondwaterwinningen en de grondwaterkwetsbaarheid. De bekende verontreinigingssituatie omvat alle (bekende) bodem- en/of grondwaterverontreinigingen binnen het studiegebied. De referentietoestand van grond en grondwater zal besproken worden op basis van de verschillende bodemonderzoeken die op het terrein werden uitgevoerd. Dit omvat o.a. verschillende orinterende en beschrijvende bodemonderzoeken ter hoogte van het studiegebied. In deze onderzoeken zijn eveneens gegevens van externe bronnen (vb. Databank Ondergrond Vlaanderen (DOV), grondwatervergunningen, hydrogeologische studies, sondeergegevens, ...) verwerkt. 7.3.3 Effectbeschrijving en -beoordeling Bodem en/of grondwaterverontreiniging De effecten die kunnen optreden en worden beoordeeld zijn bodem- en/of grondwaterverontreiniging t.g.v. het productieproces en t.g.v. calamiteiten. De beoordeling van de effecten op bodem- en grondwaterverontreiniging ten gevolge van calamiteiten zal gebeuren op basis van de wettelijke bepalingen van het Bodemdecreet. Bij de effectbeschrijving en -beoordeling zal, naast een globale evaluatie van het studiegebied, waar relevant steeds een gedetailleerde beoordeling gebeuren voor de meer kwetsbare zones voor de vermelde effecten. Het effect van de voorziene bodembeschermende maatregelen op de risico's op bodem- en grondwaterverontreiniging zullen in detail onderzocht worden. Hierbij zal rekening gehouden worden met de bekende gegevens. Voor de vermelde effectgroepen worden de beoordelingskaders gebruikt uit de MER Richtlijnenboeken. Datum: april 2018 77 van 92 PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN Grondwaterwinning Voor de Grondwaterwinning heeft Indaver een wijziging van het vergunde debiet gevraagd. Daarvoor werd recent (2018) een MER-Ontheffing gemaakt. Deze omvatte een actualisatie van de hydrogeolische studie die de invloed van de grondwaterwinning evalueert. De effecten van de Grondwaterwinning die in de MEROntheffing werden gevalueerd zullen samengevat worden in het MER. 7.3.4 Milderende maatregelen In het geval zich als gevolg van het project significant negatieve effecten zouden voordoen, zullen sowieso milderende maatregelen worden voorgesteld. Ook voor minder uitgesproken negatieve effecten kunnen milderende maatregelen voorgesteld worden. Datum: april 2018 78 van 92 PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN 7.4 Geluid en trillingen 7.4.1 Afbakening van het studiegebied Aangezien de meest nabijgelegen woning zich op ca. 1km ten oosten van de site van Indaver bevindt, en er zich bijgevolg noch binnen een straal van 200m rond het projectgebied noch binnen een straal van 200m rond het industriegebied zich bewoning bevindt, zal met betrekking tot de discipline geluid de geluidsimpact worden uitgerekend tot op minimaal 200m van de rand van het projectgebied. 7.4.2 Beschrijving van de methodiek Voor het opstellen van het deel geluid zal worden gesteund op de meetresultaten van geluidsmetingen welke in het kader van de MER voor de hervergunning van Indaver zullen worden uitgevoerd. Volgende geluidsmetingen worden voorzien: Langeduurs onbemande immissiemetingen in de omgeving ter bepaling van het actuele totale omgevingsgeluid Geluidsdrukmetingen op de site ter opmaak van een actuele geluidskaart van Indaver op basis van dewelke het actuele immissierelevante bronvermogen van het bedrijf zal worden bepaald ("EMOLA" methode). Uitgaande van deze metingen zal er een 3D- akoestisch overdrachtsmodel worden opgemaakt in de IMMIsoftware. De overdrachtsberekeningen zullen worden uitgevoerd met de IMMI-software (2012-2) op basis van de hiervoor door Europese Regelgeving geprefereerde norm ISO 9613-2. Het IMMI-model en de ISO 9613-2 methode houden rekening met de afstandsreductie, luchtabsorptie, invloed van de bodem en reflectie en afscherming door de aanwezigheid van gebouwen en andere obstakels. De berekeningen worden uitgevoerd voor `meewind' condities, bij 10 C en 70% vochtigheid, en voor de tertsbanden tussen 25 Hz en 10kHz. Uitgaande van dit model zal het specifiek geluid worden berekend ter hoogte van een aantal beoordelingspunten waarop de verder besproken effectbeoordeling zal worden uitgevoerd. Bij de keuze van deze beoordelingspunten zal worden rekening gehouden met: Wettelijke bepalingen Vlarem II; De ligging van het bedrijf ten opzichte van het gewestplan en eventuele RUP's; De ligging van woningen zowel binnen als buiten de 200m grens tov de bedrijfsgrens; De aanwezigheid van andere industriegebieden dan dewelke waarin het bedrijf gelegen is. Deze beoordelingspunten zullen daarnaast ook de 2 meetpunten en de punten waar in het kader van de hervergunning in 1997 - voor zover deze niet op het bedrijf gelegen zijn - geluidsmetingen werden uitgevoerd omvatten. Tot slot zal er - ter visualisatie - ook een geluidskaart worden uitgerekend over het gehele studie gebied op een rekenhoogte van 4m boven het maaiveld met een grid van 10 x 10m. 7.4.3 Beschrijving van de referentiesituatie Gezien de meest recente geluidsemissie- en immissiegegevens dateren van voor de hervergunning MER 1998, zullen voor de beschrijving van de referentiesituatie nieuwe metingen worden uitgevoerd ter bepaling van het huidige immissierelevant vermogen van de site van Indaver . Met betrekking tot de geluidsimmissie zullen er in het kader van deze hervergunning ter hoogte van 2 meetpunten gedurende 1 week continue, onbemande immissiemetingen worden uitgevoerd. Er zal n meetpunt gekozen worden in de richting van de meest nabij gelegen woning en n meetpunt op 200m van Datum: april 2018 79 van 92 PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN de terreingrens van het bedrijf. De immissiemeetcampagne kan verlengd worden indien er na 1 week onvoldoende meetgegevens voor de meest kritische windrichtingen worden opgetekend. Wat betreft de geluidsemissie van de huidige situatie zal er een gemeten geluidskaart worden opgesteld van de Indaver site en zal - uitgaande van deze gemeten geluidskaarten - het geluidsvermogen worden bepaald uitgaande van de" EMOLA" methode. Deze methode werd ontwikkeld in opdracht van AMINABEL ter bepaling van het immissierelevante geluidsvermogenniveau van gebieden van geluidsbronnen in open lucht door middel van geluidscontouren (juni 2000). Een samenvatting van de relevante brongroepen alsook de gegevens mbt de geluidsvermogens uit deze studie zal worden weergegeven in het milieueffectrapport om zodoende een duidelijk beeld te bekomen van de referentiesituatie. 7.4.4 Effectbeschrijving en -beoordeling Op basis van het geluidsvermogenniveau van de diverse bronnen en brongroepen van de bestaande installaties van het bedrijf en op basis van de relevante omgevingsparameters zal er een akoestisch overdrachtsmodel worden opgesteld teneinde het specifieke geluid van de huidige situatie te bepalen tot op minimum 200 m afstand van het projectgebied Voor deze overdrachtsberekeningen zal het model "IMMI" worden gebruikt. De berekeningen zullen worden uitgevoerd in 1/3 octaafbanden in overeenstemming met de technische bepalingen van de norm ISO 9613-2. Er zal rekening worden gehouden met de geometrische uitbreiding, de luchtabsorptie, mogelijke relevante schermeffecten en reflecties van de gebouwen van het bedrijf en de invloed van de bodem. Het specifiek geluid van het bedrijf zal worden berekend ter hoogte van de meetpunten enerzijds en ter hoogte van een aantal relevante referentiepunten anderzijds. Vervolgens zal het effect van het bedrijf ter hoogte van de meetpunten worden bepaald. Uitgaande van het gemeten totale omgevingsniveau ter hoogte van de meetpunten en het berekend specifiek geluid van Indaver ter hoogte van deze punten, zal het theoretische oorspronkelijk omgevingsgeluid worden bepaald. Dit theoretisch oorspronkelijk omgevingsgeluid kan vervolgens vergeleken worden