Document wD4wYbKDZ2VXm35g4xMXrk2DB
PPRROOJJEECCTT--MMEERR:: HHEERRNVEIERUGWUINNNGING KSeInTnEisgeINvinDgAVER TE ANTWERPEN
IAnadnamveerldnivng Indaver nv
1A6PRFEILB2R0U1A8RI 2018
PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN
Contactpersoon
Arcadis Belgium nv City Link 2 Posthofbrug 12 2600 Antwerpen Belgi
Datum: april 2018
2 van 92
PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN
WOORD VOORAF
Milieueffectrapportage (kortweg m.e.r.) is een instrument om de doelstellingen en beginselen van het milieubeleid te helpen realiseren, namelijk het voorzorgsbeginsel en het beginsel van preventief handelen. Het m.e.r.-proces is een juridisch-administratieve procedure waarbij vr dat een activiteit of ingreep (projecten, beleidsvoornemens zoals plannen en programma's) plaatsvindt, de milieugevolgen ervan op een wetenschappelijk verantwoorde wijze worden bestudeerd, besproken en gevalueerd. De achterliggende grondgedachte suggereert dat het beter is om de voor het milieu schadelijke activiteiten (plannen en projecten) vanaf een vroeg stadium in de besluitvorming te ondervangen en indien mogelijk bij te sturen.
Het Decreet algemene bepalingen milieubeleid (DABM) - zoals gewijzigd door het omgevingsvergunningsdecreet van 25 april 2014 (B.S. 23/10/2014) - voorziet in titel IV m.b.t. de milieueffect- en veiligheidsrapportage, verschillende mogelijkheden m.b.t. opbouw van de project-MERprocedure voorafgaand aan de indiening van de vergunningsaanvraag, nl. de aanmelding, aanmelding met verzoek tot scopingsadvies, verzoek tot voorlopige goed- of afkeuring,... . Hierna volgt een beschrijving van het traject dat werd gekozen door de initiatiefnemers.
Dit document is de aanmelding voor het projectmilieueffectrapport (project-MER) dat wordt opgemaakt voor de hernieuwing van de vergunning van de site van Indaver, gelegen te Antwerpen. Het MER heeft tot doel om de milieu-impact van deze ontwikkeling te onderzoeken.
De initiatiefnemer van een project-MER, in dit geval Indaver nv, brengt de administratie (de Dienst Mer) op de hoogte van het voornemen tot opstelling van een project-MER door middel van een aanmelding. Deze aanmelding omvat voor dit project tevens een verzoek tot scopingsadvies.
Inhoud en doelstelling aanmelding met verzoek tot scopingsadvies
Een aanmelding omvat minimaal:
een beschrijving van het project, de overwogen alternatieven, de bestaande vergunningstoestand, de aan te vragen vergunningen, de te onderzoeken aanzienlijke effecten die het project vermoedelijk zal hebben, het voorgestelde MER-team en taakverdeling, een beschrijving van het procesverloop.
Een aanmelding met verzoek tot scopingsadvies omvat tevens:
een voorstel van de inhoud van het project-MER en de methodologie.
Bij een dergelijk verzoek tot scoping bezorgt de dienst Mer de aanmelding aan de bevoegde adviesinstanties (administraties, overheidsinstellingen en openbare besturen) die op basis van de geografische ligging van het project en van de mogelijke te verwachten aanzienlijke effecten geselecteerd worden.
Het doel van een verzoek tot scoping is de administraties voldoende informatie te verschaffen over het geplande project en de manier waarop een milieueffectrapport dat project zal bestuderen, evalueren en beoordelen, zodat zij reeds in een vroege fase extra elementen kunnen aanbrengen die in het MER aanvullend mee in beschouwing moeten worden genomen om de effectenstudie zo volledig mogelijk te maken.
Er wordt voor dit project-MER geen terinzagelegging voorzien, voorafgaand aan de vergunningsaanvraag.
De Dienst Mer duidt de administraties aan die, met het oog op een advies, een afschrift van de volledig verklaarde 'aanmelding' ontvangen. Het gaat hierbij o.a. om:
het college van burgemeester en schepenen van de betrokken stad of gemeente(n); de provinciegouverneur van de betrokken provincie(s); de door de Vlaamse regering aangewezen administraties en organisaties vertegenwoordigd in SERV en
MINA.
Datum: april 2018
3 van 92
PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN
Het terrein bevindt zich op 4,6 km afstand van de Nederlandse grens. Grensoverschrijdende effecten die in voorgaande MER's werden vastgesteld waren zeer beperkt, maar kunnen niet volledig uitgesloten worden. Indien de Dienst Mer oordeelt dat de grensoverschrijdende procedure gevolgd wordt, zullen de grensoverschrijdende adviesinstanties (Nederlandse gemeente `Woensdrecht' ligt deels binnen 5 km) geraadpleegd worden (zie hoofdstuk 8).
De geraadpleegde adviesinstanties bezorgen hun advies aan de Dienst Mer binnen de 30 dagen. De Dienst Mer neemt uiterlijk binnen de 60 dagen na ontvangst een beslissing over de aanmelding. Doorgaans gaat hier een vergadering aan vooraf. De beslissing bevat een advies over de voorgestelde methodologie van effectbeoordeling. De aanmelding en de beslissing (scopingadvies) worden bekend gemaakt op de website van de Dienst Mer.
Daarop wordt het project-MER opgesteld door erkende MER-deskundigen o.l.v. een MER-cordinator volgens de voorgestelde methodologie beschreven in de aanmelding en rekening houdend met het advies hierover van de Dienst Mer.
Doelstelling project-MER
Het doel van het project-MER is een zo concreet mogelijk beeld te geven van de te verwachten gevolgen voor mens en milieu van een project en eventuele alternatieven en aan te geven hoe negatieve effecten kunnen vermeden, gemilderd, verholpen of gecompenseerd worden.
Voorafgaand aan de vergunningsprocedure is bij een participatief traject een openbare raadpleging van het ontwerp-MER mogelijk. Voor dit project wordt gekozen om geen openbare raadpleging te houden, voorafgaand aan de vergunningsaanvraag.
Alvorens de vergunningsaanvraag in te dienen bij de vergunningverlener, kan de initiatiefnemer een voorlopige goedkeuring van het project-MER vragen aan de dienst Mer. De initiatiefnemer kiest er dus voor dat de Dienst Mer de kwaliteit van het project-MER aftoetst voorafgaand aan de vergunningsaanvraag. De Dienst Mer neemt binnen de 30 dagen na ontvangst (betekening na 40 dagen) een beslissing over deze voorlopige goed- of afkeuring.
Bij voorlopige goedkeuring, zal de vergunningsaanvraag worden ingediend, vergezeld van het project-MER. De vergunningverlenende overheid beschikt over 30 dagen om na te gaan of het dossier ontvankelijk en volledig is. Zodra de vergunning ontvankelijk en volledig wordt bevonden, wordt er een adviesvraag over de vergunningsaanvraag en het project-MER verstuurd naar de relevante adviesinstanties. De termijn voor advies op het project-MER bedraagt 30 dagen na verzending van de adviesvraag (termijn voor advies over vergunning bedraagt daarentegen 60 dagen). Er wordt binnen 10 dagen tevens een openbaar onderzoek (O.O.) georganiseerd. Het publiek beschikt over 30 dagen om opmerkingen te geven op de vergunning en eventueel op het project-MER.
Rekening houdend met de ingesproken reacties tijdens het openbaar onderzoek en de ontvangen adviezen, beslist de dienst Mer 60 dagen na de beslissing over de volledigheid en ontvankelijkheid over de goed- of afkeuring van het project-MER. De dienst Mer informeert de initiatiefnemer en de vergunningverlenende overheid en in voorkomend geval de omgevingsvergunningscommissie over haar beslissing en heeft hiervoor 10 dagen.
Indien het project-MER wordt afgekeurd, stopt de vergunningsprocedure van rechtswege. Bij een goedkeuring van het project-MER kan de procedure voortgezet worden.
Het goedgekeurde project-MER en het project-MER-verslag (opgesteld door de administratie) liggen vanaf de betekening van de beslissing ter inzage bij de Dienst Mer en worden ter beschikking gesteld op haar website.
Datum: april 2018
4 van 92
PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN
INHOUDSOPGAVE
WOORD VOORAF
LIJST MET AFKORTINGEN
VERKLARENDE WOORDENLIJST
LEESWIJZER
1 INLEIDING
1.1 1.1.1 1.1.2 1.1.3 1.1.4
Beknopte beschrijving van het project Doelstelling Vergunde activiteiten en aan te vragen vergunning Achtergrond aanmelding project-MER Verantwoording van het project
1.2 1.2.1 1.2.2
Toetsing aan de project-MER-plicht MER-besluit Hervergunning
1.3
Initiatiefnemer
1.4 1.4.1 1.4.2
Team van MER-deskundigen Interne deskundigen Externe deskundigen
2 RUIMTELIJKE, ADMINISTRATIEVE, JURIDISCHE EN BELEIDSMATIGE
SITUERING VAN HET PROJECT
2.1 2.1.1 2.1.2
Ruimtelijke situering Ligging van het geplande project Bestemming volgens het gewestplan en ruimtelijke uitvoeringsplannen
2.2 2.2.1 2.2.2 2.2.3
Administratieve voorgeschiedenis Stedenbouwkundige vergunningen Milieuvergunningen Lopende en geplande vergunningsaanvragen Grondwaterwinning
Datum: april 2018
3
10
11
12
13
13 13 13 14 14 14 14 14 15 15 15 15
17
17 17 19 20 20 20 23 23
5 van 92
PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN
2.2.4 2.2.5 2.3
Aanpassingen aan IndaChem Recovery (Solventrecyclage) Plastic to Chemicals (P2C) Relevante bijzondere voorwaarden uit de huidige milieuvergunning Bestaande milieustudies m.b.t. het projectgebied
Juridische en beleidsmatige randvoorwaarden
3 PROJECTBESCHRIJVING
3.1
Afbakening van het project
3.2
Beschrijving van de activiteiten
3.2.1 Algemeen
3.2.2 Ontvangst en controle van aangevoerde afvalstoffen
3.2.3 Draaitrommelovens (DTO1, DTO2 en DTO3)
3.2.4
Aanlevering Verbranding en gaszuivering Reststromen Voornaamste milieuaspecten van de DTO's IndaChem
3.2.5
IndaChem Liquids: verwerking van vloeibaar anorganisch afval IndaChem Solids: solidificatie van vast anorganisch afval Voornaamste milieuaspecten van IndaChem Liquids en IndaChem Solids IndaChem Recovery
3.2.6 IndaChem Storage: Categorie 1 deponie
3.2.7
Afvalstoffen Situering IndaChem Storage t.o.v. andere aangrenzende deponien Huidige deponie van Indaver Toekomstige uitbreiding: 3-valleien-project Uitbating IndaChem Storage Voornaamste milieuaspecten van IndaChem Storage Watergebruik - Waterzuivering
3.2.8
Watergebruik Grondwaterwinning AMORAS-water Waterzuivering Demoplant Plastic-To-Chemicals (P2C)
4 ALTERNATIEVEN
4.1
Nulalternatief
4.2
Locatiealternatieven
4.3
Uitvoeringsalternatieven
Datum: april 2018
23 23 23 25 27
43
43 43 43 45 45 47 47 50 50 50 50 52 54 54 55 55 55 56 57 58 59 60 60 60 60 61 61
63
63 63 63
6 van 92
PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN
5 REFERENTIESITUATIE, GEPLANDE SITUATIE EN
ONTWIKKELINGSSCENARIO'S
5.1
Referentiesituatie
5.2 5.2.1 5.2.2
Geplande situatie Aanlegfase Exploitatiefase
5.3
Ontwikkelingsscenario's
6 INGREEP-EFFECTRELATIES
6.1
Lucht
6.2
Oppervlaktewater
6.3
Bodem en grondwater
6.4
Geluid en trillingen
6.5
Biodiversiteit
6.6
Mens
6.7
Overige disciplines: Landschap, bouwkundig erfgoed en archeologie
6.8
Ingreep-effecttabel
6.9
Interdisciplinaire gegevensoverdracht
7 EFFECTBESCHRIJVING EN -BEOORDELING
7.1 7.1.1 7.1.2 7.1.3 7.1.4
Lucht Afbakening van het studiegebied Beschrijving van de referentiesituatie Effectbeschrijving en -beoordeling Milderende maatregelen
7.2 7.2.1 7.2.2
7.2.3 7.2.4
Oppervlaktewater Afbakening van het studiegebied Beschrijving van de referentiesituatie en lozing Referentiesituatie oppervlaktewater Referentiesituatie lozing Geplande situatie lozing AMORAS-Water Effectbeschrijving en -beoordeling Milderende maatregelen
7.3 7.3.1 7.3.2
Bodem en grondwater Afbakening van het studiegebied Beschrijving van de referentiesituatie
Datum: april 2018
65
65 65 65 65 66
67
67 67 67 67 68 68 68 68 69
71
71 71 71 72 73 74 74 74 74 74 74 74 74 77 77 77 77
7 van 92
PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN
7.3.3 Effectbeschrijving en -beoordeling
77
Bodem en/of grondwaterverontreiniging
77
Grondwaterwinning
78
7.3.4 Milderende maatregelen
78
7.4
Geluid en trillingen
79
7.4.1 Afbakening van het studiegebied
79
7.4.2 Beschrijving van de methodiek
79
7.4.3 Beschrijving van de referentiesituatie
79
7.4.4 Effectbeschrijving en -beoordeling
80
7.4.5 Milderende maatregelen
81
7.5
Biodiversiteit
82
7.5.1 Afbakening van het studiegebied
82
7.5.2 Beschrijving van de referentiesituatie
82
7.5.3 Effectbeschrijving en -beoordeling
83
7.5.4 Milderende en compenserende maatregelen
83
7.6
Mens
84
7.6.1 Afbakening van het studiegebied
84
7.6.2 Beschrijving van de referentiesituatie
84
7.6.3 Effectbeschrijving en -beoordeling
84
7.6.4 Milderende maatregelen
85
7.7
Andere milieueffecten
85
7.7.1 Mobiliteit
85
7.7.2 Landschap, bouwkundig erfgoed en archeologie
85
7.7.3 Klimaat
85
8 GRENSOVERSCHRIJDENDE EFFECTEN
87
BIJLAGE 1: KAARTENBUNDEL
89
COLOFON
92
Datum: april 2018
8 van 92
PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN
TABELLEN
Tabel 2.1 Overzicht stedenbouwkundige vergunningen Deponien
20
Tabel 2.2 Overzicht milieuvergunningen
20
Tabel 2.3 : Lozingsvoorwaarden van toepassing in 2018
24
Tabel 2.4 : Bestaande milieustudies Indaver nv
25
Tabel 2.5: Overzicht juridische en beleidsmatige randvoorwaarden
27
Tabel 6.1: Ingreep-effectmatrix
68
Tabel 7.1 Significantiekader voor jaargemiddelden
73
Tabel 7.2 Significantiekader voor uur- en daggemiddelden (percentielen)
73
Tabel 7.3: Significantiekader permanente impact discipline water
75
Tabel 7.4: Significantiekader tijdelijke impact discipline water: niet gevaarlijke stoffen
76
Tabel 7.5: Significantiekader tijdelijke impact discipline water: gevaarlijke stoffen
76
Tabel 7.6: Significantiekader voor de discipline Geluid
80
FIGUREN
Figuur 2.1 Situering van Indaver
17
Figuur 2.2: Uittreksel GRUP Afbakening Zeehavengebied Antwerpen
19
Figuur 3.1 Overzicht van de beschikbare installaties bij Indaver nv te Antwerpen.
44
Figuur 3.2 Schema DTO1 en DTO2
46
Figuur 3.3 Schema DTO3 (MediPower)
46
Figuur 3.4: Blokschema DTO's
48
Figuur 3.5: Schema IndaChem Liquids
52
Figuur 3.6: Schema IndaChem Solids - Solidificatie
53
Figuur 3.7: Situering deponien
56
Figuur 3.8 Situering van de verschillende fasen van de deponien van Indaver (Bron: Indaver).
57
Figuur 3.9: Situering 3-valleien-project
58
Datum: april 2018
9 van 92
PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN
LIJST MET AFKORTINGEN
BBT BZV CZV DOV DPA 3V DTO GRUP MER m.e.r. MKN RUP SBZ TW VEN Vlarebo Vlarem VMM
Beste beschikbare technologie Biologische Zuurstofvraag Chemische Zuurstofvraag Databank ondergrond Vlaanderen Deponie Antwerpen 3 Valleien-project Draaitrommeloven Gewestelijk Ruimtelijk Uitvoeringsplan Milieueffectrapport Milieueffectrapportage Milieukwaliteitsnorm Ruimtelijk Uitvoeringsplan Speciale beschermingszone Toetsingswaarde Vlaams Ecologisch Netwerk Vlaams Reglement betreffende de bodemsanering Vlaams Reglement betreffende de milieuvergunning Vlaamse Milieumaatschappij
Datum: april 2018
10 van 92
PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN
VERKLARENDE WOORDENLIJST
BZV CZV Depositie Emissie Geleide emissie Grenswaarde Immissie
NEC-richtlijn Niet-geleide emissie Omgevingsgeluid Vuilvracht
Biochemische zuurstofvraag: De hoeveelheid zuurstof die per volume-eenheid verontreinigd water voor de zuivering ervan door micro-organismen wordt verbruikt bij een bepaalde temperatuur gedurende een bepaalde tijd.
Chemische zuurstofvraag: De hoeveelheid zuurstof die per volume-eenheid (verontreinigd) water nodig is om de in het water aanwezig zijnde verbindingen chemisch te oxideren.
Hoeveelheid van een stof of een groep van stoffen die uit de atmosfeer neerkomen in een gebied, uitgedrukt als een hoeveelheid per tijdseenheid per oppervlakte eenheid (bvb. 10 kg SO2/dag/ha).
Elke inbreng door de mens van verontreinigingsfactoren in de atmosfeer, de bodem of het water.
Is een bron (uitlaat, schoorsteen) waarvoor welbepaalde fysische kenmerken bestaan (ligging, hoogte, diameter) en een in principe meetbare volumestroom.
Waarde (vaak concentratiecijfer van immissie) die niet overschreden mag worden. Een overschrijding van deze waarde moet aanleiding geven tot het treffen van maatregelen.
De wijziging van de aanwezigheid van verontreinigingsfactoren in atmosfeer, bodem of water rond n of meer bronnen van verontreiniging ten gevolge van emissie uit deze bron of bronnen, omgevingsmeetwaarden.
NEC staat voor 'national emission ceilings' ofwel nationale emissieplafonds. In de NEC-richtlijn 2001/81/EC worden per EU-lidstaat plafonds toegekend voor de totale emissies van zwaveldioxide (SO2), stikstofoxiden (NOx), vluchtige organische stoffen (VOS) en ammoniak (NH3) in 2010.
Elke emissie anders dan een geleide emissie.
Het geluid op een gegeven plaats en op een gegeven ogenblik; dat geldt zowel in open lucht als in een gesloten ruimte
Maat voor de vervuilingsgraad van afvalwater. Het is de som van hoeveelheden per tijdseenheid (g/s) aan vervuilende stoffen, verkregen door de concentraties (g/m) te vermenigvuldigen met het debiet van het geloosde afvalwater (m/s).
Datum: april 2018
11 van 92
PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN
LEESWIJZER
Deze aanmelding omvat 9 hoofdstukken. De figuren die niet opgenomen zijn in de tekst en de bijlagen zitten achteraan in het rapport. Achteraan bevindt zich tevens een literatuurlijst.
De aanmelding bevat achtereenvolgens de volgende hoofdstukken:
Hoofdstuk 1: Inleiding
Geeft een korte situering en beschrijving van het project, de toetsing aan de MER-plicht, de initiatiefnemer van het project, de cordinator van het MER en de samenstelling van het team van deskundigen. In dit hoofdstuk wordt tevens duidelijk welke disciplines in het MER behandeld zullen worden.
Hoofdstuk 2: Ruimtelijke, administratieve, juridische en beleidsmatige situering
Geeft in eerste instantie een ruimtelijke situering van het project. De administratieve voorgeschiedenis bespreekt de relevante vergunningen en rapporten die in het kader van het voorliggend project lopende of goedgekeurd zijn. In dit hoofdstuk worden tevens alle relevante juridische en beleidsmatige randvoorwaarden besproken met een duiding van hun relevantie in het kader van het project.
Hoofdstuk 3: Projectbeschrijving
Geeft een afbakening van het project, de verantwoording, een beschrijving van de productie-installaties, ondersteunende installaties, gebruik van grondstoffen, geproduceerde hoeveelheden, afvalstoffen, transport enz.
Hoofdstuk 4: Alternatieven
Geeft een bespreking van het nulalternatief, eventuele locatie- en/of uitvoeringsalternatieven en een BBTtoetsing.
Hoofdstuk 5: Referentiesituatie, geplande situatie en ontwikkelingsscenario's
Geeft een definitie van wat er verstaan wordt onder referentiesituatie en geplande situatie en of er eventuele autonome of geplande ontwikkelingen (ontwikkelingsscenario's) moeten bekeken worden.
Hoofdstuk 6: Ingreep-effectrelaties
In hoofdstuk 6 wordt een globale analyse en afbakening van de te verwachten milieueffecten weergegeven. In dit hoofdstuk wordt tevens een ingreep-effect matrix opgenomen waarin de mogelijke effecten tijdens de relevante fases van het project (constructiefase, exploitatiefase) worden opgesomd.
Hoofdstuk 7: Effectbeschrijving en -beoordeling
Geeft per discipline een beschrijving van de methodiek die zal gehanteerd worden voor de beschrijving van de referentiesituatie, de beschrijving en beoordeling van de milieueffecten en de formulering van milderende en/of compenserende maatregelen.
Hoofdstuk 8: Grensoverschrijdende effecten
Geeft aan of er grensoverschrijdende effecten verwacht worden.
Datum: april 2018
12 van 92
PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN
1
INLEIDING
1.1
Beknopte beschrijving van het project
1.1.1 Doelstelling
Indaver nv baat op haar site te Antwerpen o.a. installaties voor verbranding van industrile en gevaarlijke afvalstoffen en een stortplaats uit.
De basisvergunning voor de afvalverwerkingsinstallaties en de stortplaats op deze site vervalt op 1 januari 2020. Indaver nv wenst een hernieuwing van deze vergunning te bekomen om de reguliere operaties te kunnen verder zetten.
Aangezien de verbrandingsoven en de deponie m.e.r.-plichtig zijn, dient voor de hernieuwing van de vergunning een m.e.r.-procedure te worden opgestart. In het MER zal de milieu-impact als gevolg van alle activiteiten op de site besproken worden.
1.1.2 Vergunde activiteiten en aan te vragen vergunning
De voornaamste vergunde activiteiten zijn:
IndaChem Storage: een categorie 1-stortplaats voor het storten van gevaarlijke afvalstoffen, in volgende fasen: Fase 1: Deponie 1: volgestort; Fase 2: Deponie 2: volgestort en zal afgedekt zijn bij bekomen van hervergunning; Fase 3: Deponie 3: zal volgestort en afgedekt zijn bij bekomen van hervergunning; Fase 4: Deponie 4: "kleine vallei" of DPA-vallei: zal volgestort en afgedekt zijn bij bekomen van hervergunning; Fase 5: Deponie Antwerpen 3 valleien-project (DPA 3V): inrichtingswerken in uitvoering. Eind 2018 wordt de start van de exploitatie verwacht.
Thermische Behandeling Antwerpen (TBA): 3 draaitrommelovens: DTO1 en DTO2: vaste, vloeibare, pasteuze bedrijfs- en bijzondere afvalstoffen, elk met capaciteit van ca. 7 ton afvalstoffen per uur. DTO3 (MediPower): Risicohoudend Medisch Afval + verpakt afval + solventen + laag calorische vloeistoffen, voor een capaciteit van ca. 3 ton afvalstoffen per uur.
IndaChem Liquids (oude benaming: Fysicochemie 1): installatie voor de verwerking door oxidatie, reductie, immobilisatie, neutralisatie en slibontwatering van nagenoeg uitsluitend anorganische en onbrandbare afvalstoffen en de verwerking van afvalolie-emulsies. De vergunde capaciteit bedraagt 25.000 ton afvalstoffen per jaar.
IndaChem Solids (oude benaming: Fysicochemie 2): installatie voor het fysicochemisch behandelen van anorganische afvalstoffen via solidificatie, neutralisatie, metaal-immobilisatie, anionimmobilisatie en het steekvast maken. De vergunde capaciteit bedraagt 60.000 ton afvalstoffen per jaar.
IndaChem Recovery (oude naam Solventenrecyclage): installatie voor de recuperatie van solventen en toegerust met een distillatie-eenheid. De vergunde capaciteit bedraagt 9.000 ton afvalstoffen per jaar. De bestaande installatie ligt sinds enige tijd stil en zal onder licht aangepaste vorm terug opgestart worden.
De aangevraagde vergunning betreft: de hernieuwing van de hoger genoemde, vergunde activiteiten, zowel de afvalverwerkingsinstallaties als
de deponie. Op de categorie 1-stortplaats fase 1 t/m 4 zal na de hernieuwing van de vergunning enkel nog nazorg plaatsvinden. Vanaf eind 2018 zullen enkel stortactiviteiten plaatsvinden op de nieuwe deponie van Indaver in het 3-valleienproject (DPA 3V); wijziging van Indachem Liquids: vervanging van 1 batchreactor door 3 kleine doorstoomreactoren; beperkte aanpassingen aan de IndaChem Recovery (nieuwe losplaats en aanpassingen van het proces binnen de bestaande installatie). Nieuwe Demo-plant Plastic-to-Chemicals (P2C).
Datum: april 2018
13 van 92
PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN
1.1.3 Achtergrond aanmelding project-MER
De meest recente project-MER's voor Indaver nv zijn de volgende:
2009: PRMER-0332: Ombouw van de statische oven op de site te Antwerpen. 2012: PRMER-0615: Uitbreiding van de deponie van Indaver nv te Antwerpen, om de stortcapaciteit te
vergroten van 2.700.000 m naar 3.200.000 m. 2016: PRMER-2231: Het 3-valleien-project: Opvullen van de valleien tussen de deponien van Indaver,
AMORAS en Hooge Maey, voor uitbreiding van de deponie van Indaver NV en AMORAS te Antwerpen.
In dit MER zal de milieu-impact als gevolg van alle activiteiten op de site besproken worden.
1.1.4 Verantwoording van het project
De basisvergunning voor de stortplaats en de afvalverwerkingsinstallaties op de site van Indaver nv, gelegen aan de Poldervlietweg 5, Haven 550, 2030 Antwerpen te Antwerpen, vervalt op 1 januari 2020. Indaver wenst ook na deze datum haar activiteiten verder te zetten. Hiermee zet Indaver nv deze site verder in om mee de maatschappelijke omslag te maken naar een circulaire economie. De gentegreerde set aan afvalbehandelingsinstallaties maakt deze site uniek een zeer relevant als sluitstuk in de maatschappelijke uitdagingen waar we vandaag als maatschappij mee geconfronteerd worden. Daarnaast is een verderzetting ook van belang voor de tewerkstelling van de werknemers. Een hervergunning van de inrichting is in dit opzicht noodzakelijk en wenselijk..
1.2
Toetsing aan de project-MER-plicht
1.2.1 MER-besluit
Het m.e.r.-besluit van 10 december 2004 verdeelt m.e.r.-plichtige projecten in 3 categorien. Een 1ste categorie van projecten is steeds onderworpen aan de m.e.r.-plicht (Bijlage I van voornoemd m.e.r.-besluit), een 2de categorie kan via een gemotiveerd verzoek ontheven worden van de m.e.r.-plicht (Bijlage II van voornoemd m.e.r.-besluit). De 3de categorie omvat projecten die onder de drempelwaarde van Bijlage II vallen (Bijlage III van voornoemd m.e.r.-besluit). Hiervoor dient door middel van een project-m.e.r.-screening nagegaan te worden of deze aanleiding geven tot aanzienlijke milieueffecten.
De vergunde activiteiten van Indaver nv zijn onderworpen aan de m.e.r.-plicht overeenkomstig Bijlage 1, categorie 13) `Afvalverwijderingsinstallaties voor de verbranding, zoals gedefinieerd in punt D10 van artikel 4.2.1 VLAREMA, de chemische behandeling, zoals gedefinieerd in punt D9 van artikel 4.2.1 VLAREMA of het storten van gevaarlijke afvalstoffen'.
1.2.2 Hervergunning
Specifiek voor de hervergunning van bestaande activiteiten vermeldt de regelgeving (Decreet algemene bepalingen milieubeleid (DABM) van 5 april 1995, Artikel 4.3.2, 2bis):
"De verplichting tot het uitvoeren van een project-m.e.r. geldt niet voor de loutere hernieuwing van de omgevingsvergunning en de omzetting, vermeld in artikel 70 respectievelijk 390 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, tenzij de loutere hernieuwing van de vergunning of de omzetting betrekking heeft op activiteiten die fysieke ingrepen in het leefmilieu tot gevolg hebben."
Onder een fysieke ingreep op het leefmilieu wordt verstaan de realisatie van een project zoals onder meer de verdere uitvoering van ontginningswerken, relifwijzigingen, opvullen putten en stortplaatsen, bronbemalingen, ontbossing, ed.
Daar de hervergunning van de Deponie wel als een fysieke ingreep in het leefmilieu wordt aanzien, wordt ervan uitgegaan dat er voor de hervergunning van de activiteiten van Indaver wel een MER nodig is.
Datum: april 2018
14 van 92
PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN
1.3
Initiatiefnemer
De initiatiefnemer voor de opmaak van dit MER is:
Indaver nv
Haven 550 -- Poldervlietweg 5
2030 Antwerpen
KBO-nummer: 0427.973.304
VE-nummer: 2.030.431.318
De contactpersoon voor het MER is:
Stijn Jardin, Milieucordinator
Tel . : 03/568.49.59 - fax. : 03/568.49.99
e-mail:
e.indaver.be
e ARCADIS
Design &Consultancy for naturaland buitt assets
1.4
Team van MER-deskundigen
Volgens de Vlaamse wetgeving dient een MER opgesteld te worden door erkende MER-deskundigen. Naast externe deskundigen bestaat het team van deskundigen ook uit interne deskundigen die optreden in naam van de initiatiefnemer.
1.4.1 Interne deskundigen
Volgende personen treden op als interne deskundigen bij de opmaak van het MER:
Stijn Jardin, Milieucordinator Indaver nv Chantal Jonkers, Manager Quality & Environment
1.4.2 Externe deskundigen
Onderstaande team van erkende MER-deskundigen zal instaan voor de uitwerking van het MER:
Frank Van Daele
Type erkenning Lucht
Ref. Ministerieel Besluit
MB/MER/EDA/481-V3
Duurtijd erkenning Onbepaalde duur
Bert Gielen
Oppervlaktewater
MB/MER/EDA-433
Onbepaalde duur
Hilde De Lembre An Tombeur Mieke Deconinck
Bodem en grondwater
Mens -- deeldomein gezondheid
Biodiversiteit
MB/MER/EDA-282-V4 ERK/MER/2016/00001 MB/MER/EDA/590-V2
Onbepaalde duur Onbepaalde duur Onbepaalde duur
Datum: april 2018
15 van 92
PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN
ARCADIS
Design & Consultancy for natural and huilt assets
Stephan Claes (Vingotte Geluid & trillingen Environment)
MB/MER/EDA-271
Onbepaalde duur
De meeste externe deskundigen zijn tewerkgesteld bij ARCADIS Belgium NV. De discipline Geluid & trillingen wordt door Vin9otte Environment uitgevoerd. De coordinatie wordt verzorgd door Frank Van Daele, met medewerking van An Tombeur en Kim Driesen.
Contactadres: ARCADIS Belgium, City Link 2, Posthofbrug 12, 2600 Antwerpen @arcadis.com)
Voor de discipline landschap, bouwkundig erfgoed en archeologie' wordt voorgesteld om geen uitwerking door een erkend deskundige te voorzien, gezien wordt verondersteld dat het project geen significante impact zal veroorzaken ten aanzien van deze discipline. Deze discipline zal in globo door de coordinator worden behandeld, waarbij de mogelijke impact steeds besproken en gevalueerd wordt op basis van de voorgestelde methodiek.
Iedere deskundige draagt de eindverantwoordelijkheid voor de inhoud van de disciplines waarvoor hij/zij erkend is. De coordinator draagt de eindverantwoordelijkheid voor het totale MER. Hij/zij draagt er zorg voor dat de inhoud van alle disciplines op elkaar worden afgestemd en dat de overdracht van de noodzakelijke gegevens van de ene discipline naar de andere tijdig en correct gebeurt. Hij/zij staat tevens in voor het opmaken van de eindsynthese en de niet-technische samenvatting. Hij/zij is het primaire aanspreekpunt voor de interne deskundigen en de verantwoordelijken bij de Dienst Mer.
Datum: april 2018
16 van 92
PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN
2
RUIMTELIJKE, ADMINISTRATIEVE, JURIDISCHE EN
BELEIDSMATIGE SITUERING VAN HET PROJECT
2.1
Ruimtelijke situering
2.1.1 Ligging van het geplande project
De site van Indaver te Antwerpen is gelegen in het Antwerpse havengebied ten noorden van Antwerpencentrum op de rechteroever van de Schelde. Het bedrijf is gelegen te Poldervlietweg 5, Haven 550, 2030 Antwerpen, en grenst aan de verkeerswisselaar van de A12 Antwerpen-Bergen op Zoom en de R2, die de A12 via de Thijsmans- en Liefkenshoektunnels verbindt met de E34/A11 Antwerpen-Zelzate.
De ingang van het bedrijf bevindt zich langsheen de Poldervlietweg, die via lokale wegen vanaf de A12 of de R2 bereikt kan worden (zie Figuur 2.1). Kaart 1 in (Bijlage 1: Kaartenbundel) toont de ligging van Indaver op een topografische kaart. Kaart 2 toont de site op een luchtfoto.
Figuur 2.1 Situering van Indaver
Het bedrijfsterrein is begrensd door:
in het noorden: in het oosten: in het zuiden: in het westen:
autoweg R2; autoweg A12; stortplaatsen AMORAS en Hooge Maey; spoorweg die vertrekt van het Vormingsstation Antwerpen-Noord.
In het zuiden is de aangegeven terreingrens gelegen tussen de Indaver stortplaats en de stortplaatsen van respectievelijk Hoge Maey en Amoras. De ruimte (`valleien') tussen deze stortplaatsen zijn of worden eveneens volgestort, waardoor de begrenzing van het terrein hier complex is. Voor een toelichting van de ligging van de respectievelijke stortplaatsen (met 3D-figuren) verwijzen we naar paragraaf 3.2.6.
Indaver nv ligt in het noordelijke deel van de Antwerpse haven, in een zone die volgens het gewestplan en volgens het GRUP Afbakening Zeehavengebied Antwerpen (2013) respectievelijk wordt aangeduid als
Datum: april 2018
17 van 92
PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN
industriegebied en als gebied voor zeehaven- en watergebonden bedrijven binnen de bestemmingscategorie `Bedrijvigheid' (zie Kaart 3).
De meest nabij gelegen woonzones zijn: Stabroek: op ca. 1,5 km ten noordoosten Berendrecht: op ca. 3 km ten noorden Hoevenen: op ca. 3 km ten oosten
Deze dorpskernen zijn hoofdzakelijk bestemd als woongebied.