met het gemeten totale omgevingsgeluid om na te gaan in hoeverre de inrichting een significant effect kan hebben. De beoordeling van de effecten zal worden uitgevoerd ter hoogte van de referentiepunten uitgaande van het significantiekader zoals omschreven in het richtlijnenboek voor de discipline Geluid en Trillingen van februari 2011 voor project-MER industrie zoals weergegeven in Tabel 7.6. Het berekende specifiek geluid van het bedrijf zal dus enerzijds vergeleken worden met het theoretische bepaald oorspronkelijk omgevingsgeluid ter hoogte van de meetpunten en anderzijds met de richtwaarden voor het specifiek geluid in de open lucht van als hinderlijke ingedeelde inrichtingen. Tabel 7.6: Significantiekader voor de discipline Geluid Invloed op omgeving Eindscore na correctie Voldoet aan het VLAREM ? Lna-Lvoor* Tussenscore Nieuw of verandering Bestaand LAX,T LAX,T>+6 +3<LAX,T+6 +1<LAX,T+3 -1LAX,T+1 -3LAX,T<-1 -6LAX,T<-3 LAX,T<-6 (effectscore) -3 -2 -1 0 +1 +2 +3 LspGW -1 -1 -1 0 +1 +2 +3 Lsp>GW -3 -3 -3 -1 / -2** - LspRW -1 -1 -1 0 +1 +2 +3 RW<LspRW+10 -2 -2 -1 -1 +1 +2 +3 Lsp>RW+10 -3 -3 -3 -3 - Datum: april 2018 80 van 92 PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN LAX,T: Lvoor Lna GW: RW: Lsp: * ** verschil in omgevingsgeluid in dB(A) vooraleer en nadat een project zal zijn uitgevoerd met X en T te bepalen en te verantwoorden door de deskundige met T = met X = duur in seconden "N" parameter van statistische analyse (LAN,T), in VLAREM II wordt N = 95 gebruikt ter toetsing aan de milieukwaliteitsnorm ofwel "eq" voor het equivalente geluidsdrukniveau (LAeq,T) van het omgevingsgeluid het theoretische oorspronkelijk omgevingsgeluid bepaald op basis van het logaritmische verschil tussen het gemeten totale omgevingsgeluid en het berekend specifiek geluid uitgaande van het overdrachtsmodel het gemeten totale omgevingsgeluid bepaald door middel van langdurige immissiemetingen Grenswaarde Richtwaarde specifiek geluid* bij hervergunning dient Lvoor gebruikt te worden alsof het bestaande bedrijf er niet was de keuze -1 ofwel -2 is afhankelijk van de grootte van de overschrijding van de GW (al dan niet binnen het betrouwbaarheidsinterval van de berekende specifieke immissie) De uiteindelijke negatieve scores worden als volgt gekoppeld aan milderende maatregelen: Score -1 matig significant negatief Onderzoek naar milderende maatregelen is minder dwingend, maar indien de onderzoekssturende randvoorwaarden aangeven dat er zich een probleem kan stellen dan dient de deskundige over te gaan tot het voorstellen van milderende maatregelen. Bij het ontbreken ervan dient dit gemotiveerd te worden. Score -2 significant negatief Er dient noodzakelijkerwijs gezocht te worden naar milderende maatregelen, eventueel te koppelen aan de lange of langere termijn. Bij het ontbreken ervan dient dit gemotiveerd te worden. Score -3 Zeer significant negatief Er dient noodzakelijkerwijs gezocht te worden naar milderende maatregelen te koppelen aan de korte termijn. Bij het ontbreken ervan dient dit gemotiveerd te worden. De scores 0, +1, +2 en +3 krijgen respectievelijk de beoordeling verwaarloosbaar, positief, zeer positief en uitgesproken positief. Voor deze scores zijn geen milderende maatregelen nodig. Tot slot zal ook de berekende specifieke impact van het bedrijf ter hoogte van alle relevante beoordelingspunten worden vergeleken met de geldende de richtwaarden voor het specifiek geluid in de open lucht van als hinderlijke ingedeelde inrichtingen. De berekende specifieke impact ter hoogte van de beoordelingspunten alsook de berekende geluidskaart zullen worden overgedragen naar de disciplines Mens en Fauna en Flora ter evaluatie van de gevolgen voor deze disciplines. 7.4.5 Milderende maatregelen In het geval er significant negatieve effecten zouden worden vastgesteld, kunnen milderende maatregelen worden voorgesteld. Datum: april 2018 81 van 92 PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN 7.5 Biodiversiteit 7.5.1 Afbakening van het studiegebied Algemeen zijn de effecten met betrekking tot biodiversiteit, naast het lokale biotoopverlies, gebonden aan de invloeden op de water-, de bodem- en de luchtkwaliteit en op het geluidsklimaat. De invloedssfeer voor deze discipline wordt dus bepaald door de grootste invloedssfeer voor n van de hoger vermelde milieucompartimenten, rekening houdend met de relevante effectgroepen of scope. Voor dit project-MER zal in eerste instantie rekening worden gehouden met het studiegebied zoals afgebakend voor geluid en voor oppervlaktewater. Het studiegebied zal bijgevolg reiken tot: een straal van 200 m rondom het industriegebied (cfr. geluid); tot ongeveer 2 km stroomafwaarts van het lozingspunt van Indaver nv op het Kanaaldok (cfr. oppervlaktewater); een straal van 5 km rondom de site van Indaver (cfr. Lucht). 7.5.2 Beschrijving van de referentiesituatie De beschrijving van de referentiesituatie gebeurt op twee niveaus: 1. beschrijving van de belangrijkste natuurwaarden in de aandachtsgebieden binnen het studiegebied; 2. beschrijving van de zones met natuurwaarde binnen het projectgebied. Onder aandachtsgebieden vallen zones die hoog gewaardeerd worden ten aanzien van natuurbehoud binnen het studiegebied, dit zijn de: vogel- en habitatrichtlijngebieden; gebieden behorende tot het Vlaams Ecologisch Netwerk (VEN); natuurreservaten; het netwerk ecologische infrastructuur van de Antwerpse haven. Concreet gaat het hier om: Het vogelrichtlijngebied Schorren en Polders van de Beneden-Schelde o Aandachtsgebieden: De Kuifeend en Blokkersdijk Het habitatrichtlijngebied Schelde- en Durmestuarium van de Nederlandse grens tot Gent Bovenstaande lijst van gebieden kan nog worden aangepast als tijdens de effectieve uitwerking van het MER blijkt dat het studiegebied groter of kleiner moet worden afgebakend dan in de fase van de aanmelding is verondersteld. De beschrijving van de natuurwaarden in de aandachtsgebieden zal gebeuren aan de hand van de beschikbare literatuur met betrekking tot deze gebieden (o.a. rapporten met de specifieke instandhoudingsdoelstellingen van de vogel- en habitatrichtlijngebieden, gegevens van de watervogeltellingen van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek,...) en specifieke literatuur aangaande de fauna en flora van het Schelde-estuarium (onderzoeksrapporten van het INBO, Natuurpunt, UGent). Ook de Biologische Waarderingskaart - Habitatkaart versie 2016 (INBO) zal worden gebruikt voor het nagaan van de aanwezigheid van Europese habitats en regionaal belangrijke biotopen en voor de algemene biologische waardering van de gebieden. Telkens zal ook een overzicht worden gegeven van het beschermingsstatuut van de aandachtsgebieden en de toekomstige ontwikkelingen inzake natuurbehoud en natuurontwikkeling. Datum: april 2018 82 van 92 PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN 7.5.3 Effectbeschrijving en -beoordeling Onderstaande effectgroepen zullen worden onderzocht zoals beschreven hieronder: Direct ruimtebeslag wordt niet verwacht; er is geen relevante uitbreiding van de installaties voorzien, waarbij waardevolle habitats worden ingenomen. Ecotoxicologische effecten a.g.v. water- en luchtemissies zullen worden ingeschat op basis van de `lethale dosis (of LD50), dit is de hoeveelheid toxische stof die bij 50% van een populatie tot de dood leidt. Hierbij zal de aandacht voornamelijk uitgaan naar de stoffen waarbij een overschrijding van de VLAREM concentraties (milieukwaliteitsdoelstellingen) optreedt. Lichthinder: kwalitatieve analyse op basis van beschikbare informatie inzake verlichting van de site met eventuele aanbevelingen inzake "slim verlichten". Geluidshinder: kwalitatieve analyse op basis van de discipline geluid. Versnippering en barrirewerking: wordt niet verwacht; er is geen uitbreiding van het bedrijf