Het terrein bevindt zich op 4,6 km afstand van de Nederlandse grens. Grensoverschrijdende effecten die in voorgaande MER's werden vastgesteld waren zeer beperkt, maar kunnen niet volledig uitgesloten worden. Indien de Dienst Mer oordeelt dat de grensoverschrijdende procedure gevolgd wordt, zullen de grensoverschrijdende adviesinstanties (Nederlandse gemeente `Woensdrecht' ligt deels binnen 5 km) geraadpleegd worden (zie hoofdstuk 8).
In de omgeving zijn enkele waardevolle natuurgebieden gelegen (zie Kaart 7):
Schorren en polders van de Beneden-Schelde: aangeduid als Vogelrichtlijngebied, gelegen op ca. 60 m ten oosten van het projectgebied;
De Kuifeend en de Blokkersdijk: aangeduid als Vogelrichtlijngebied en erkend natuurreservaat, gelegen op ca. 800 m ten zuiden van het projectgebied.
Langs de Scheldeoever bevindt zich een smalle strook VEN-gebied, nl. `Slikken en schorren langsheen de Schelde'.
In de nabije omgeving van het bedrijfsterrein komen geen beschermde monumenten, stads- of dorpsgezichten en landschappen voor (zie Kaart 9).
De milieudoelstellingen oppervlaktewaterkwaliteit zijn type-specifiek ingevuld, d.w.z. dat ze kunnen verschillen al naargelang het type oppervlaktewaterlichaam. De Schelde en de Antwerpse havendokken (Kanaaldok B2) zijn de belangrijkste oppervlaktewateren in de omgeving (zie Kaart 4). Dit gedeelte van de Schelde (Zeeschelde IV, waterlichaamcode VL08-43) behoort tot het Beneden-Scheldebekken (en moet voldoen aan de milieudoelstellingen voor de categorie `overgangswater', met als type brak macrotidaal laaglandestuarium'. Het waterlichaam heeft het statuut van `sterk veranderd waterlichaam'. De havendokken (VL05-187) zijn getypeerd als `zeer licht brak meer'. De havendokken zijn kunstmatige waterlichamen. Ten oosten van het bedrijfsterrein (aan de andere kant van de autoweg) is een afwateringsgracht gelegen die het water naar de Schelde voert. De `Verlegde Schijn' `Hoofdgracht' en `Voorgracht' zijn getypeerd als `Grote beek Kempen' en hebben het statuut `sterk veranderd waterlichaam'.
Het zuidelijk deel van het bedrijfsterrein van Indaver nv is gelegen in mogelijk overstromingsgevoelig gebied. Het noordelijk deel is niet gelegen in overstromingsgevoelig gebied. Het bedrijfsterrein van Indaver nv is noch in een waterwingebied, noch in een landschappelijk beschermd gebied gelegen. Voor de situering ten opzichte van overstromingsgebieden, natuurgebieden en landschappelijk waardevolle gebieden wordt verwezen naar de corresponderende kaarten in Bijlage 1: Kaartenbundel.
Het bedrijfsterrein heeft een totale oppervlakte van 31 ha (afbakening in Figuur 2.1; deze oppervlakte is exclusief meest recente fasen van de deponie aansluiten op de aangrenzende deponien - `Valei'projecten). Hiervan is vrijwel volledig in gebruik (deponie, procesinstallaties, gebouwen en bedrijfswegen). Een aantal van deze deelgebieden worden niet in beschouwing genomen met betrekking tot deze studie, met name een klein braakliggend gedeelte, gebouwen en de bedrijfswegen.
De deponie en de procesinstallatie behoren wel tot de scope van deze studie en werden in verschillende fasen in gebruik genomen. Op 23 maart 2017 werd de vergunning bekomen voor het 3-valleien-project. Hierbij ontstaat de opportuniteit voor Indaver nv om zonder bijkomende terreininname een nieuwe stortplaats in te richten met een bruto capaciteit van ca. 5.000.000 m. Deze deponie is momenteel in fase van inrichting met voorziene exploitatie eind 2018. De overige deponien zullen bij ingang van de hernieuwing opgevuld en afgedekt zijn. Hiervoor zal enkel nog nazorg nodig zijn.
Datum: april 2018
18 van 92
PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN
2.1.2
Bestemming volgens het gewestplan en ruimtelijke uitvoeringsplannen
Op het Gewestplan Antwerpen, vastgesteld bij Koninklijk Besluit van 3 oktober 1979, is de zone waarin het bedrijf gelegen is, aangeduid als industriegebied (Gewestplan nr. 14 Antwerpen, kaartblad 15/3). Volgens de bepalingen van het Gewestplan zijn industriegebieden bestemd voor de vestiging van industrien of ambachtelijke bedrijven.
Daarnaast is het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan `Afbakening zeehavengebied Antwerpen' van toepassing. Dit GRUP werd op 30 april 2013 definitief vastgesteld door de Vlaamse regering. Binnen dit GRUP wordt het projectgebied aangeduid als specifiek regionaal bedrijventerrein voor afvalverwerking en recyclage. Het gebied is bestemd voor regionale bedrijven met afvalverwerkende en recyclerende activiteiten. Daarnaast zijn ook de verwerking en bewerking van mest of slib en grondopslag en grondbewerking en -verwerking toegelaten.
In het GRUP werd volgende beleidsvisie m.b.t. het gebied uitgewerkt:
de bestaande haven bestendigen; aanleg van buffers en leefbaarheidsbuffers; voldoende afstand tussen de kernen en de zeehaven; aanleg van een kraal van natuurelementen rondom de zeehaven; uitbouw van de ecologische infrastructuur.
In onderstaande figuur wordt een uittreksel uit het betreffende GRUP weergegeven.
Figuur 2.2: Uittreksel GRUP Afbakening Zeehavengebied Antwerpen
Indaver is gelegen in gebied met bestemming `Specifiek regionaal bedrijventerrein voor afvalverwerking en recyclage'. Er gelden volgende stedenbouwkundige voorschriften (artikel R2 van het GRUP):
Het gebied is bestemd voor regionale bedrijven met afvalverwerkende en recyclerende activiteiten.
Datum: april 2018
19 van 92
PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN
Daarnaast zijn de volgende activiteiten toegelaten:
- verwerking en bewerking van mest of slib; - grondopslag en grondbewerking en -verwerking
Installaties voor het opwekken van hernieuwbare energie, energierecuperatie of warmtekrachtkoppeling zijn toegelaten.
2.2
Administratieve voorgeschiedenis
2.2.1 Stedenbouwkundige vergunningen
Indaver heeft voor al de installaties en voor de Deponien een stedenbouwkundige vergunning. In onderstaande tabel wordt een overzicht gegeven van de bouwvergunningen die werden afgeleverd voor de Deponien.
Tabel 2.1 Overzicht stedenbouwkundige vergunningen Deponien
Referentie
Datum
Onderwerp
19 039
06/04/1987
Deponie
DROV/AN5/93/B/1827
05/05/1994
Deponie 2
HV/1999/B/0204
03/02/2000
Opvullen deponie
HV/2001/B/0155
07/05/2003
Aanleg stortterrein en uitbreiding deponie
HV/2007/B/0147
20/06/2008
Ophoging deponie van 30 naar 50m
HVN/B/20123373
27/07/2012
Opvulling vallei
HVN/B/20123373
31/10/2012
Vallei na aanpassingen brandweeradvies
2.2.2 Milieuvergunningen
In onderstaande tabel wordt een overzicht gegeven van de milieuvergunningen die werden afgeleverd voor Indaver nv. De basisvergunningen op naam van Indaver nv vervalt op 01/01/2020.
Alle vergunningen werden afgeleverd door de Deputatie van de Provincie Antwerpen, uitgezonderd de beroepen welke op Vlaams niveau werden afgeleverd.
Tabel 2.2 Overzicht milieuvergunningen
Referentie
Datum
Onderwerp
Vervaldatum
2/GRWB/P.1030/DC 08/06/1989 Vergunning grondwaterwinning
01/01/2019
MLAV1/9800000485/ 17/06/1999 MV/bd
"Basis" milieuvergunning
17/06/2019
MLAV1/9800000485/ 15/07/1999 MV/pn
Herziening eindtermijn basismilieuvergunning
01/01/2020
2/ML/MLAV1/980000 13/04/2000 Rechtzetting i.k.v. hervergunning parameter totaal stikstof 0485/MV
Datum: april 2018
20 van 92
PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN
Referentie
Datum
MLWV/0000000015/ 03/08/2000 MV/AG
MLAV1/0100000513/ 04/04/2002 MV/lydr
AMV/000002347/101 28/10/2002 3
MLVER/0300000089/ 03/07/2003 V/AG
MLVER/0300000093/ 03/07/2003 MV/IG
MLAV1/0400000486/ 04/05/2005 MV
MLWV/0500000004 25/08/2005
MLVER/0500000094 22/09/2005
AMV/0002347/1023 22/12/2005
AMV/0002347/1024B 22/05/2006
MLAV1/0600000273/ 19/10/2006 ES
MLWV/0600000060 01/03/2007
MLVER/0600000189 22/03/2007
MLSPR/0700000009/ 07/06/2007 gvda
AMV/00002347/1030 27/06/2007 B
MLWV/0700000015 04/10/2007
MLAV1/0700000468/ 14/02/2008 ES
MLWV-24/jdn-kh
13/11/2008
MLWV/08.39/jdn/bv 12/02/2009
Onderwerp Wijziging vergunningsvoorwaarden openingsuren
Verwerking freonen op DTO2
Beroep verwerking van freonen DTO2
Omleiding rookgassen SO
Bijkomende tank voor diesel/extra vloeibare afvalstoffen
Wijziging/indeling site nr gevaarsklasse
Wijziging lozingsnormen Denoxinstallatie DTOx Toekenning Derogatietemp ovens* Beroep wijziging Lozingsnormen Manipulatieruimte + vatenopslag
Wijziging lozingsnormen Wijziging rubriek storten cfr nieuwe Vlarem Gebruik springstoffen (bij cleanings-werkzaamheden)
Beroep wijziging lozingsnormen
Wijziging stortcriteria deponie Ophoging en hervergunning deponie
Wijziging lozingsnormen Wijziging lozingsnormen
MLAV1/09-185/jdnbv/Ih
09/07/2009
MLSPR/0900000003 16/09/2009
MLAV1/09185/Jdn/bv
30/10/2009
AN2011/140/AV
06/05/2011
Ombouw Statische Oven (OSO) Opslagplaats springstoffen D Ombouw Statische Oven (OSO) Tijdelijke inrichting solidificatie
Vervaldatum -
01/01/2020
01/01/2020
01/01/2020
01/01/2020
01/01/2020
01/01/2020 01/01/2020 01/01/2020 01/01/2020
01/01/2020 16/07/2009 06/06/2009
01/01/2020
16/07/2009 01/01/2020
01/01/2012 Per 01/01/2012 wijz. norm 01/01/2020
01/01/2020 01/01/2020
01/01/2020
Datum: april 2018
21 van 92
PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN
Referentie
MLWV-20110006/ELSL/Kadc
MLWV-20110021/ELSL/fs
MLVER-20120028/SAPI/ig
MLWV-20120002/SAPI/inge
MLAV1-20120026/SAPI/mben
MLAV1-20120196/SAPI/mben
MLVER-20120097/SAPI/mben
MLWV-20120036/SAPI/mben
MLVER-20140066/SAPI/FS
MLWV- 20140058/SAPI/mben
MLAV1-20150040/SAPI/indd
MLVER-20150151/RUHI/AG
MLWV-20160010/RUHI/age
MLWV-20160025/CLBA/erca
MLAV1-20160398/SAPI/erca
MLAV1-20160383/SAPI/erca
XXX
Datum 27/10/2011
Onderwerp Wijziging lozingsvoorwaarden
10/11/2011 Wijziging lozingsvoorwaarden (pft's)
03/05/2012 Mededeling kleine verandering (directe injectie)
10/05/2012 Wijziging vergunningsvoorwaarde (norm Nitriet)
3/08/2012
Uitbreiding deponie (vallei)
18/10/2012 Uitbreiding tankenpark
31/10/2012 Mededeling kleine verandering (RMA topzone)
19/11/2012 Verlaging temperatuur DTO3
28/8/2014
Mededeling kleine verandering RMA-hal + topzone
23/12/2014 Vervangende brandstoffen
28/06/2015 Aanpassingen vergunning + OVR
17/12/2015 Melding klasse 3: testopstelling warmtepomp
27/7/2016 15/9/2016 6/4/2017 23/3/2017 xxx
Schrapping lozingsnorm AOX Wijziging parameters stikstof, CZV Opbouw hook-up, omzet CLP, en anderen Uitbreiding deponie 3-valleien Hervergunning grondwaterwinning
Vervaldatum 06/08/2011 01/01/2020 01/01/2020 01/01/2020 01/01/2020 01/01/2020 01/01/2020 01/01/2020 01/01/2020 01/01/2020 01/01/2020 01/01/2020
01/01/2020 01/01/2020 01/01/2020 01/01/2020 xxx
Datum: april 2018
22 van 92
PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN
2.2.3 Lopende en geplande vergunningsaanvragen
Grondwaterwinning
Momenteel is een vergunningsaanvraag lopende voor een hervergunning en aanpassing van de bestaande grondwaterwinning van Indaver nv. De bestaande grondwaterwinning is vergund voor het exploiteren van een grondwaterwinning op 52 m diepte voor een maximaal debiet van 3.600 m/dag en 800.000 m/jaar, tot 2019.
De geplande jaarlijkse hoeveelheid op te pompen grondwater (na hervergunning) bedraagt maximaal 400.000 m/j. Het aangevraagd te vergunnen debiet bedraagt maximaal 2.500 m/dag en 400.000 m/jaar.
In het kader van deze vergunningsaanvraag werd op 22 maart 2018 een ontheffing van de verplichting tot het opstellen van een project-MER toegekend (PR2531).
Aanpassingen aan IndaChem Recovery (Solventrecyclage)
Indaver plant op vrij korte termijn een vergunningsaanvraag voor aanpassingen aan de installatie IndaChem Recovery (voormalige naam: Solventrecyclage). Deze vergunningsaanvraag wordt gepland vr de hervergunningsaanvraag. Voor meer gegevens over de geplande aanpassingen verwijzen we naar paragraaf 3.2.5.
Plastic to Chemicals (P2C)
Indaver plant op vrij korte termijn een vergunningsaanvraag voor een bijkomende installatie: een Demo-plant Plastic to Chemicals. Deze vergunningsaanvraag wordt gepland vr de hervergunningsaanvraag. Voor meer gegevens verwijzen we naar paragraaf 3.2.8.
2.2.4
Relevante bijzondere voorwaarden uit de huidige milieuvergunning
In de milieuvergunningen voor Indaver zijn diverse bijzondere vergunningsvoorwaarden opgenomen. Deze leggen specifieke voorwaarden op aan volgende activiteiten:
Technische eisen voor bepaalde aspecten van de DTO's (freonverwerking, directe injectie, DeNOx, emissiemetingen HF, temperatuur, alternatieve opstartbrandstof);
Lekopvang t.h.v. bepaalde installaties; Verplichte wielwasinstallatie; Acceptatievoorwaarden deponie; Werkwijze bij inrichten en storten op de deponie; Opvolging van percolaat uit de deponie; Opvolging van grondwater rondom de deponie; Geluidsemissies (geluidsvermogenniveau DTO3); Opvolging gebruikt AMORAS-water; Lozingsvoorwaarden waterzuivering.
Deze vergunningsvoorwaarden zullen, waar relevant, opgenomen en toegelicht worden in het MER.
In onderstaande Tabel 2.3 worden de geldende emissiegrenswaarden voor de lozing van Indaver op oppervlaktewater opgenomen. Deze zijn opgenomen in de milieuvergunningen van Indaver.
Datum: april 2018
23 van 92
PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN
Tabel 2.3 : Lozingsvoorwaarden van toepassing in 2018
Parameter
Eenheid
Lozingsnorm 2018 zonder Amoras
BZV
mg/l
CZV
mg/l
TOC
mg/l
zwevende stoffen
mg/l
bezinkbare stoffen
ml/l
fluoriden
mg/l
chloriden
g/l
sulfaten
g/l
totaal fosfor
mg/l
fenolen
mg/l
M.A.K.
mg/l
benzeen
mg/l
totaal cyaniden
mg/l
vrije chloor
mg/l
acrylonitrile
mg/l
EOX / AOX
mg/l
organo-chloorpesticiden
ng/l
organo-fosforpesticiden
mg/l
organische tinverbindingen
mg/l
apolaire KWS extr. In CCL4
mg/l
totaal chroom
mg/l
totaal zink
mg/l
totaal kobalt
mg/l
totaal lood
mg/l
totaal nikkel
mg/l
totaal arseen
mg/l
totaal zilver
mg/l
totaal mangaan
mg/l
totaal koper
mg/l
totaal tin
mg/l
boor
mg/l
cadmium
mg/l
kwik
mg/l
mg/l
antimoon
mg/l
0
barium
mg/l
beryllium
mg/l
molybdeen
mg/l
selenium
mg/l
tellerium
mg/l
thallium
mg/l
titaan
mg/l
uranium
mg/l
vanadium
mg/l
chloroform
mg/l
dichloormethaan
mg/l
PAK's
mg/l
mg/l
mg/l
PCB's
mg/l
totaal stikstof
mg/l
haloformen
mg/l
chloorbenzeen
PFOA
mg/l
PFOS
mg/l
PFPeA
mg/l
PFHxa
mg/l
PFHpA
mg/l
PFBS
mg/l
PFHxs
mg/l
nitriet
mg/l
25 125 40 60 1 10 20
2 2 0,4 0,02 0,01 0,1 0,5 0,01 200 0,001 0,02 5 0,4 2 0,05 0,5 0,4 0,05 0,02 1 0,4 0,2 50 0,01 0,02 0,005 0,85 0,25 1 0,002 1,5 0,1 0,05 0,02 0,2 0,05 0,5 0,05 0,05 0,003 0,001 0,001 70 40
0,1
0,25 0,03
4 0,06 0,02
4 0,02
2
Opmerking
geschrapt
ogenblikkelijke waarde jaargemiddelde waarde ogenblikkelijke waarde jaargemiddelde waarde
ogenblikkelijke waarde Nafthaleen ogenblikkelijke waarde PAK's (excl. Nafthaleen)
jaargemiddelde waarde totaal PAK's Som haloformen en chloorbenzeen
Lozingsnorm 2018 met AMORAS
(indien afwijkend) 150
60
Datum: april 2018
24 van 92
PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN
2.2.5 Bestaande milieustudies m.b.t. het projectgebied
In Tabel 2.4 wordt een overzicht gegeven van de bestaande milieustudies met betrekking tot het projectgebied.
Tabel 2.4 : Bestaande milieustudies Indaver nv
Datum
Studie
Uitvoerder
1993
Etudes Techniques prliminaires pour l'exploitation de centres de stockages de France Dechets
dchets industriels
Conseil
1997
Bekleding taluds DP1&2, beschrijving van mogelijke afdekvormen van de steile Betech taluds geresulteerd in de ministerile afwijking, voorstel begroeiing taluds
1998
Project-MER voor de hervergunning van de gehele site
SGS
1999
OBO in kader periodieke onderzoeksplicht (Stelt verontreiniging vast van het vaste deel van de bodem met minerale olie en PAK ter hoogte van het tankenpark, er wordt verontreiniging van het grondwater vastgesteld met metalen, BTEX en VOCl)
Lisec Studiecentrum voor Ecologie vzw
2000
Opstart BBO in kader van voorgaand OBO (conform d.d. 2005)
2003
Stabiliteit eindafdek deponie 1, onderzoek van de afschuiving van de 6/4 oostflank deponie 1
MWH
2003
Project-MER voor de hervergunning van de deponie en een verhoging tot 55mTAW (PR0023)
SGS Environmental Services N.V.
2004
Beschrijvend bodemonderzoek
Lisec Studiecentrum voor Ecologie vzw
2005
Eindafdek Vlarem concept, stabiliteitsanalyse van het stortmassief bij uitbreiding MWH naar 50m TAW en aanpassing van de hellingshoek van de taluds, stabiliteit van eindafdek, waterhuishouding eindafdek, financile evaluatie
2005
Stabiliteit van het stortmassief bij uitbreiding fase 3, beschrijving fasering en consolidatieproblematiek
MWH
2005
Orinterend bodemonderzoek in kader van de periodieke onderzoeksplicht (eerder teruggevonden verontreiniging blijft stabiel) + aanvullend onderzoek
Lisec Studiecentrum voor Ecologie vzw
2006
Gebruik van zand bentoniet op stortplaatsen
Technosan
2006
Lekdebietcontrole fase 2 deponie Antwerpen
MWH
2006
Opmaak bodemsaneringsproject tankenpark
Opmerking: m.b.t. de deponie werden in kader van de uitgevoerde OBO's, BBO' en BSPs geen problemen vastgesteld
Lisec Studiecentrum voor Ecologie vzw
2007
Project-MER voor de hervergunning van de deponie en verhoging tot 50mTAW (PR0225)
SGS
2008
Evaluatie proefproject bodemsaneringsproject Indaver nv
RSK Benelux bvba
2010
Voorstel betreffende de opvolging van effluent verbrandingsinstallaties op de site van Indaver nv te Antwerpen
SGS
2011
Project-MER voor de uitbreiding van de deponie van Indaver NV te Antwerpen SGS Belgium NV
Datum: april 2018
25 van 92
PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN
Datum 2014 2016
2016 2016 2016 2017 2018 Jaarlijks Jaarlijks Jaarlijks Jaarlijks
Studie Onderzoek deelstromen AOX/EOX Project-MER voor het 3-valleien-project: Opvullen van de valleien tussen de deponien van Indaver, AMORAS en Hooge May Orinterend bodemonderzoek Orinterend bodemonderzoek: aanvulling Rapport schadegeval Bodem incident Hook-up Tussentijds rapport bodemsaneringswerken Navolgend BBO incident Hook-up Milieujaarverslag Indaver site Antwerpen Jaarrapport deponie Indaver Technisch rapport verbranding Monitoring BSP
Periodiek
Energieplannen en -studies voor diverse installatieonderdelen volgens de regelgeving
Uitvoerder Arcadis Bova Enviro+
RSK RSK RSK RSK RSK Indaver NV Indaver NV Indaver NV Bodemsaneringsdeskundige Energie-deskundige
Datum: april 2018
26 van 92
PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN
2.3
Juridische en beleidsmatige randvoorwaarden
Tabel 2.5: Overzicht juridische en beleidsmatige randvoorwaarden
Data
Toelichting
Relevant Bespreking relevantie
Milieuhygine algemeen en Sectorale wetgeving
Decreet houdende algemene bepalingen in verband met milieubeleid (DABM)
5 april 1995
Het DABM regelt de milieuplanning, bedrijfsinterne milieuzorg, de milieueffect- en veiligheidsrapportering en de oprichting en taakomschrijving van agentschappen.
Ja De initiatiefnemer is m.e.r.-plichtig.
Besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygine (VLAREM II)
1 juni 1995
Besluit van de Vlaamse Regering houdende bijkomende algemene en sectorale milieuvoorwaarden voor GPBV-installaties - VLAREM III
16 mei 2014
Omgevingsvergunningendecreet en uitvoeringsbesluiten
25 april 2014
Datum: april 2018
VLAREM II legt vast voor welke activiteiten een vergunning vereist is. Het bevat de milieukwaliteitsnormen waarop de overheid haar vergunningenbeleid moet afstemmen, een overzicht van overgangsbepalingen voor het toepassen van nieuwe milieuvoorwaarden op bestaande bedrijven, algemene en sectorale milieuvoorwaarden en milieuvoorwaarden voor niet ingedeelde inrichtingen en activiteiten.
VLAREM III bevat bijkomende algemene en sectorale milieuvoorwaarden voor GPBV-installaties.
Ja Algemeen relevant Ja Indaver is een GPBV installatie.
Het decreet van 25 april 2014 betreffende de
Ja De omgevingsvergunning die Indaver zal
omgevingsvergunning en haar uitvoeringsbesluiten leggen de
aanvragen, kadert binnen deze regelgeving.
procedures vast die met betrekking tot de omgevingsvergunning
kunnen worden gevoerd.
De inhoudelijke milieubepalingen zijn vervat in titel IV en een
nieuwe titel V van het DABM en VLAREM II en III. VLAREM II
bevat voortaan ook de indelingslijst (bijlage I) en de
milieuspecifieke procedures zoals de evaluaties en de
afwijkingsprocedure.
De inhoudelijke bepalingen inzake de ruimtelijke ordening, zoals
de regels die een vergunningsplicht of meldingsplicht opleggen,
Paragraaf in dit document
1.2
Disciplines Water, Bodem, Lucht, Geluid
-
Algemeen van toepassing
27 van 92
PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN
Data
Toelichting
Relevant Bespreking relevantie
Paragraaf in dit document
blijven vervat in de VCRO en in de uitvoeringsbesluiten.
Bodemdecreet
27 oktober 2006
Het bodemdecreet en Vlarebo regelen de bodemwetgeving in Vlaanderen. Het decreet voorziet in het gebruik van normen voor de beoordeling van bodemverontreiniging en in het vaststellen van saneringsdoelstellingen.
Ja Binnen deze regelgeving wordt de
bodemverontreiniging op het terrein van Indaver Discipline
bestudeerd.
Bodem
VLAREBO
14 december 2007
Het uitvoeringsbesluit VLAREBO bevat de bepalingen die van toepassing zijn op grondverzet en het (her)gebruik van uitgegraven bodems..
Ja Binnen deze regelgeving wordt de
Discipline
bodemverontreiniging op het terrein van Indaver Bodem
bestudeerd.
Materialendecreet
23 december 2011
Het decreet zet de Europese Kaderrichtlijn 2008/98/EG om in Vlaamse regelgeving en legt een juridische basis voor de omslag van het Vlaamse afvalstoffenbeleid naar een beleid gericht op de ganse materiaalkringloop. In het decreet staat een duurzame ontwikkeling inzake materiaalgebruik centraal, met name vrijwaren van de gezondheid van mens en milieu, tegengaan van verspilling van grondstoffen en energie. Hierbij wordt de Ladder van Lansink gerespecteerd.
Ja Indaver moet de afvalstoffen die bij haar activiteiten ontstaan, volgens deze regelgeving afvoeren. Algemeen van toepassing
Het Vlaams Reglement voor het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen (VLAREMA)
17 februari 2012
Het VLAREMA bevat meer gedetailleerde voorschriften over (bijzondere) afvalstoffen, grondstoffen, selectieve inzameling, vervoer, de registratieplicht en de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid.
BBT / BREF-documenten i.k.v. Richtlijn Industrile Emissies (2010/75/EU)
24 november 2010 Op Europees niveau worden BREF-documenten opgesteld.
Ja De processen van Indaver zullen worden getoetst
Deze documenten geven per industriesector de BBT alsook de
aan de relevante technieken uit de toepasselijke
emissieniveaus (naar lucht, water, geluid,...) die gepaard gaan
BBT en BREF documenten.
Vooral
met deze BBT.
disciplines
Vito stelt BBT-studies op voor verschillende industriesectoren.
lucht en
Deze studies geven de best beschikbare technieken aan, alsook
water
de emissieniveaus (naar lucht, water, geluid,...) die gepaard
gaan met deze beste beschikbare technieken.
Verordening 850/2004/EG van 29 april 2004
Vanwege de verplaatsing over grote afstand en de
Ja In het acceptatiebeleid wordt rekening gehouden Project-
Datum: april 2018
28 van 92
PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN
Data
Toelichting
Relevant Bespreking relevantie
Paragraaf in dit document
29 april 2004 van het Europees Parlement en de Raad betreffende persistente organische verontreinigende stoffen en tot wijziging van Richtlijn 79/117/EEG
biomagnificatie van deze stoffen is het risico vooral hoog voor ecosystemen en de plaatselijke bewoners van het Noordpoolgebied. Dit betekent dat persistente organische verontreinigende stoffen een bedreiging voor het milieu en de gezondheid van de mens over de hele wereld vormen.
met POP-houdend afval. POP-houdend afval wordt enkel geaccepteerd voor zover het voldoet aan de voorwaarden van de POP-richtlijn.
beschrijving
EG-richtlijn 1999/31/EG betreffende het storten van afvalstoffen en wijzigingsbesluiten
1999
De richtlijn heeft ten doel te voorzien in maatregelen om de negatieve gevolgen van het storten van afvalstoffen voor het milieu te voorkomen of te verminderen.
In de richtlijn, die van toepassing is op alle stortplaatsen die als afvalverwijderingsterreinen voor het storten van afvalstoffen op of in de bodem zijn omschreven, worden de verschillende categorien afvalstoffen gedefinieerd (stedelijk afval, gevaarlijke, ongevaarlijke en inerte afvalstoffen). De stortplaatsen worden ingedeeld in drie klassen: stortplaatsen voor gevaarlijke afvalstoffen; stortplaatsen voor ongevaarlijke afvalstoffen; stortplaatsen voor inerte afvalstoffen.
Ja Indaver heeft de deponie ingedeeld als categorie 1 stortplaats (rubriek 2.3.6.c.).
Administratieve situering van het project
Ruimtelijke planning
Decreet ruimtelijke ordening 18 mei 1999
Regelt de organisatie van de ruimtelijke ordening in Vlaanderen.
Neen
Geen specifieke aandachtspunten voor Indaver.
Dit decreet is vooral van toepassing op de
organen die belast zijn met het uitwerken van de
ruimtelijke ordening (gewest, provincie,
-
gemeente). Concreet is het GRUP Afbakening
Zeehavengebied Antwerpen van toepassing op
het projectgebied.
Verordening 1013/2006/EG 13 februari 2006 Wet betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu
Ja
Het projectgebied bevindt zich op 4,6 km afstand Administrat
betreffende
(BS 10 maart 2006) van bepaalde plannen en programma's en de inspraak van het
van de landsgrens met Nederland.
ieve
grensoverschrijdende
publiek bij de uitwerking van de plannen en programma's in
Grensoverschrijdende effecten zijn, op basis van situering
overbrenging van
verband met het milieu.
voorgaande MER-studies, wellicht
van het
afvalstoffen
verwaarloosbaar.
project
Datum: april 2018
29 van 92
PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN
Data
Toelichting
Relevant Bespreking relevantie
Paragraaf in dit document
Samenwerkingsakkoord tussen het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreffende de uitwisseling van informatie over projecten met gewestgrensoverschrijdende milieueffecten
4 juli 1994
Dit akkoord regelt de uitwisseling van informatie over projecten met gewestgrensoverschrijdende milieueffecten..
Neen
Het projectgebied bevindt zich op ruime afstand van de gewestgrenzen (> 50 km) en zal bijgevolg geen effecten veroorzaken in de andere gewesten.
Administrat ieve situering van het project
Gewestplan
28 december 1972 Geeft de bestemming van de gronden in Vlaanderen weer. en later
Ja Indaver ligt in een gebied dat bestemd is als
industriegebied. Een klein gedeelte van het
terrein ligt volgens het gewestplan in een
bufferzone. Volgens het gewestelijk RUP
Administrat
`Afbakening Zeehavengebied Antwerpen' werd ieve
het hele gebied herbestemd naar specifiek
situering
regionaal bedrijventerrein voor afvalverwerking van het
en recyclage (Bijlage 2).
project
(http://bouwvoorschriften.antwerpen.be/Detailvie
werAntwerpen.html?algplanid=RUP_02000_212_
00202_00001)
Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen (RSV)
23 september 1997
Geeft een toekomstvisie over hoe we in Vlaanderen met onze schaarse ruimte moeten omgaan om een zo groot mogelijke ruimtelijke kwaliteit te krijgen (planhorizon loopt tot 2007); Het RSV is de basis voor verdere verfijning in provinciale en gemeentelijke ruimtelijke structuurplannen. Om in te spelen op nieuwe ruimtelijke uitdagingen wordt het plan geregeld herzien. Dit gebeurde voor het laatst in de periode 2010-2011. De Vlaamse Regering keurde op 30 november 2016 het Witboek Beleidsplan Ruimte Vlaanderen goed. Dit is een belangrijke nieuwe formele stap op weg naar het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen, dat het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen zal vervangen.
Indaver ligt in het haven- en industriegebied van
de Antwerpse haven. Dit gebied moet
gereserveerd worden voor de ontwikkeling van
nieuwe en verdere ontwikkeling van bestaande
industrile en economische activiteiten. De Antwerpse haven wordt aangeduid als een belangrijke `poort' voor in- en uitvoer. Ja
Administrat ieve
situering
van het
project
Datum: april 2018
30 van 92
PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN
Gewestelijk Ruimtelijk Uitvoeringsplan (GRUP)
Provinciaal Ruimtelijk Structuurplan Antwerpen (RSPA)
Gemeentelijk Ruimtelijk Structuurplan Antwerpen Algemene en bijzondere
Datum: april 2018
Data
Toelichting
Relevant Bespreking relevantie
Paragraaf in dit document
24 oktober 2014
Het GRUP "Afbakening zeehavengebied Antwerpen" geeft uitvoering aan de gewenste ruimtelijke structuur zoals vastgelegd in het Ruimtelijke Structuurplan Vlaanderen.
Dit gebied behoort tot de
bestemmingscategorie `bedrijvigheid', meer
bepaald tot het " Specifiek regionaal
bedrijventerrein voor afvalverwerking en
recyclage".
Het gebied is bestemd voor regionale bedrijven
met afvalverwerkende en recyclerende
Administrat
activiteiten.
ieve
Ja
situering
Daarnaast zijn de volgende activiteiten
van het
toegelaten:
project
- verwerking en bewerking van mest of slib;
- grondopslag en grondbewerking en -
verwerking.
Installaties voor het opwekken van
hernieuwbare energie, energierecuperatie of
warmtekrachtkoppeling zijn toegelaten.
Vastgesteld door de provincieraad op 25/01/2001 en goedgekeurd door de Vlaamse Regering op 10/07/2001
Verfijning van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen op provinciaal vlak. Het uitgangspunt van het Provinciaal Ruimtelijk Structuurplan Antwerpen is het efficint gebruik van de ruimte en het verder voorkomen van versnippering. Het gewenst ruimtelijk beeld van deze hoofdruimte wordt verder gebiedsgericht uitgewerkt en in zeven deelruimten opgesplitst. In 2011 is een kortetermijn- of partile herziening van het RSPA afgerond. Deze herziening had grotendeels tot doel om de planperiode te verlengen van 2007 tot 2012.
Goedgekeurd op 18/09/2006
Het stedelijk ruimtelijk structuurplan geeft de hoofdlijnen weer van het ruimtelijk beleid dat de stad wenst te voeren. Het s-RSA werd inmiddels gevalueerd en zal geactualiseerd worden. Bij de actualisering zal onder meer rekening gehouden worden met de verwachte bevolkingsgroei en de wijziging in de bevolkingssamenstelling in de volgende decennia.
De deelruimte `Antwerpse haven' is van
toepassing voor Indaver. De doelstellingen voor
de `Antwerpse haven' zijn het bieden van kansen Administrat
aan de haven, het verzekeren van de
ieve
Ja toegankelijkheid en bereikbaarheid en het vorm situering
geven aan grenzen en het verdichten, efficint
van het
benutten en hergebruiken van haventerreinen.
project
Gelijkaardige bestemming en toekomstvisie voor de terreinen van Indaver.
Administrat ieve
Ja
situering
van het
project
Een APA en een BPA (Algemeen en Bijzonder Plan van Aanleg) Neen Niet van toepassing voor Indaver.