voorzien. Impact op de grondwaterhuishouding als gevolg van de grondwaterwinning op basis van een samenvatting van de discipline grondwater. Verzurende depositie: kwantitatieve analyse op basis van de online tool www.depositiescan.be. Indien de depositiescan aangeeft dat er aanzienlijke effecten kunnen optreden, zal een bijkomende modellering wel strikt noodzakelijk zijn in het kader van de passende beoordeling. Gezien het vogelrichtlijngebied BE2301336 `Schorren en polders van de Beneden-Schelde', het habitatrichtlijngebied BE2300006 `Schelde- en Durme-estuarium van de Nederlandse grens tot Gent' en het VEN-gebied Grote Eenheid Natuur (GEN) `Slikken en schorren langsheen de Schelde' in de omgeving van de site gelegen zijn, worden volgende evaluaties voorzien: Passende beoordeling (= toets ikv artikel 36ter natuurdecreet - impact op SBZ) (als afzonderlijke bijlage van het project-MER) o Beschrijving en situering van de SBZ gebieden (aangemelde soorten, habitats, IHD's en staat van instandhouding) o Beschrijving en beoordeling van de te verwachten effecten ten aanzien van de natuurlijke kenmerken en IHD's voor de betreffende habitats en soorten. De depositiescan zal hierin opgenomen worden (zie hiervoor). o Milderende maatregelen Verscherpte natuurtoets (=toets ikv artikel 26bis natuurdecreet - impact op VEN) (als afzonderlijke bijlage van het project-MER) o Beschrijving en situering van de VEN gebieden o Beschrijving en beoordeling van de te verwachten effecten ten aanzien van het VEN, met toets inzake onvermijdbare en onherstelbare schade aan het VEN. o Milderende maatregelen Toets aan artikel 16 van het Natuurdecreet (natuurtoets) = zit vervat in de uitwerking van de discipline biodiversiteit in haar totaliteit Toets aan het soortenbeschermingsprogramma van de Antwerpse haven. Door het project zal er geen inname zijn van de aangeduide verbindingsgebieden. Mogelijke impact op paraplusoorten zullen beschreven en beoordeeld worden. 7.5.4 Milderende en compenserende maatregelen Indien er zich significante effecten zullen voordoen t.o.v. de ecologisch waardevolle gebieden, zullen in het MER milderende en/of compenserende maatregelen voorgesteld worden. Daarnaast worden aanbevelingen geformuleerd om negatieve effecten tegen te gaan of zo gering mogelijk te houden. Datum: april 2018 83 van 92 PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN 7.6 Mens 7.6.1 Afbakening van het studiegebied De effecten met betrekking tot mens zijn gebonden aan de invloeden op de water-, de bodem- en de luchtkwaliteit en op het geluidsklimaat. De invloedssfeer voor deze discipline wordt dus bepaald door de grootste invloedssfeer voor n van de hoger vermelde milieucompartimenten. Rekening houdend met de conclusies in de disciplines `lucht', `water', `bodem en grondwater' en `geluid' zal het studiegebied zich in het kader van dit MER uitstrekken over een gebied met een straal van maximaal 5 km ten opzichte van het projectgebied. 7.6.2 Beschrijving van de referentiesituatie De referentiesituatie bevat de beschrijving van de woon- en leefomgeving rondom de projectsite, waarbij aandacht wordt besteed aan de volgende elementen: bevolkingsdichtheid en -opbouw; aanwezigheid van andere bedrijven; veiligheidssituatie; verkeerssituatie; overzicht klachten. 7.6.3 Effectbeschrijving en -beoordeling In het kader van de effectbespreking wordt een gezondheidsrisicoanalyse uitgevoerd zoals deze omschreven wordt in Het MER Richtlijnenboek Mens-Gezondheid. Hiertoe wordt in eerste instantie een identificatie uitgevoerd van de factoren die mogelijk tot gezondheidsrisico's en hinder kunnen aanleiding geven. Het betreft hier mogelijk: luchtemissies; geluidsemissies; verkeer andere: licht. In een volgende stap wordt een identificatie en kwantificering uitgevoerd van de blootstelling en belasting. Hierbij wordt zoveel mogelijk kwantitatief gewerkt. Vervolgens worden de criteria vastgelegd en een