Administrat
31 van 92
PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN
Data
plannen van aanleg, gemeentelijke plannen van aanleg
Milieubeleidsplannen
Bestuursakkoord 2013-2018 "Respect voor A"
2013 - 2018
Nationaal Klimaatplan 20092012
2008
Vlaams Klimaatbeleidsplan 2013 - 2020
Goedgekeurd op 28/06/2013
Strategisch plan van de
Datum: april 2018
2006
Toelichting
Relevant Bespreking relevantie
zijn beleidsdocumenten waarin de visie van de overheid wordt uitgedrukt over de toekomstige ruimtelijke ordening van een specifiek gebied.
Paragraaf in dit document
ieve situering van het project
Het bestuursakkoord omvat naast allerhande doelstellingen ook doelstellingen met betrekking tot milieu.
In samenwerking met de Gewesten werd een Nationaal Klimaatplan opgesteld. Dit plan kadert in een algemene strategie voor duurzame ontwikkeling en wil de bestaande en geplande beleidsplannen en programma's op federaal en gewestelijk niveau integreren zodat Belgi haar verplichtingen i.v.m. de beperking van broeikasgasemissies nakomt. Op 26 april 2012 besliste de Nationale Klimaatcommissie om een nieuw Nationaal Klimaatplan uit te werken, maar de realisatie ervan was ondergeschikt aan de onderhandelingen over lastenverdeling voor de periode 2013-2020 tussen de federale staat en de gewesten. Door het uitblijven van een samenwerkingsakkoord over een dergelijke lastenverdeling voor de periode 2013-2020 besliste de Nationale klimaatcommissie in 2017 om geen nationaal klimaatplan voor deze periode meer uit te schrijven en zich te concentreren op het uitwerken van een gentegreerd Nationaal Energie-Klimaatplan 2021-2030, zoals voorgesteld in het Europese Clean Energy Package.
Het nieuwe Vlaams Klimaatbeleidsplan (VKP) bestaat uit een overkoepelend luik en twee deelplannen: het Vlaams Mitigatieplan (VMP), om de uitstoot van broeikasgassen te verminderen, en het Vlaams Adaptatieplan (VAP) om de effecten van de klimaatverandering in Vlaanderen op te vangen.
Ter uitvoering van de Vlaamse regeerakkoorden van 1999 en
Neen
Specifiek naar bedrijven toe worden in dit akkoord geen doelstellingen geformuleerd.
Ja De verbrandingsprocessen in de installatie zorgen voor emissies van o.a. CO2.
Ja In het VKP wordt vermeld dat er nood is aan een Algemeen
verbeterde ontsluiting van de havens en
van
voldoende efficinte overslagpunten naar spoor, weg en water.
toepassing
Ja In de omgeving van het projectgebied
Algemeen
32 van 92
PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN
Data
Haven van Antwerpen (2006)
Meest Maatschappelijk Haalbaar Alternatief (2009)
2009
Lucht
Richtlijn Industrile Emissie (2010/75/EU)
24/11/2010
Saneringsplan fijn stof voor de zones met overschrijding in 2003 en aanpak fijn stofproblematiek in
23/12/2005
Datum: april 2018
Toelichting
Relevant Bespreking relevantie
Paragraaf in dit document
2004 wordt in elke Vlaamse zeehaven een strategisch plan opgemaakt dat de langetermijnvisie (tot 2030) voor de havenontwikkeling in beeld moet brengen. Krachtlijnen van die strategische planprocessen zijn: zuinig gebruik van ruimte en milieu, duurzame mobiliteit, duidelijke en beleefbare grenzen tussen de haven en het buitengebied, en respect voor de aanwezigheid van belangrijke natuurwaarden in en rond de haven. Nadat het plan-MER werd afgerond, werd hieruit een Maatschappelijk Meest Haalbaar Alternatief geformuleerd. Op 24 oktober 2014 keurde de Vlaamse Regering het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan (GRUP) `Afbakening zeehavengebied Antwerpen' definitief goed.
worden/werden een aantal projecten uitgevoerd, welke de natuurlijke omgeving relevant kunnen wijzigen. Deze projecten zijn o.a.:
De ontwikkeling van een zone rond het vormingsstation nabij de Verlegde Schijns. Voor de optimale realisatie van het logistiek park Schijns is het noodzakelijk dat de Verlegde Schijns gedempt wordt.
Aanleg van een plas voor o.a. Zwartkopmeeuwen binnen de verkeerswisselaar ter hoogte van Stabroek.
Het project AMORAS.
van toepassing
Deze Richtlijn Industrile Emissies (Industrial Emissions
Ja De activiteiten van Indaver zijn opgenomen in Admini-
Directive (IED)) integreert de IPPC- en zes andere richtlijnen (de
BREF- en BBT-documenten.
stratieve
Richtlijn grote stookinstallaties, de Afvalverbrandingsrichtlijn, de
situering
Oplosmiddelenrichtlijn en drie Richtlijnen voor de
van het
titaniumdioxide-industrie). In navolging van deze nieuwe richtlijn
project
werden begin 2013 een aantal aanpassingen aan het Vlarem
doorgevoerd.
In de IED-richtlijn is ten opzichte van de IPPC-richtlijn onder meer sprake van verduidelijking van de scope (o.a. definitie installatie, waterzuiveringsinstallaties en afvalbeheer), aanscherping van de toepassing van de BREF (referentie) documenten, bepalingen over de actualisatie van vergunningen, en een verruiming van de mogelijkheid van het stellen van algemene regels.
Om de stofemissies te verlagen, keurde de Vlaamse overheid in 2005 het Vlaamse stofplan van 2005 goed.
Ja Algemeen van toepassing voor de Antwerpse haven.
Discipline Lucht
Sinds 1 januari 2005 mogen van Europa de grenswaarden van
fijn stof maximaal 35 keer per jaar worden overschreden. Om de
33 van 92
PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN
Vlaanderen
Data
Actieplan fijn stof in de industrile hotspotzones
2007
Actieplan fijn stof en NO2 in de Antwerpse haven en de stad Antwerpen 2014-2018
2014
PACT 2020
Luchtkwaliteitsplan NO2
Datum: april 2018
2011
Toelichting
Relevant Bespreking relevantie
stofemissies te verlagen werd eind 2005 het Vlaamse stofplan goedgekeurd. De acties van het stofplan richten zich enerzijds tot alle sectoren (wegverkeer, huishoudens, industrie, scheepvaart, tertiaire sector, land- en tuinbouw) en zijn anderzijds toegespitst op zogenoemde hotspots, welbepaalde plaatsen met verhoogde concentratie (industrile hotspots, steden en gemeenten, snel- en gewestwegen).
Het actieplan heeft tot doel om de problematiek van fijn stof in de industrile hotspotzones Gentse kanaalzone, Oostrozebeke, Roeselare en Ruisbroek in kaart te brengen en een overzicht te geven van maatregelen die worden getroffen voor industrile bronnen
Het actieplan heeft als strategische doelstelling het tot stand brengen van een verdere verbetering van de luchtkwaliteit in stad en haven Antwerpen, tot op een niveau dat de PM10daggrenswaarde zo snel als mogelijk duurzaam wordt gerespecteerd en de negatieve gezondheidseffecten sterk worden gereduceerd, en een duurzame daling van de NO2jaargemiddelde concentraties tot onder de jaargrenswaarde, ten laatste in 2015. De focus zal hierbij enerzijds liggen op het concreet aanpakken van knelpuntlocaties (meetpunt Luchtbal, meetpunt Kallo en meetpunt Borgerhout), en anderzijds op de transportemissies gezien deze (1) in belangrijkste mate bijdragen tot de NO2problematiek en (2) vanuit gezondheidskundig oogpunt het meest schadelijk zijn.
Dit pact stelt dat Vlaanderen voor de luchtkwaliteit in 2020 even goed moet scoren als Europese topregio's. Hierbij dienen de gemiddelde jaarconcentratie aan fijn stof met 25% dalen t.o.v. 2007.
In september 2011 heeft de Vlaamse Regering het Luchtkwaliteitsplan NO2 principieel goedgekeurd. Dit
Neen
Het projectgebied bevindt zich niet in een dergelijke zone.
Ja Algemeen relevant in de Antwerpse haven.
Ja Algemeen relevant in Vlaanderen Ja Algemeen relevant in Vlaanderen
Paragraaf in dit document
Discipline Lucht
Discipline Lucht Discipline Lucht
34 van 92
PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN
Data
2008 Visie document "De weg naar een duurzaam geurbeleid"
Toelichting
Relevant Bespreking relevantie
Luchtkwaliteitsplan richt zich op het bereiken van de NO2 jaargrenswaarde in 2015 en kadert in de uitstelaanvraag die Vlaanderen indiende bij de Europese Commissie. De belangrijkste bron van NOx en oorzaak van de overschrijding blijkt het transport (wegverkeer en scheepvaart) te zijn. De maatregelen in het luchtkwaliteitsplan richten zich dan ook grotendeels op transport.
Paragraaf in dit document
Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur (toen Hilde Crevits) stelde een visiedocument op `De weg naar een duurzaam geurbeleid'. In dit visiedocument wordt
Afvalstoffen worden vaak geassocieerd met geur. Discipline
Voor de deponie werden nog geen klachten geregistreerd met betrekking tot geur.
Lucht
in hoofdlijnen ingegaan op de (beleids)context, beleidshiaten,
recente realisaties, visie en potentile vernieuwende
geurbeleidsmaatregelen in Vlaanderen. Op 29 april 2009 werd Ja
hierover door de Minaraad een advies geformuleerd. In essentie
wordt gesteld dat indien er hinder is, dit via BBT-maatregelen tot
een aanvaardbaar niveau dient teruggedrongen.
Water Decreet integraal waterbeleid 18 juli 2003
Grondwaterdecreet, dd. 24/01/1984 en uitvoeringsbesluit over de afbakening van
27/03/1985
Datum: april 2018
Legt de principes, doelstellingen en structuren vast voor een duurzaam waterbeleid conform de bindende bepalingen van de Europese Kaderrichtlijn Water. Via dit decreet worden een aantal nieuwe instrumenten ingevoerd - zoals de watertoets - die de overheid in staat moeten stellen een effectief beleid inzake integraal waterbeheer te voeren. Het waterbeheer wordt voortaan beschouwd per deelbekken. Vlaanderen werd ingedeeld in 11 rivierbekkens.
Ja Voor Indaver zal worden gevalueerd of waterbesparende maatregelen mogelijk zijn.
Discipline Water
Dit decreet regelt de bescherming tegen verontreiniging, de
Ja Indaver heeft een grondwaterwinning. Het effect
reglementering betreffende grondwaterwinning en de objectieve
ervan werd in een recente geohydrologische
Discipline
aansprakelijkheid van veroorzaakte grondwatertafeldaling (sinds
studie gevalueerd.
Wter
1999 opgenomen in VLAREM-wetgeving).
35 van 92
PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN
Data
Toelichting
Relevant Bespreking relevantie
Paragraaf in dit document
waterwingebieden en beschermingszones
Grondwaterbescherming (grondwaterdecreet)
(decreet van 24 januari 1984 , gewijzigd bij decreten van 12 december 1990 en 20 december 1996 (BS 31 december 1996)
Regelt de bescherming van het grondwater tegen verontreiniging. Het omvat ondermeer de reglementering betreffende de grondwaterwinning, alsook bepaalt het de afbakening van waterwingebieden en beschermingszones rond drinkwaterwinningen.
Gewestelijke stedenbouwkundige verordening inzake hemelwaterputten, infiltratievoorzieningen, buffervoorzieningen en gescheiden lozing van afvalwater en hemelwater
01/01/2014
Dit besluit gaat uit van het principe dat hemelwater in eerste instantie dient hergebruikt te worden, in tweede instantie in de bodem infiltreert en in laatste instantie vertraagd wordt afgevoerd. Het besluit is o.m. van toepassing op het bouwen of herbouwen van gebouwen (voor nieuwe gebouwen) vanaf 40m dakoppervlakte, uitbreidingen vanaf 40m dakoppervlakte en aanleg van verharde grondoppervlaktes vanaf 40 m.
Stroomgebiedbeheerplan Schelde (2010-2015)
2010 - 2015
Op 8 oktober 2010 stelde de Vlaamse Regering het stroomgebiedbeheerplan voor de Schelde en het bijhorende maatregelenprogramma voor Vlaanderen definitief vast.
Het Vlaamse stroomgebiedbeheerplan voor de Schelde heeft betrekking op het grootste deel van Vlaanderen. Enkel het Maasbekken ligt niet in het stroomgebied van de Schelde.
Besluit m.b.t. watertoets
3 november 2006
Dit besluit geeft de lokale, provinciale en gewestelijke overheden, die een vergunning moeten afleveren, richtlijnen voor de toepassing van de watertoets.
Wet op de onbevaarbare waterlopen
KB 28 december 1967
Voorziet de indeling van de waterlopen in verschillende categorien, geeft aan wie er bevoegd is voor het beheer alsook bepalingen naar beheer en onderhoud toe.
Ja Neen
Ja Ja Ja
Indaver heeft een eigen grondwaterwinning; deze winning is vergund tot 2019, en de vereisten inzake grondwaterwinning van onderhavig project
zijn gedekt binnen deze bestaande vergunning.
Discipline Water
Er worden geen nieuwe constructies gebouwd.
Het projectgebied behoort tot het stroomgebied van de Schelde.
Discipline Water
Het MER zal de `elementen en informatie tot uitvoering van de watertoets' bevatten.
De Verlegde Schijn is een onbevaarbare waterloop die invloed van Indaver ondervindt.
Discipline Water
Discipline Water
Datum: april 2018
36 van 92
PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN
Data
Toelichting
Wet op de bevaarbare waterlopen
KB 5 oktober 1992 (BS 6 november 1992)
Duidt o.a. aan welke waterlopen als bevaarbare waterlopen worden beschouwd.
Regelgeving betreffende vrije vismigratie
26 april 1996 en 18 juli 2003 (BS 14 november 2003)
In de Beschikking van de Benelux Economische Unie (26 april 1996) en in het Decreet Integraal Waterbeleid wordt vooropgesteld dat in alle waterlopen van de hydrografische stroomgebieden van de Benelux vrije migratie van alle vissoorten mogelijk gemaakt wordt tegen begin 2010
Regelgeving inzake polders
KB 3 juni 1957 en 23 januari 1958
Regelt de bevoegdheid van de polders met als doel om het binnendijkse land te behoeden voor overstromingen door de zee, en het instellen van een optimaal peil in functie van het multifunctioneel gebruik van de gronden (eerst gericht op landbouw, nu sedert het decreet integraal waterbeleid meer multifunctioneel).
Relevant Bespreking relevantie Ja De Schelde is een bevaarbare waterloop die invloed van Indaver ondervindt.
Neen
Geen waterlopen op het terrein aanwezig. Indaver veroorzaakt geen knelpunten voor vismigratie in de Schelde.
Paragraaf in dit document
Discipline Water
Neen
Gebied valt niet binnen werkingsgebied van een polder of watering.
Geluid Omgevingslawaai
Besluit van de Vlaamse Regering van 22 juli 2005
Besluit inzake de evaluatie en de beheersing van het omgevingslawaai.
Ja Indaver dient aan de normen van Vlarem te voldoen.
Landschapszorg
Decreet betreffende het onroerend erfgoed en bijhorend besluit
12 juli 2013 (decreet) 16 mei 2014 (besluit)
Het Onroerenderfgoeddecreet voorziet 4 mogelijke beschermingsstatuten: een beschermd monument, een beschermd cultuurhistorisch landschap, een beschermd stadsof dorpsgezicht en een beschermde archeologische site.
Het Onroerenderfgoeddecreet voorziet in 6 vastgestelde inventarissen. Hierin worden erfgoedobjecten opgenomen die niet beschermd zijn maar wel waardevol zijn. Er is een inventaris voor bouwkundig erfgoed (gehelen en relicten), landschapsatlas, houtige beplantingen met erfgoedwaarde, historische tuinen en parken, archeologische zones. Er zijn een
Ja Ten oosten van Indaver is een deel van de ankerplaats `Polders van Stabroek' aangeduid als erfgoedlandschap.
Andere milieueffec ten
Datum: april 2018
37 van 92
PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN
Regionaal landschap (Art 54 van het decreet op natuurbehoud) Natuurbehoud Decreet betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu
Vlaamse en/of erkende natuur- of bosreservaten
NATURA 2000; Speciale beschermingszones
Datum: april 2018
Data 20 januari 1998
Toelichting
Relevant Bespreking relevantie
aantal rechtsgevolgen voor vastgelegd. Tot slot zijn er nog de erfgoedlandschappen. Een erfgoedlandschap is een groter ruimtelijk geheel van erfgoedelementen en -waarden, afgebakend in een RUP. Daarbij worden de maatregelen voor het behoud van de erfgoedwaarden en -kenmerken ingeschreven in de stedenbouwkundige voorschriften.
Betreft een gebied met landschappelijke waarde en waarrond op initiatief van de provincie een samenwerkingsverband tussen gemeenten wordt opgezet.
Neen
Er is geen regionaal landschap in de omgeving van Indaver gelegen.
Paragraaf in dit document
21 oktober 1997
Heeft tot doel een verregaande bescherming, ontwikkeling en herstel van het natuurlijke milieu te verwezenlijken. Belangrijk hierbij is het stand-stillprincipe. Tevens voorziet het in een afbakening van een Vlaams Ecologisch Netwerk (VEN) en het integraal verwevings- en ondersteunend netwerk (IVON) tussen bestaande grote eenheden natuur (GEN) of te vormen grote eenheden natuur (GENO). Het natuurdecreet legt de voorschriften en geboden in VEN en de Speciale Beschermingszones vast. Tevens regelt dit decreet het soortgericht natuurbeleid (soortenbescherming).
21 oktober 1997
Natuurgebieden die van belang zijn voor het behoud en ontwikkeling van de natuur of het natuurlijk milieu kunnen door de Vlaamse regering worden aangewezen of erkend als natuurreservaat. Bossen die worden aangewezen worden vanaf de aanwijzing bosreservaat genoemd.
Europese regelgeving die werd omgezet in Vlaamse wetgeving via het decreet
NATURA 2000 is het streven van Europa als gevolg van de habitatrichtlijn (92/43/EEG) om een samenhangend Europees netwerk te vormen van gebieden waarin maatregelen genomen worden om de natuurlijke habitats in een gunstige staat te behouden voor de bedoelde soorten uit de habitatrichtlijn.
Ja Stand still principe moet overal worden toegepast. In de omgeving van het projectgebied liggen meerdere natuurgebieden. Binnen een straal van 5 km bevindt zich het erkend natuurreservaat `Galgeschoor en de Kuifeend. Discipline
Biodiversit
eit
Ja Het erkende natuurreservaat `Kuifeend' is
gelegen op circa 1 km meter ten zuiden van
Discipline
Indaver en het `Galgeschoor' op circa 4,5 km ten westen.
Biodiversit
eit
Ja De Kuifeend is een vogelrichtlijngebied.
Galgeschoor maakt deel uit van volgende
Discipline
speciale beschermingszones: Vogelrichtlijngebied `Schorren en polders
van de BenedenSchelde'
Biodiversit eit
38 van 92
PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN
Data
Toelichting
Relevant Bespreking relevantie
Paragraaf in dit document
betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu
Speciale beschermingszones zijn gebieden aangewezen door de Vlaamse regering in toepassing van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn.
Habitatrichtlijngebied `Schelde- en Durmestuarium van de Nederlandse grens tot Gent'.
Conventie van Ramsar
2 februari 1971
De Conventie van Ramsar heeft tot doel de bescherming van waterrijke gebieden van internationaal belang. Deze gebieden werden in Vlaanderen omgezet tot speciale beschermingszones voor vogels. Meer info: http://www.wetlands.org/rsis/
Ja Hwaetteprrroijkjegctegbeiebdievdaznelifnitsernniaettiognealeaglebneliannege. nIn de Discipline
ruime omgeving (4,5 km) van het projectgebied is Biodiversit
n Ramsargebied gelegen: Galgenschoor.
eit
Bosdecreet
13 juni 1990
Regelt het behoud, bescherming, aanleg en beheer van bossen in Vlaanderen; omvat naast bostechnische gegevens ook specifieke verwijzingen naar ecologische en recreatieve functies van een bos.
Neen
Terrein is geen bos volgens de definitie van het bosdecreet.
Discipline Biodiversit eit
Op grond van Decreet betreffende natuurbehoud en het natuurlijk milieu kan een Natuurinrichtingsproject worden ingesteld
21/10/1997 en 23/07/1998
Natuurinrichting is een gebied optimaal inrichten in functie van het behoud van bestaande natuur, maar ook voor het herstel en de ontwikkeling van natuur, en het beheer nadien is de doelstelling van natuurinrichting. Om deze inrichting te kunnen doen zijn verschillende soorten maatregelen en inrichtingswerken mogelijk, gaande van plaatsen van een begrazingsraster tot grote grondwerken. Wat men daadwerkelijk in natuurinrichting doet, wordt zorgvuldig afgewogen.
Neen
Het projectgebied behoort niet tot een natuurinrichtingsproject.
Gemeentelijke kapvergunning
Specifieke gemeentelijke verordening betreffende het verwijderen van bomen aanvullend op deze zoals voorzien in Bosdecreet, Stedenbouwkundige regelgeving en Decreet op het natuurbehoud.
Neen
Het betreft een bestaand industrieterrein waarop geen bomen gekapt zullen worden.
Koninklijk besluit houdende maatregelen ter bescherming van bepaalde in het wild groeiende plantensoorten.
16 februari 1976
Regelgeving die bescherming regelt van dieren en planten en beperkingen inhoudt naar vervoer, plukken of vangen,...
Neen Het gaat hier om industriegebied.
Besluit van de Vlaamse Regering van 15 mei 2009 met betrekking tot
15 mei 2009
Dit besluit is van toepassing op alle inheemse soorten en uitheemse soorten die vallen onder toepassingsgebied van de Vogel- en Habitatrichtlijn en het verdrag van Bern, en alle
Ja Algemeen van toepassing.
Discipline Biodiversit eit
Datum: april 2018
39 van 92
PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN
soortenbescherming en soortenbeheer (Soortenbesluit)
Data
Soortenbeschermingsprogra mma voor de Antwerpse haven (M.B. 23 mei 2014)
23 mei 2014
Toelichting
Relevant Bespreking relevantie
andere uitheemse soorten voor zover het gaat over de introductie ervan of populatiebeheer.
Het Soortenbesluit bevat een basis voor het vaststellen van Rode lijsten door de bevoegde minister (artikel 5). Momenteel zijn er rode lijsten vastgesteld door de volgende besluiten: het ministerieel besluit van 16 maart 2011 tot vaststelling van zes Rode lijsten in uitvoering van artikel 5 van het soortenbesluit , het ministerieel besluit van 17 juni 2013 tot vaststelling van drie Rode lijsten ter uitvoering van artikel 5 van het Soortenbesluit van 15 mei 2009 en het ministerieel besluit van 12 november 2014 tot vaststelling van drie Rode lijsten ter uitvoering van artikel 5 van het Soortenbesluit van 15 mei 2009.
Het Soortenbesluit van 15 mei 2009 bevat in artikel 24-27 tevens de wettelijke basis voor het nemen van maatregelen
Ja Indaver is gelegen in het Antwerpse havengebied.
inzake soortenbehoud. De meest prominente van die
maatregelen is de mogelijkheid voor de bevoegde minister om
soortenbeschermingsprogramma's vast te stellen (artikel 26-27).
Tot op heden zijn door de minister vijf van dergelijke
soortenbeschermingsprogramma's vastgesteld, waaronder het
programma voor Antwerpen.
In de Antwerpse haven komen 51 havenspecifieke beschermde
soorten en 39 niet-havenspecifieke beschermde soorten voor.
Er werden 14 paraplusoorten geselecteerd uit de ruimere groep
van 90 beschermde soorten omdat de behoudsmaatregelen
voor deze soorten meteen ook de instandhouding van de
overige 76 beschermde soorten afdekken.
Paragraaf in dit document
Discipline Biodiversit eit
Datum: april 2018
40 van 92
PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN
Overeenkomst voor de bescherming van vleermuizen als uitvloeisel van de Conventie van Bonn
Data
Toelichting
Relevant Bespreking relevantie
Paragraaf in dit document
Conventie werd door Belgi ondertekend op 1 oktober 1990 en op 3 mei 2002 (BS 24 juli) door Vlaanderen bekrachtigd; trad in werking op 2 juni 2003
Deze conventie handelt over de bescherming van migrerende wilde diersoorten, dus bescherming over de grenzen heen. Bepaalt dat het opzettelijk vangen, houden of doden van vleermuizen verboden is. Tevens dienen sites te worden aangeduid en beschermd die belangrijk zijn voor instandhouding van deze dieren (zoals ook voorzien in de Europese habitatrichtlijn 92/43/EEG(21 mei 1992).
Neen
In natuurgebieden in de Antwerpse haven zijn vleermuizen aanwezig. Evenwel niet op de site of in de nabije omgeving van Indaver.
-
Energie
Decreet houdende algemene bepalingen betreffende het energiebeleid (Energiedecreet)
8 mei 2009
Het decreet regelt onder meer de organisatie van de elektriciteits- en aardgasmarkt in het Vlaamse gewest, milieuvriendelijke energieproductie en rationeel energiegebruik, erkenningen en energieprestaties van gebouwen.
Besluit algemene bepalingen energiebeleid
19 november 2010
Vormt het uitvoeringsbesluit het Energiedecreet. Het bevat een Titel VI `Milieuvriendelijke energieproductie en rationeel energiegebruik' waarin o.a. energieplanning voor energieintensieve inrichtingen wordt geregeld.
Benchmarking Convenant over energie-efficintie in de Vlaamse industrie
Goedgekeurd door de Vlaamse Regering op 29/11/2002
Door toe te treden tot het convenant gaan de bedrijven de verplichting aan om de energie-efficintie van hun procesinstallaties op wereldtopniveau te brengen en/of te behouden tegen 2012, er mee rekening houdend dat het wereldtopniveau ook zal verbeteren in de tussenliggende periode. (meer info: www.benchmarking.be)
Ja Indaver wordt als energie-intensief bedrijf beschouwd (> 0,5 PJ aan primair energiegebruik
per jaar) (inclusief energie-inhoud van de
-
aangevoerde afvalstoffen).
Ja Indaver wordt als energie-intensief bedrijf beschouwd (> 0,5 PJ aan primair energiegebruik
per jaar) (inclusief energie-inhoud van de
-
aangevoerde afvalstoffen).
Neen Indaver heeft geen convenant ondertekend
-
Mens
Legionellabesluit (Besluit van de Vl.R. betreffende het voorkomen van de veteranenziekte of
9 februari 2007
Regelt de bescherming van het publiek tegen de verspreiding van de Legionella-bacterie, die de veteranenziekte (Legionellose) veroorzaakt.
Neen
Indaver heeft geen installaties waarop deze regel van toepassing is.
Datum: april 2018
41 van 92
PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN
Data
Legionellose op voor het publiek toegankelijke plaatsen)
Ministerieel besluit houdende de indeling van inrichtingen in risicoklassen naargelang de kans op Legionellose.
Toelichting
Relevant Bespreking relevantie
Paragraaf in dit document
Datum: april 2018
42 van 92
PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN
3
PROJECTBESCHRIJVING
3.1
Afbakening van het project
Het project omvat het hernieuwen van de projectvergunning voor de site gelegen aan Poldervlietweg 5, Haven 550, 2030 Antwerpen. Indaver baat op deze site o.a. installaties voor verbranding van industrile en gevaarlijke afvalstoffen en een stortplaats uit. De basisvergunning voor de stortplaats en de afvalverwerkingsinstallaties op deze site vervalt op 1 januari 2020. Voorliggend project beoogt de hernieuwing van de vergunning van Indaver nv.
De site van Indaver omvat volgende kadastrale percelen:
16-B-138D/deel; 16-B-138K/deel; 16-B-138L; 18-D-28C; 18-D-80B;
en heeft gezamenlijk een oppervlakte van ongeveer 31 ha. De site is gelegen op de rechteroever van de Schelde in het Antwerpse havengebied.
Het onderwerp van dit MER beperkt zich tot de evaluatie van de impact van het bedrijf op zijn omgeving, met het oog op het hernieuwen van de vergunning. Eventuele kleine wijzigingen aan de installaties, en wijzigingen die niet MER-plichtig zijn, worden mee gevalueerd voor zover ze relevant zijn voor de milieueffecten.
Er worden voor de opmaak van dit MER geen relevante ontwikkelingsscenario's gedentificeerd, die bij het evalueren van de milieueffecten van belang kunnen zijn.
3.2
Beschrijving van de activiteiten
3.2.1 Algemeen
Indaver nv baat op haar site te Antwerpen een gentegreerd afvalverwerkingsbedrijf uit, waarvan de verschillende onderdelen worden weergegeven in Figuur 3.1.
Datum: april 2018
43 van 92
PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN
Figuur 3.1 Overzicht van de beschikbare installaties bij Indaver nv te Antwerpen.
De voornaamste vergunde activiteiten zijn:
IndaChem Storage: een categorie 1-stortplaats voor het storten van gevaarlijke afvalstoffen. 3 draaitrommelovens (DTO1, DTO2 en DTO3): 3 afvalverbrandingsinstallaties voor
o DTO1 en DTO2: vaste, vloeibare, pasteuze bedrijfs- en bijzondere afvalstoffen, elk met capaciteit van ca. 7 ton afvalstoffen per uur.
o DTO3 (MediPower): Risicohoudend Medisch Afval + verpakt afval + solventen + laag calorische vloeistoffen, voor een capaciteit van ca. 3 ton afvalstoffen per uur.
IndaChem Liquids (oude benaming: Fysicochemie 1): installatie voor de verwerking door oxidatie, reductie, immobilisatie, neutralisatie en slibontwatering van nagenoeg uitsluitend anorganische en onbrandbare afvalstoffen en de verwerking van afvalolie-emulsies. De vergunde capaciteit bedraagt 25.000 ton afvalstoffen per jaar.
IndaChem Solids (oude benaming: Fysicochemie 2): installatie voor het fysicochemisch behandelen van anorganische afvalstoffen via solidificatie, neutralisatie, metaal-immobilisatie, anionimmobilisatie en het steekvast maken. De vergunde capaciteit bedraagt 60.000 ton afvalstoffen per jaar.
IndaChem Recovery (oude benaming: Solventenrecyclage): installatie voor de recuperatie van solventen en toegerust met een distillatie-eenheid. De vergunde capaciteit bedraagt 9.000 ton afvalstoffen per jaar.
Datum: april 2018
44 van 92
PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN
3.2.2 Ontvangst en controle van aangevoerde afvalstoffen
Alle afvalstoffen die op het bedrijfsterrein toekomen, worden aan een controleprocedure onderworpen. Het betreft zowel de afvalstoffen die in de verwerkingsinstallaties verbrand, behandeld of gezuiverd worden, als de afvalstoffen die meteen op de deponie gestort worden.
Aanvoer van afvalstoffen gebeurt steeds nadat een contract is afgesloten met de producent/leverancier van de afvalstoffen. Hierbij zijn een aantal criteria vastgelegd, waaraan de betreffende afvalstof beantwoordt. Door de voorkennis van de eigenschappen van de afvalstof, bepaalt Indaver vooraf welke verwerkingstechniek toegepast moet worden en/of onder welke omstandigheden gestort kan worden.
Voor de ontvangst zijn een portiersloge, een controlelaboratorium, drie weegbruggen en een vrachtwagenparking aan de ingang van het terrein voorzien.
De specificaties waaraan de afvalstoffen moeten voldoen hangen af van de wijze waarop ze verwerkt worden. Deze specificaties zijn erop gericht dat de verwerking van de afvalstoffen tot het gewenste resultaat leidt (vernietiging, verbranding, recuperatie, reactie, immobilisatie, ...) en dat de werking van de verwerkingsinstallaties niet verstoord wordt.
3.2.3 Draaitrommelovens (DTO1, DTO2 en DTO3)
Indaver probeert zoveel mogelijk materialen uit afval te recupereren voor recycling en hergebruik. Sommige afvalstoffen, waaronder kritisch en gevoelig afval uit de chemische en farmaceutische industrie, moeten echter thermisch verwerkt worden, om te vermijden dat gevaarlijke stoffen hun weg vinden naar de materialen- of voedselketen. Indaver beschikt hiervoor over draaitrommelovens, die gevaarlijke of schadelijke componenten kunnen neutraliseren en niet terug te winnen en niet te vernietigen bestanddelen kunnen uitfilteren om ze veilig te kunnen opslaan.
In drie draaitrommelovens in Antwerpen wordt industrieel en gevaarlijk afval dat niet voor recycling in aanmerking komt, thermisch verwerkt. En daarvan is DTO3 (MediPower), dat medisch afval duurzaam en veilig verwerkt. In de ovens wordt warmte gerecupereerd, waarbij stoom wordt geproduceerd.
In Figuur 3.2 wordt de werking van DTO1 en DTO2 schematisch voorgesteld. In Figuur 3.3 wordt de werking van DTO3 voorgesteld.
Datum: april 2018
45 van 92
PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN Figuur 3.2 Schema DTO1 en DTO2
Figuur 3.3 Schema DTO3 (MediPower)
Datum: april 2018
46 van 92
PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN
Aanlevering
DTO1 en DTO2
De meeste afvalstoffen worden in bulk aangeleverd en in de bunkers gestort, van waaruit het afval met grijpers in de vulschacht wordt gebracht en zo in de draaitrommel terecht komt. Vaten worden afzonderlijk opgeslagen en afhankelijk van de inhoud geledigd, geshredderd of direct in de oven gebracht.
Vloeibare afvalstoffen worden via het tankenpark aangeleverd, waar ze via bovengrondse leidingen naar de oven worden verpompt. Viskeuze afvalstoffen, die niet te verpompen zijn, worden overgebracht naar een pastatank; vloeibare stoffen die zo weinig mogelijk mogen gemanipuleerd worden, kunnen via directe injectie vanuit een tankwagen naar de oven worden gevoerd.
DTO3 (Medipower)
DTO3 is een kleinere DTO, waar vooral medisch afval verbrand wordt. Daar dit aangeleverd wordt in vaten beschikt DTO3 enkel over een vatenopslag voor vaste afvalstoffen (medisch afval of andere vaste of vloeibare afvalstoffen) en niet over een bunker. Daarnaast worden ook vloeibare afvalstoffen verbrand die vanuit opslagtanks of door directe injectie vanuit tankwagens worden aangevoerd. Verder zijn de installatieonderdelen (zie verder) gelijkaardig voor de 3 DTO's.
Verbranding en gaszuivering
In de draaitrommelovens worden de afvalstoffen verbrand. Bij de verbranding van vaste afvalstoffen blijven slakken of bodemassen als restproduct over. De bodemassen gaan naar de slakkenopwerking waar ze ontijzerd worden met een hoogwaardige metaalfractie voor recycling als resultaat.
De rookgassen van de draaitrommel gaan naar de naverbrandingskamer, waar ze volledig uitbranden. Vervolgens doorlopen ze een gaszuivering, waarin diverse polluenten worden verwijderd.