evaluatie uitgevoerd van de mogelijke effecten. Het betreft hier: toxicologische effecten, gezondheidseffecten in de bestudeerde populatie; hindereffecten: vnl. geur, maar ook geluid, verlichting, visuele aspecten, ... ; mobiliteitseffecten; veiligheidseffecten. De verwachte gevolgen worden geanalyseerd en besproken uitgaande van enerzijds kwaliteitsdoelstellingen, streefwaarden en literatuurgegevens inzake veilige concentraties "no effect level" en anderzijds op basis van literatuurgegevens die toelaten risicoanalyses inzake gezondheid uit te voeren. Hinderaspecten worden getoetst t.o.v. de aanvaardbare niveaus zoals zij in de wetgeving of in de wetenschappelijke literatuur zijn uitgewerkt. Datum: april 2018 84 van 92 PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN 7.6.4 Milderende maatregelen In het geval zich als gevolg van het project significant negatieve effecten zouden voordoen, zullen milderende maatregelen worden voorgesteld. Ook voor minder uitgesproken negatieve effecten kunnen milderende maatregelen voorgesteld worden. 7.7 Andere milieueffecten 7.7.1 Mobiliteit Alle afvalstoffen en andere materialen en hulpstoffen die van en naar Indaver worden getransporteerd worden over de weg aangevoerd. Indaver ligt nabij de grote verkeerswegen doorheen het havengebied. De ontsluitingswegen naar het terrein van Indaver gaan niet door woonkernen, enkel door Havengebied. In het MER zal het aantal transporten in kaart worden gebracht, en zal de invloed van de verkeersstroom van en naar Indaver op de omliggende wegen kort gevalueerd worden. 7.7.2 Landschap, bouwkundig erfgoed en archeologie In het MER zal worden nagegaan of een significant effect verwacht wordt op het landschap, het bouwkundig erfgoed en archeologie. Aangezien de aanvraag een hernieuwing betreft, en er verder geen grote wijzigingen zullen optreden, wordt verwacht dat het effect verwaarloosbaar is. 7.7.3 Klimaat De invloed van de activiteiten van Indaver op het klimaateffect (broeikasgasemissies, energie-efficintie, ...) worden kort toegelicht, alsook de eventuele invloed van klimaateffecten op de activiteiten van Indaver (toename van extreme weersomstandigheden, ...). Datum: april 2018 85 van 92 PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN 8 GRENSOVERSCHRIJDENDE EFFECTEN De vestiging van Indaver nv is in vogelvlucht, vanaf de noordelijkste hoek van het bedrijfsterrein, op 4,6 km van de Nederlandse grens gelegen. Een gewestgrens is verderaf gelegen, aangezien Indaver nv in het noorden van het Vlaamse Gewest gevestigd is. Gezien het studiegebied zich in alle disciplines beperkt tot hooguit 5 km van de terreingrens, en gezien deze afstand ongeveer gelijk is aan de afstand tot de Nederlandse grens, is te bekijken of er zich grensoverschrijdende effecten kunnen voordoen. In voorgaande MER's werd over de grensoverschrijdende effecten het volgende besloten: De bijdrage van de emissies van Indaver aan de luchtverontreiniging is het grootst voor NOx. Voor deze polluent werd t.h.v. de Nederlandse grens in het MER van 1998 (MER voor de hervergunning van indaver) nog een beperkte bijdrage aan de luchtverontreiniging berekend (grootte-orde 0,5 g/m (NO + NO2) voor het jaargemiddelde). Sinds het in gebruik nemen van de DeNOxgaszuivering eind 2005 zijn de emissies ongeveer gehalveerd, waardoor het effect op de luchtkwaliteit t.h.v. de grens daalde tot minder dan 1 % van de luchtkwaliteitsdoelstelling (< 0,4 g/m voor het jaargemiddelde voor NO2) en daardoor als verwaarloosbaar wordt beschouwd (MER 2009 - MER voor de ombouw van de Statische Oven). In het MER van 2009 (MER voor de ombouw van de Statische Oven) werd de bijdrage van de afvalwaterlozing van Indaver aan de verontreiniging van de Schelde berekend. Deze bleek voor alle polluenten kleiner dan 1% te zijn, wat als verwaarloosbaar wordt aanzien. Inmiddels gebeurt de lozing van Indaver niet meer naar de Schelde, maar naar het