Hieronder geven we een overzicht van de voornaamste installatieonderdelen en voor de voornaamste onderdelen een toelichting bij hun werking:
deelinstallaties voor voeding van de oven met de diverse te verbranden afvalstoffen; draaitrommeloven; naverbrandingskamer; stoomketel met selectieve niet-katalytische reductie (SNCR): warmterecuperatie en NOx-reductie; elektrofilter: verwijderen van vliegassen (stof); wasinstallatie: verwijderen van zure en basische polluenten (HCl, SO2, ...), bepaalde metalen,
alsook stof; bruinkoolfilter: verwijderen van dioxines en (zware) metalen; schoorsteen.
Draaitrommeloven
Onderstaande figuur geeft een blokschema van de activiteiten van de Draaitrommelovens.
Datum: april 2018
47 van 92
PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN Figuur 3.4: Blokschema DTO's
De draaitrommelovens verbranden de afvalstoffen bij 950 tot 1.200 C (er werd een temperatuursderogatie bekomen, waardoor de minimale temperatuur op 950 C i.p.v. op 1100 C ligt).
Datum: april 2018
48 van 92
PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN
Deze temperaturen worden bereikt dankzij de verhouding van de vaste afvalstoffen in de trommeloven en de branders van de vloeibare brandstoffen. Als steunbrandstof kan naast vloeibare afvalstoffen (afvalolie, ...) ook lichte stookolie ingezet worden.
Elke draaitrommeloven is uitgevoerd als een langzaam draaiende trommel die lichtjes afhellend is opgesteld. Door het draaien worden de te verbranden afvalstoffen gemengd en omgewoeld wat de volledigheid van de verbranding bevordert. Door de hellende opstelling verplaatst de vaste oveninhoud zich onder invloed van de zwaartekracht naar de uitgang van de oven.
Naverbrandingskamer
De verbrandingsproducten uit de draaitrommel komen in de naverbrandingskamer terecht. Het betreft typisch 15 22% bodemassen (slakken) en 78 85% rookgassen (3 5% ketel- en vliegassen en de rest gasvormig).
Aan de ingang van de naverbrandingskamer is een ontslakkingsinrichting aangesloten, welke de slakken/bodemassen van de draaitrommeloven verwerkt. De minimale verblijftijd van de rookgassen in de naverbrandingskamer bedraagt 2 seconden bij 850 1.100 C (minimum 950 C bij medisch afval in DTO3, hiervoor werd een temperatuursderogatie bekomen waardoor de minimale temperatuur voor medisch afval op 950 C i.p.v. op 1100 C ligt) en 6% zuurstofovermaat, na toevoeging van de laatste verbrandingslucht. Hierdoor wordt een maximale vernietiging van alle brandbare stoffen gegarandeerd.
Om de verbrandingstemperatuur te garanderen kunnen in de naverbrandingskamer vloeibare afvalstoffen genjecteerd worden. DTO2 is bijkomend voorzien van een inrichting om brandbare gassen onder druk (CFK's, halonen, ...) te verdampen of te ontspannen naar de naverbrandingskamer.
Stoomketel
Na de naverbrandingskamer is de stoomketel gebouwd. Een deel van de vliegassen wordt hier onder invloed van de zwaartekracht en van centrifugaalkrachten bij doorstroming van de ketelgangen afgescheiden en verwijderd. In de stoomketel wordt de warmte van de rookgassen gebruikt om water om te zetten tot stoom.
Een bijkomende behandelingstrap van de rookgassen van de draaitrommelovens gebeurt door middel van de injectie van een ureumoplossing ter hoogte van de stoomketel, waardoor een reductie van stikstofoxides tot stikstofgas (N2) wordt gerealiseerd (= SNCR-methode, een selectieve niet-katalytische reductie). De reductie verloop als volgt (sterk vereenvoudigd):
4 NO + 4 NH3 + O2 --> 4 N2 + 6 H2O
De DeNOx-installatie (in werking sinds eind 2005) is noodzakelijk om te kunnen voldoen aan de Vlarem II emissienorm voor NOx in de rookgassen van de draaitrommelovens.
Rookgaszuivering
Na de stoomketel komt de droge elektrofilter, voor de afscheiding van de vliegassen met een rendement van ca. 99,5%. De opgevangen vliegassen worden opgeslagen in afzonderlijke silo's.
Na de elektrofilter worden de rookgassen eerst afgekoeld door rechtstreekse injectie van waswater in de eerste sectie van een wastoren (zure wasser) waardoor reeds HCl geabsorbeerd wordt. Daarna worden de gassen gewassen in de tweede sectie van de wastoren met het waswater van de eerste sectie, waarvan de pH geregeld wordt met kalkmelk (Ca(OH)2). Vervolgens worden de rookgassen in een tweede wastoren (basische wasser) behandeld voor een optimale SO2-verwijdering (pH-regeling met NaOH). In de wastorens wordt nog een deel van de resterende vliegassen verwijderd, alsook metaalzouten en kwik.
Na de wassectie worden de rookgassen over een bruinkoolfilter geleid, om dioxines en furanen en de laatste sporen kwik en zware metalen te verwijderen.
Datum: april 2018
49 van 92
PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN
Vervolgens worden de rookgassen naar de schoorsteen geleid en geloosd. De rookgassen van de ovens hebben, vanwege de natte wassing, een relatieve vochtigheid van meer dan 100%, waardoor bij de meeste weersomstandigheden een duidelijke rookpluim zichtbaar is.
Reststromen
Bij deze verbranding ontstaan naast de rookgassen een aantal secundaire stromen die verder binnen Indaver verwerkt worden:
Stoom die gebruikt wordt voor opwekking van elektrische energie, voor verwarming der gebouwen, als energiedrager voor distillatie en voor diverse andere toepassingen in de fabriek, o.m. spoelen van tankwagens. Indaver is aldus m.b.t. de energievoorziening grotendeels onafhankelijk van externen.
Uitgebrande slakken worden na schrootverwijdering afgevoerd naar de deponie. Ze kunnen er gebruikt worden voor opbouw van randdijken, waarbij ze ander stabilisatiemateriaal vervangen.
Ketelassen uit de stoomketel en vliegassen uit de elektrofilter die, na de nodige behandeling in de fysicochemie-eenheden (Indachem Solids), naar de deponie worden afgevoerd.
Waswater van de gaswassing dat in de neutralisatie-eenheden van de draaitrommelovens gezuiverd wordt en vervolgens wordt geloosd.
De verzadigde bruinkool wordt terug naar de oven afgevoerd. Aldaar wordt het verbrand bij de aanwezig hoge temperaturen in de trommel. Het gehalte verontreiniging (vnl. dioxines en kwik) in de bruinkool is vergelijkbaar met en zelfs lager dan andere types afvalstoffen die in de DTO's verwerkt worden. De dioxines aanwezig op de bruinkool zullen in de vuurhaard ontbonden worden. Het kwik verdampt in de vuurhaard, en zal daarna deels in de natte wassing worden verwijderd. Het kwik komt zo in de filterkoek van de neutralisatie/waterzuivering terecht. Deze filterkoeken worden na voorbehandeling gestort op de deponie. De fractie kwik die niet in de wassing verwijderd wordt, zal via de bruinkool opnieuw gecapteerd worden. De verwijderingsefficintie van kwik is hoger dan 99%.
Voornaamste milieuaspecten van de DTO's
Draaitrommelovens
Lucht
3 schoorstenen
belangrijkste polluenten: NOx, CO, SO2, HF, HCl, dioxines, TOC, fijn stof, zware metalen
Water
waswater van de rookgaszuivering
Bodem en Grondwater
risico op bodemverontreiniging enkel bij incidenten tijdens verlading
Geluid en trillingen diverse geluidsbronnen
3.2.4 IndaChem
IndaChem Liquids: verwerking van vloeibaar anorganisch afval
Een deel van de capaciteit van IndaChem Liquids wordt ingenomen door afvalstoffen van interne oorsprong. Het betreft vooral percolaat van de stortplaats (IndaChem Storage), spuislib van de afvalwaterzuiveringsinstallaties (zowel van de algemene waterzuivering als van de specifieke zuivering (neutralisatie) van het afvalwater van de DTO's) op het terrein en spoelwaters ontstaan bij reiniging van installatieonderdelen zoals de stoomketels en de elektrofilters van de verbrandingsovens.
Datum: april 2018
50 van 92
PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN
Daarnaast biedt Indaver met de IndaChem Liquids-installatie een brede waaier aan gespecialiseerde verwerkingsmogelijkheden voor een aantal vloeibare anorganische afvalstromen, zoals:
Neutralisatie: Er worden bij Indaver verschillende zuren en basen aangeleverd. Dikwijls zijn zij belast met zware metalen en/of beperkte concentraties organische componenten. Een gecombineerde behandeling is dan noodzakelijk;
Immobilisatie: Immobilisatie is een techniek om zware metalen, anionen of zouten af te scheiden van afvalwater (vb. water uit scrubbers, vloeibare katalysatoren, diverse spoelwaters, enz.);
Oxidatie: Indaver staat in voor de oxidatie van cyanidehoudend afval en van nitriet in beperkte concentraties;
Reductie: Indaver kan instaan voor reductie van zeswaardig naar driewaardig chroom. Adsorptie: Door toevoeging van actief kool kunnen organische componenten uit een afvalstof verwijderd
worden.
De installatie bestaat uit:
opslagvoorzieningen: opslagplaats voor vaten; gietputten voor lossen van bulkafvalstoffen; opslagtanks (zuren, basen, emulsies, chromaten) die gevuld worden vanuit de gietputten; opslag van grondstoffen (NaOH, NaOCl, FeClSO4, Na2S2O3, CaO, Na2S);
3 batchreactoren in een gebouw; 4 polishertanks; 2 filterpersen.
Naar de geplande situatie toe wenst men n batchreactor te vervangen door drie kleine doorstroomreactoren.
De verwerking bestaat erin de afvalstoffen te mengen met een gepaste dosering van chemicalin. De werkwijze en de dosering moet geval per geval bepaald worden op basis van de eigenschappen en samenstelling van de afvalstoffen. In Figuur 3.5 wordt een mogelijke werkwijze schematisch voorgesteld.
Datum: april 2018
51 van 92
PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN Figuur 3.5: Schema IndaChem Liquids
Tijdens de meeste processen ontstaat warmte en damp. Alle reactoren, opslagtanks en gietputten worden afgezogen. De afgezogen lucht wordt over een basische scrubber gestuurd.
Bij de fysicochemische verwerking ontstaan slib en afvalwater. Het slib wordt ontwaterd in de filterpersen en de filterkoeken worden daarna afgevoerd naar de deponie. Het afvalwater gaat voor verdere behandeling naar de waterzuiveringsinstallatie.
IndaChem Solids: solidificatie van vast anorganisch afval
In de solidificatie-eenheid worden vaste anorganische afvalstoffen zoals vliegassen, slakken, filterkoeken, katalysatorafval, slib, verontreinigde gronden, residu's van rookgasreinigingen en sommige types zoutafval geneutraliseerd. Zware metalen en anionen ondergaan een immobilisatie.
Door toevoeging en menging met reagentia, bindmiddelen en vulstoffen zet Indaver niet-steekvaste afvalstoffen om in een eindproduct met een monolithische structuur. In vaste afvalstoffen worden zware metalen en/of anionen gemmobiliseerd, `chemisch verankerd' in een stabiel zandachtig eindproduct, zodat die componenten nog amper kunnen vrijkomen in de omgeving. Het gemmobiliseerde eindproduct wordt overgebracht naar de deponie.
De installatie bestaat uit:
opslagvoorzieningen: opslagruimte voor vaten; opslagsilo's voor cement, kalk en vliegas; opslagbekkens en mengbekkens voor afvalstoffen en grondstoffen (slakkenzand van DTO's, extern afval, cement); een mengbekken; n hydraulische kraan voor manipulatie van de vaste stoffen; 2 containers met opvangsysteem voor eindproduct; restwateropvangput;
slibtrechter, weegtrechter; vaste-stofmenger.
Datum: april 2018
52 van 92
PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN
Deze zijn schematisch voorgesteld in Figuur 3.6. Figuur 3.6: Schema IndaChem Solids - Solidificatie
De processen bestaan steeds uit een menging van de afvalstof met kalk, cement, vliegas en/of slakken. De doseer- en weegsystemen (trechters) maken een juiste mengverhouding mogelijk. De vaste-stofmenger zorgt voor een zo homogeen mogelijke vermenging zodat de gewenste reacties kunnen optreden. Daartoe kan ook ter bevochtiging een hoeveelheid water toegevoegd worden. Het eindproduct wordt afgevoerd naar de deponie met containerwagens.
Bij geen enkele van deze verwerkingsprocessen komt afvalwater vrij. De kuiswaters van het dagelijks reinigingen en het vervuilde regenwater uit de installatie worden in een opvangput afzonderlijk opgeslagen en gebruikt in de installatie zelf. Dit gebeurt in de solidificatiereactie (uitharding van een cementmengsel), waar water als proceswater gebruikt wordt.
Daar met vaste stoffen gewerkt wordt zijn er geen noemenswaardige gasvormige emissies. Wel is er sprake van een zekere diffuse stofemissie bij de manipulatie van vaste stoffen in open lucht (grijperkraan, transport met vrachtwagens, ...).
Datum: april 2018
53 van 92
PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN
Voornaamste milieuaspecten van IndaChem Liquids en IndaChem Solids
IndaChem Liquids en IndaChem Solids
Lucht
restgassen van basische scrubber (IndaChem Liquids) en diffuse stofemissies (vnl. IndaChem Solids)
belangrijkste polluenten: anorganische polluenten (IndaChem Liquids, zeer beperkt) en stof (IndaChem Solids)
Water
waswater van basische scrubber + filtraat (enkel IndaChem Liquids)
Bodem en Grondwater
risico op bodemverontreiniging enkel bij incidenten tijdens verlading
Geluid en trillingen diverse geluidsbronnen
3.2.5 IndaChem Recovery
In deze installatie werden tot enkele jaren geleden (toen onder de benaming "Solventenrecyclage" of SR) verontreinigde solventen (type thinners), gereinigd tot herbruikbare solventen. De bodemfractie bevatte de verontreinigingen die werden afgevoerd naar de DTO's. De verwerkingscapaciteit bedroeg 1.700 kg per uur en ca 4.000 ton per jaar. De installatie is vergund voor 9.000 ton per jaar.
De SR is in februari 2016 stilgelegd naar aanleiding van het incident op de site Antwerpen. Door het incident raakten zowel de laad- & losplaats als de diepkoeler beschadigd. Hierdoor, en door verslechterde marktcondities op de solvent recyclage markt, werd besloten om de SR tijdelijk niet meer op te starten.
Het recent gestarte SR revamp project bouwt de SR om naar een flexibele, breed-inzetbare installatie. De installatie kan zowel het destillaat als het residu valoriseren. Dit laat toe om het oude productgamma, de solvent recyclage stromen, uit te breiden met andere stromen. Onder andere de valorisatie van metalen uit complexe mengsels is nu mogelijk.
De producten zijn mengels bestaande uit oa laag- en hoogkokende solventen, Active Pharmaceutical Ingredients (API's), reactie-intermediates, katalysatoren,...
De installatie bestaat uit:
een distillatie-eenheid onder vacumcondities met dunne-filmverdamper, druppelafscheider, condensor en koeler;
een opslag- en mengtank (30 m), met de nodige beschermingsvoorzieningen naar veiligheid en milieu, zoals inkuiping, stikstofinertisatie en blusvoorzieningen.
Indaver plant op korte termijn de installatie terug bruikbaar te maken. Daar andere types solventen zullen worden gerecycleerd, zullen daarbij beperkte aanpassingen binnen de bestaande installatie gebeuren. Enkele relevante aspecten van de aangepaste werking (heropstart voorzien in 2019):
nieuwe los- en laadplaats; aangepast proces gericht op recuperatie van de bodemfractie; operaties niet langer onder vacum en zonder diepkoeler; afgassen van proces- en mengtank zullen op de pendelgasleiding worden aangesloten (wegvallen
van emissiepunten).
Datum: april 2018
54 van 92
PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN
In het MER zal een meer uitgebreide beschrijving van de aangepaste IndaChem Recovery worden opgenomen.
De voornaamste milieuaspecten zijn:
IndaChem Recovery
Lucht
damppluim koeltoren (niet verontreinigd)
Water
afvalwatervrij
Bodem en Grondwater
risico op bodemverontreiniging enkel bij incidenten tijdens verlading
Geluid en trillingen diverse geluidsbronnen
3.2.6 IndaChem Storage: Categorie 1 deponie
Afvalstoffen
Verbrandingsassen, residu's van de fysicochemische installaties en andere steekvaste en niet-giftige afvalstoffen worden gestort op de deponie. Indaver legde de deponie aan op eigen terreinen, in overeenstemming met de best beschikbare technologie.
Volgende stoffen zijn toegelaten op de deponie van Indaver nv:
Reststoffen van verbranding en/of behandeling van afvalstoffen; Gevaarlijke afvalstoffen na de nodige voorbehandeling; Asbesthoudende afvalstoffen; Gevaarlijke bedrijfsafvalstoffen; Bijzondere afvalstoffen die omwille van hun aard of samenstelling vergelijkbaar zijn met gevaarlijke
bedrijfsafvalstoffen; Gevaarlijk puin en gevaarlijke afbraakmaterialen, inclusief asbestcement; NORM materiaal (Naturally Occuring Radioactive Material).
De aangevoerde afvalstoffen moeten steekvast zijn, zodat de stortplaats betreedbaar is en de stabiliteit verzekerd is. De afvalstof moet hoofdzakelijk anorganisch zijn en de samenstelling moet voldoen aan de stortcriteria overeenkomstig VLAREM en vergunning. In het MER zullen de stortcriteria opgenomen en toegelicht worden.
Situering IndaChem Storage t.o.v. andere aangrenzende deponien
In het studiegebied zijn naast de deponien van Indaver nog volgende deponien aanwezig: deponie Hooge Maey: volgestort; deponie AMORAS: berging van filterkoeken van baggerspecie, voornamelijk uit de Antwerpse havendokken.
In Figuur 3.7 is de ligging van de huidige deponien aangegeven.