Kanaaldok, waardoor het mogelijke grensoverschrijdende effect via de Schelde weggevallen of op zijn minst sterk afgenomen is. Voor de mogelijke effecten via andere disciplines (via bodem, grondwater, geluid, ...) ligt Indaver zo ver van de grens dat enig relevant effect kan worden uitgesloten. Gezien de besluiten van de voorgaande MER-studies (zie 8) voor de activiteiten van Indaver en gezien de emissies nog in dezelfde grootte-orde liggen als in deze MER's, worden geen relevante grensoverschrijdende effecten verwacht. Daarom zien de deskundigen weinig toegevoegde waarde in een eventuele grensoverschrijdende informatie-uitwisseling met de Nederlandse overheden in het kader van dit MER. Datum: april 2018 87 van 92 PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN BIJLAGE 1: KAARTENBUNDEL Kaart 1: Topografische kaart Kaart 2: Orthofoto Kaart 3: Gewestplan Kaart 4: Waterlopen en staalnamepunten waterkwaliteit Kaart 5: Overstromingsgevoelige gebieden Kaart 6: Bodemkaart Kaart 7: Natuurbescherming Kaart 8: Biologische Waarderingskaart Kaart 9: Beschermd erfgoed Kaart 10: Vastgestelde inventarissen Datum: april 2018 89 van 92 projectgebied www.geovlaanderen.be o0 250 500 1 000 1 500 m 2 000 \\bema1file03\milieu\Projecten\BE0117001000-1249\BE0117001041_Project MER hervergunning site Stabroek\04_plannen\3_GIS\maps\BE0117001041_krt_001A_topografische_kaart.mxd Kaart 1 Topografische kaart Nippon Express Apollo Indaver Intercommunale Hooge Maey om 0 50 100 200 300 400 L:\Projecten\BE0117001000-1249\BE0117001041_Project MER hervergunning site Stabroek\04_plannen\3_GIS\maps\BE0117001041_krt_002A_orthofoto.mxd projectgebied Kaart 2 Orthofoto www.geovlaanderen.be RT T Stabroek T T A A T R R N NH om 0 125 250 500 750 1 000 L:\Projecten\BE0117001000-1249\BE0117001041_Project MER hervergunning site Stabroek\04_plannen\3_GIS\maps\BE0117001041_krt_003A_gewestplan.mxd projectgebied GRUP 0100- woongebied 0101- woongebied met kultureel, historische en/of esthetische waarde 0102- woongebied met landelijk karakter 0105- woonuitbreidingsgebied 0200- gebied voor gemeenschapsvoorzieningen en openbaar nut ^ 0401- gebieden voor dagrecreatie P 0500- parkgebieden T 0600- bufferzones N 0701- natuurgebied R 0702- natuurgebied met wetenschappelijke waarde of natuurreservaten NH 0732- bijzondere natuurgebieden (waterzuivering, afvoerleidingen en leidingstraten 0810- bosgebieden met ecologisch belang 0900- agrarische gebieden 1000- industriegebieden A 1030- bijzondere industriegebieden 1100- ambachtelijke bedrijven en kmo's 1380- reservegebied voor sliblagunering 1500- bestaande autosnelwegen 1504- bestaande waterwegen www.geovlaanderen.be Kaart 3 Gewestplan # ### 154000 MT-31 S19 MT-32 # Zandvlietsluis # Berendrechtsluis # MT-34 803800 #E004339 #E004341 #E004344 #156000 MT36MT-36 #! #! MT37MT-37 Insteek dok 2 # #E004360 E004342 Insteek dok 1 #157100 #157000 #811500 !# Zeeschelde !# MT-42 MT-41 MT41 Insteekdo k3 Zoutenstraatbeek rgang elwate Midd Kanaaldok B3 Dorpsbeek #182687 Kreek Snelle # # 834600182688 # TR834600.1834610 # # 834630834640 # # TR834600.4 TR834600.2 projectgebied ! Meetpunt waterbodemkwaliteit # Meetpunt waterkwaliteit (VMM) Bevaarbaar Geklasseerd, eerste categorie Geklasseerd, tweede categorie Geklasseerd, derde categorie Niet geklasseerd Antitank kanaal ## TR182680.3182686 #E004343 # Delwaidedok E004345 #E004348 #804000 #E004350 #182685 De Zijp ## TR182680.2182300 atergang leine W K #182690 # TR182690.1 # ## TR18 se Beek endijTk R182690.3 rtog He 'S ek 2690.2 arrenhofbe St rte Beek ijse Bonapa Par 182850 Beek # # 182680 182590 TR182680.1 ## # 180000 TR182590.1 #TR180000.1 Afwaterings gracht St. J acobsloop eek vense B Ettenho rse Beek Bote Rod e Beek ## TR182590.2180100 Bunderb TR180000.4 eek #182800 Kapellebeek De Rekke Havendok #E004352 Groot Schijn Pluimbeek Blokbeek Oud Schijn TR180000.2 TR182590.3 ## # 181000 chijn oon S 182 600 # Sch e Beek Zwart #182700 # # ##182610 TR182610.1 Deurga nckdok Bunderbeek www.geovlaanderen.be # # ### # # # # MT-47 158000 MT-49 Van Cauw MT-48 elaert sluis MT-50 805000 E004355 o0 550 1 100 2 200 3 300 m 4 400 L:\Projecten\BE0117001000-1249\BE0117001041_Project MER hervergunning site Stabroek\04_plannen\3_GIS\maps\BE0117001041_krt_004A_waterlopen.mxd endok 6de Hav sluis ewijn Boud Churchilldok ## 182900182950 807000 # #E004371 # # 18#320#0 TR183600.2 Kaart 4 Waterlopen en staalnamepunten waterkwaliteit projectgebied Recent overstroomde gebieden (2012) Effectief overstromingsgevoelig gebied Mogelijk overstromingsgevoelig gebied Bevaarbaar Geklasseerd, eerste categorie Geklasseerd, tweede categorie Geklasseerd, derde categorie Niet geklasseerd www.geovlaanderen.be o0 250 500 1 000 1 500 m 2 000 L:\Projecten\BE0117001000-1249\BE0117001041_Project MER hervergunning site Stabroek\04_plannen\3_GIS\maps\BE0117001041_krt_005A_overstroming.mxd Kaart 5 Overstromingsgevoelige gebieden (watertoets) projectgebied Antropogeen Nat zandleem Natte klei Natte Zware Klei Vochtige Zware Klei www.geovlaanderen.be om 0 100 200 400 600 800 L:\Projecten\BE0117001000-1249\BE0117001041_Project MER hervergunning site Stabroek\04_plannen\3_GIS\maps\BE0117001041_krt_006A_bodemkaart.mxd Kaart 6 Bodemkaart Schorren en polders van de Beneden-Schelde projectgebied Erkend natuurreservaat Vlaams natuurreservaat Habitatrichtlijngebied Vogelrichtlijngebied VEN Grote eenheid natuur Grote eenheid natuur in ontwikkeling Natuurverwevingsgebied www.geovlaanderen.be Kuifeend - Grote Kreek De Kuifeend o0 250 500 1 000 1 500 m 2 000 \\bema1file03\milieu\Projecten\BE0117001000-1249\BE0117001041_Project MER hervergunning site Stabroek\04_plannen\3_GIS\maps\BE0117001041_krt_007A_natuurbescherming.mxd De Kuifeend en de Blokkersdijk Kaart 7 Natuurbescherming projectgebied Biologisch minder waardevol Complex van biologisch minder waardevolle en waardevolle elementen Complex van biologisch minder waardevolle, waardevolle en zeer waardevolle elementen Complex van biologisch minder waardevolle en zeer waardevolle elementen Biologisch waardevol Complex van biologisch waardevolle en zeer waardevolle elementen Biologisch zeer waardevol www.geovlaanderen.be om 0 100 200 400 600 800 \\bema1file03\milieu\Projecten\BE0117001000-1249\BE0117001041_Project MER hervergunning site Stabroek\04_plannen\3_GIS\maps\BE0117001041_krt_008A_bwk.mxd Kaart 8 Biologische waarderingskaart (versie 2016) projectgebied Beschermde archeologische Beschermd Beschermd Beschermd stads- en Erfgoedlandschap www.geovlaanderen.be om 0 150 300 600 900 1 200 \\bema1file03\milieu\Projecten\BE0117001000-1249\BE0117001041_Project MER hervergunning site Stabroek\04_plannen\3_GIS\maps\BE0117001041_krt_010A_beschermd_erfgoed.mxd Kaart 9 Beschermd erfgoed ## ## ##### # ## # ###### ##### # # ## # # ### # # ## ### ## # # # # # #### # # ## # #### ## ## # ### ## # ## # # ## ## # ## # ### ## # # # # # # ## # # projectgebied # Bouwkundig erfgoed (relict) Beheerplan # Vastgestelde archeologische zone Bouwkundig erfgoed (gehelen) Vastgestelde houtige begroeiingen Vastgestelde historische tuinen en parken Vastgestelde landschapsatlas # # ## # # # # ## # # ## www.geovlaanderen.be om 0 150 300 600 900 1 200 \\bema1file03\milieu\Projecten\BE0117001000-1249\BE0117001041_Project MER hervergunning site Stabroek\04_plannen\3_GIS\maps\BE0117001041_krt_011A_vastgestelde_inventarissen.mxd Kaart 10 Vastgestelde inventarissen PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN Datum: april 2018 91 van 92 PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN COLOFON PROJECT-MER: HERVERGUNNING SITE INDAVER TE ANTWERPEN AANMELDING KLANT Indaver nv AUTEUR Arcadis en AIB Vinotte - MER-cordinator Frank Van Daele PROJECTNUMMER BE0117001041 DATUM April 2018 STATUS Finaal Arcadis Belgium nv City Link 2 Posthofbrug 12 2600 Antwerpen Belgi www.arcadis.com Datum: april 2018 92 van 92