Datum: april 2018
55 van 92
PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN Figuur 3.7: Situering deponien
Legende: Groen: Indaver (IND): volstort Okergeel: Indaver (DPA-vallei): bij hervergunning zal ook deze volstort zijn Blauw: Hooge Maey (IHM): volstort Rood: AMORAS (AMO): in opbouw
(Bron: Pollux)
Huidige deponie van Indaver
De deponie van Indaver (IndaChem Storage) werd op verschillende tijdstippen vergund en in gebruik genomen, waardoor intern verschillende benamingen worden gehanteerd voor de verschillende delen van de deponie. Voor de volledigheid wordt hier een overzicht gegeven van de gehanteerde terminologie (Figuur 3.8):
Fase 1: Deponie 1: Meest zuidelijk gelegen gedeelte van de deponie met een oppervlakte van 5,7 ha. In gebruik sinds 1987. Vergunningstermijn is verlopen en de deponie is volgestort sinds juli 2009. Werken in kader van de eindafdek werden beindigd in augustus 2010.
Fase 2: Deponie 2: Meest noordelijke gedeelte van de deponie met een oppervlakte van 3,06 ha (grondoppervlak + spie tussen deponie 1 en 2). In gebruik sinds 1994. Er wordt ingeschat dat deze deponie volgestort en afgedekt zal zijn bij het verkrijgen van de hervergunning. Deze fase is vergund tot 2020.
Fase 3: Deponie 3: Noordoostelijke gedeelte, omsloten door deponie 1, 2 en Hooge Maey, met een oppervlakte van 2 ha. In gebruik sinds 2006. Er wordt ingeschat dat deze deponie volgestort en afgedekt zal zijn bij het verkrijgen van de hervergunning. Ook deze fase is vergund tot 2020.
Kleine deponie 4: "kleine vallei" of DPA-vallei Gelegen tussen deponie 1 en de Hooge Maey. Deze uitbreiding zorgde voor een extra stortcapaciteit van 500.000 m zonder extra grondoppervlakte in te nemen. In gebruik sinds 2012. Er wordt ingeschat dat deze deponie volgestort en afgedekt zal zijn bij het verkrijgen van de hervergunning. Vergund tot 2020.
Datum: april 2018
56 van 92
PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN
Fase 1 is reeds volgestort en afgedekt, en is niet meer vergund voor stortactiviteiten. Fase 2, 3 en 4 zijn nog vergund, maar zullen op moment van hervergunning tevens volgestort en afgedekt zijn. Na hervergunning zullen deze deponien enkel nog in nazorg zijn (geen exploitatie meer), waardoor ze niet meer in de vergunningsaanvraag opgenomen zullen worden.
Kleine vallei
Figuur 3.8 Situering van de verschillende fasen van de deponien van Indaver (Bron: Indaver).
Toekomstige uitbreiding: 3-valleien-project
Analoog aan de invulling van de `kleine vallei', bieden zich drie nieuwe valleien aan door de opbouw van de deponie van AMORAS. Ook hier ontstaat dezelfde opportuniteit om zonder bijkomende terreininname een nieuwe stortplaats in te richten met een bruto capaciteit van ca. 5.000.000 m. De situering hiervan is aangegeven in Figuur 3.9.
Datum: april 2018
57 van 92
PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN Figuur 3.9: Situering 3-valleien-project
Legende: Groen: Indaver (IND): volstort Okergeel: Indaver (DPA-vallei): bij hervergunning zal ook deze volstort zijn Lichtgroen: 3-valleien-project Indaver: nieuw Blauw: Hooge Maey (IHM): volstort Rood: AMORAS (AMO): in opbouw Paars: 3-valleien-project AMORAS : nieuw
(Bron: Pollux)
Het volstorten van een dergelijke valleicapaciteit wordt aanzien als een duurzame keuze van stortlocatie, aangezien met dit concept substantile stortcapaciteit wordt bekomen zonder in beslagname van nieuwe ruimte en dus met een uiterst beperkte footprint (ter hoogte van het maaiveld).
De valleicapaciteit die gecreerd wordt door de opbouw van de deponie van AMORAS geniet interesse van zowel Indaver als AMORAS: Er werd voor dit project in 2016 een MER opgemaakt (PRMER-2231: Opvulling van de valleien tussen de deponien van Indaver, AMORAS en Hooge Maey voor uitbreiding van de deponie van Indaver NV en AMORAS te Antwerpen - het "3-valleien"-project; Bova Enviro+; juli 2016). De vergunning voor dit project werd bekomen op 23 maart 2017. Indaver kan hierdoor haar activiteiten verderzetten op een nieuwe deponie (DPA 3V), zoals aangegeven in Figuur 3.9.
Momenteel vinden er inrichtingswerken plaats voor deze deponie. Er wordt verwacht dat men in het najaar van 2018 zal kunnen starten met de exploitatie van deze deponie.
Uitbating IndaChem Storage
Huidige situatie:
In de huidige situatie gebeurt de afvalstoffenaanvoer op de deponie (`kleine vallei') tussen 8h00 en 17h00. Buiten deze uren worden er in principe geen externe afvalstoffen voor de stortplaats geaccepteerd. Een externe afvalstof dient tijdens deze periode aangemeld te worden bij de portier. Voor aanlevering buiten deze uren dient de klant dit specifiek aan te vragen bij de Planningsdienst.
De aard, de hoeveelheden en de juiste ligging van de aangeleverde afvalstoffen worden bijgehouden in het register `deponie Antwerpen'.
De opbouw van de deponie gebeurt volgens een concreet opbouwplan. De evolutie van de deponie wordt regelmatig gecontroleerd door topografische opmetingen. De actieve zone en de lengte van het stortfront
Datum: april 2018
58 van 92
PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN
worden zo klein mogelijk gehouden. Het storten gebeurt enkel overdag. Om het afval na het lossen van vrachtwagens op de juiste plaats te brengen, zijn grondverzetmachines aanwezig.
Hemelwater laat men zo veel mogelijk oppervlakkig aflopen naar de opvang van run-off water, zodat er zo weinig mogelijk percolatie optreedt. In de deponie zijn onderaan geperforeerde buizen voorzien die percolaat opvangen. Dit water wordt afgepompt en hergebruikt als proceswater op Indachem solids en komt zo in een gesloten kringloop terug op deponie. Indien er tijdens een bepaalde exploitatiefase een teveel aan percolaat is zal dit geloosd worden binnen de geldende lozingsnormen of verwerkt worden intern of extern. afgevoerd.
Dagelijks wordt na de stortactiviteiten een afdeklaag aangebracht op de horizontale vlakken. Partijen geurgevoelige afvalstoffen worden dadelijk na het storten afgedekt. Als afdekmateriaal worden ontijzerde bodemassen gebruikt. De bodemassen kunnen vervangen worden door afvalstoffen mits deze garanderen dat stofvorming, verspreiding van zwerfvuil, en geurhinder voorkomen worden. Eventueel opwaaien van afvalmateriaal en geurhinder worden daarnaast nog beperkt door een besproeiingsprogramma bij droog en/of warm weer.
Een afzonderlijke voorziening bij de deponie is de wielwasinstallatie. Dit is een ruimte die iets breder en langer is dan een vrachtwagen. Ze is gesitueerd op het terrein van Indaver na de uitgang van de deponie op de weg naar de bedrijfsuitgang en moet door alle vrachtwagens die de deponie verlaten gebruikt worden. De zijkanten van de installatie bestaan uit twee muurtjes waarin sproeikoppen aangebracht zijn. De sproeikoppen treden automatisch in werking als een vrachtwagen de installatie binnen rijdt. De installatie zorgt ervoor dat alle vrachtwagens die de deponie oprijden en vervolgens het terrein verlaten ontdaan zijn van de grootste hoeveelheden stof, afval en aarde, die eventueel aan de wielen en de onderste delen van de vrachtwagen meegevoerd worden. Het restwater van de wielwasinstallatie wordt naar de afvalwaterzuivering geleid.
Toekomstige situatie:
In de toekomst, wanneer de huidige deponien volgestort zullen zijn, en de uitbreiding met de DVA 3V-vallei is verwezenlijkt, zal de exploitatie gelijkaardig zijn. Aanvoer van afvalstoffen zal langs het terrein van Indaver blijven gebeuren, waardoor de huidige activiteiten van de portier, afvalstoffencontrole, wielwasinstallatie, ... onveranderd zullen blijven.
Voornaamste milieuaspecten van IndaChem Storage
IndaChem Storage
Lucht
Diffuse emissies (stof, geur)
Water
Opvangen van run-off water en afpompen van percolaat
Bodem en Grondwater
Opvolging van de afdichting onderaan de Deponie (eventueel ontstaan van lekken) om het risico op bodemverontreiniging uit te sluiten
Invloed op grondwaterstroming onder en rond de Deponie
Geluid en trillingen
Mobiele geluidsbronnen bij de stortactiviteiten op de Deponie (vrachtwagens, grondverzetmachines)
Datum: april 2018
59 van 92
PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN
3.2.7 Watergebruik - Waterzuivering
Watergebruik
Indaver maakt voor haar waterbehoefte gebruik van grondwater, hemelwater en leidingwater. Hieronder geven we de respectievelijke jaardebieten uit de meest recente waterbalans (debieten 2017):
Hemelwater: 80 616 m/jaar; Grondwater: 390 749 m/jaar; Leidingwater: 295 206 m/jaar. Indaver gebruikt daarnaast ook bepaalde interne restwaterstromen om gebruik van vers water te beperken:
Gebruik van "vuilwater" (vooral neerslagwater) van de laad- en loszone (964 m) van IndaChem Solids in IndaChem Solids (771 m in 2017);
Gebruik van percolaat van de deponien in IndaChem Solids (5.039 m in 2017); Gebruik van filtraat van IndaChem Liquids in IndaChem Solids (5.303 m in 2017); Gebruik van spoelwater van de dioxinefilters in de gaswassing in de DTO's (34.899 m in 2017). In het MER wordt de waterbalans gevalueerd, vooral met het oog op eventuele verdere besparing van grond- en leidingwater.
Grondwaterwinning
Indaver onttrekt voor haar bevoorrading grondwater vanuit vier winningsputten met een vergunde diepte van 52 m.
Momenteel is een vergunningsaanvraag lopende voor een uitbreiding van de bestaande grondwaterwinning van Indaver nv. De bestaande grondwaterwinning is vergund voor het exploiteren van een grondwaterwinning op 52 m diepte voor een maximaal debiet van 3.600 m/dag en 800.000 m/jaar, tot 2019.
De geplande jaarlijkse hoeveelheid op te pompen grondwater (na hervergunning) bedraagt maximaal 400.000 m/j. Het aangevraagd te vergunnen debiet bedraagt maximaal 2.500 m/dag en 400.000 m/jaar.
Voor deze grondwaterwinning werd recent een hydrogeologische studie uitgevoerd. Deze studie zal gebruikt worden om in het MER de effecten van de grondwaterwinning te duiden.
AMORAS-water
Indaver heeft de voorbije jaren de mogelijkheid gevalueerd om gebruik te maken van een waterstroom die vrijkomt in de installaties van het buurbedrijf AMORAS. Deze waterstroom wordt momenteel via een leiding die langs de grens van het Indaver-terrein loopt, naar het Kanaaldok geleid en daar geloosd.
Het gebruik van deze waterstroom bij Indaver zou het gebruik van leiding- en/of grondwater kunnen beperken. De nodige voorbereidende studies werden hiervoor gedaan. Daaruit bleek dat het AMORASwater bruikbaar is voor bepaalde toepassingen, doch dat bepaalde verontreinigingen die aanwezig zijn in het AMORAS-water dan via het lozingspunt van Indaver zullen worden geloosd. De waterzuivering van Indaver kan deze niet verwijderen.
Er werd een vergunning aangevraagd en bekomen om dit water in de toekomst te kunnen gebruiken. Indien Indaver dit project realiseert, is in deze bekomen vergunning voorzien dat de lozingsnormen van enkele polluenten die door het project benvloed worden, verhoogd worden.
Momenteel is er geen concrete planning om het project te realiseren. Hiervoor zijn eerst een aantal (contractuele) afspraken tussen AMORAS en Indaver nodig, alsook een aantal technische aanpassingen.
Datum: april 2018
60 van 92
PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN
In het MER zullen 2 scenario's worden gevalueerd in de toekomstige situatie:
Scenario zonder gebruik van AMORAS-water Scenario met gebruik van AMORAS-water Voor beide scenario's zijn realistische aannames (debieten, samenstelling waterstromen, ...) beschikbaar, zoals opgenomen in het vergunningsdossier dat hiervoor werd opgemaakt en ingediend. Ook de verschillende lozingsnormen voor beide scenario's die in de huidige vergunning zijn opgenomen, zullen mee gevalueerd worden.
Waterzuivering
De afvalwaters van de Draaitrommelovens (vnl. waswaters van de gawassing) ondergaan een specifieke fysicochemische zuivering in de DTO-installaties. Deze zuivering is recent vernieuwd.
Alle andere verontreinigde afvalwaters worden in een centrale fysicochemische zuivering behandeld.
De aldus gezuiverde waterstromen worden samengevoegd en doorlopen nog een zandfilter alvorens ze geloosd worden.
In het MER zal een meer uitgebreide beschrijving van de verschillende afvalwaterstromen en van de waterzuivering worden opgenomen.
3.2.8 Demoplant Plastic-To-Chemicals (P2C)
Indaver plant op de site een nieuwe Demoplant P2C te bouwen. Er zal voor P2C een aparte vergunningsaanvraag worden gevraagd. Deze is gepland vr de hervergunningsaanvraag. De activiteit van de P2C plant is niet MER-plichtig. De ingebruikname van de installatie wordt pas na de hervergunning van de gehele site voorzien.
Indaver plant de effecten van P2C wel mee in de MER voor de hervergunning op te nemen om, op basis van de bekende ontwerpgegevens, een zo correct mogelijk totaalbeeld van de effecten van de gehele site op iets langere termijn te geven. Een gelijkaardige aanpak is gekozen voor het OVR.
In de Demoplant zullen uit plasticafval (samengestelde folies zoals polyethyleen/aluminium, polystyreenisolatie van koelkasten, ...) volgende bruikbare fracties worden bekomen:
Nafta (kookpunt < 210 C) en Nafta (kookpunt 210-370 C): recupereerbaar in petrochemie (steamcrackers).
Paraffine was (C20-C50): bruikbaar als smeermiddel of voor productie van kaarsen. Styreen: bruikbaar in petrochemie (productie van polystyreen). Men beoogt een productie van 2 ton/uur bruikbare producten (48 ton/dag, 15 000 ton/jaar).
Het proces omvat een verwarming van het plastic afval tot 450 500 C zonder aanwezigheid van zuurstof. Bij deze omstandigheden worden de plasticketens gekraakt tot kleinere moleculen. Deze verdampen en worden in fracties gescheiden door distillatie. De fracties worden zo nodig gehydrogeneerd om onzuiverheden te verwijderen en een verzadigde paraffine te bekomen. Paraffinewas wordt uit de zwaarste fractie bekomen door extractie.
Datum: april 2018
61 van 92
PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN
De installatie omvat volgende onderdelen:
Silo's voor stockage van plastic granulaat afval, voorzien van transportsystemen (transportband). Extruder: Hierin wordt het granulaat gesmolten en verwarmd tot 350 C. Krakers: Er worden 2 parallelle kraaklijnen voorzien. De kraking gebeurt in 2 stappen bij
temperaturen tot 500 C. Er zijn dus in totaal 4 krakers. Elke kraker heeft een volume van 6 m (4 m vloeistof en 2 m gas) en werkt bij een lichte overdruk (50 mbar). Condensatie: De kraakgassen worden verzameld en vloeibaar gemaakt in een condensatie in 2 stappen (80 C en 20 C). Men bekomt een samengesteld olie-mengsel met moleculen van C6 tot C55. Distillatie: De gecondenseerde `olie' wordt in een vacumdistillatiekolom gescheiden in fracties (C6C30, C30-C40 en C40-C55). Fractionering: De lichtste fractie (C6-C30) wordt in een fractionering bij atmosferische druk verder gescheiden in deelfracties (C6-C12, C12-C20 en C20-C30). Alle vloeistoffen (gecondenseerde olie en de verschillende fracties) worden opgevangen en gestockeerd in een aantal tanks. Hydrogenatie: Daar er, afhankelijk van de verwerkte plastics, onzuiverheden in de bekomen vloeistoffen aanwezig zullen zijn (zwavel, halogenen, zuurstof, stikstof, ...) en daar de olie deels onverzadigde verbindingen bevat zal een hydrogenatie de kwaliteit van de bekomen fracties verbeteren. De te hydrogeneren fracties worden naar een afzonderlijke hydrogenatie-installatie gepompt. Deze bestaat uit 2 reactoren van 4 m elk, waarin de olie intens vermengd wordt met waterstofgas. De reactie vindt plaats in batch, gedurende 1 uur bij 250 C en 60 bar met katalysator. De katalysator kan gerecupereerd worden. De onzuiverheden worden als restgas afgeleid. Extractie: In deze deelinstallatie vindt een extractie van lineaire koolwaterstoffen plaats (afscheiding van vertakte, cyclische en aromatische koolwaterstoffen) uit de zwaarste fracties, om een paraffine was te bekomen met hoge zuiverheid. Hiervoor wordt een mengsel van MEK en tolueen gebruikt als solvent. De extractie omvat het mengen van de behandelde fractie met het solvent, 3 opeenvolgende kristallisatie-filtratie-stappen (-30 C, -5 C en 10 C) en een solventherwinning. De capaciteit van de extractie is beperkt 1 ton/uur. Restgassen van de extruders, niet condenseerbare gassen van de condensatie, restgassen van de hydrogenatie, ... worden als brandstof gebruikt voor de branders van de P2C-installatie. De installatie zal dus een emissiepunt voor de rookgassen van de branders hebben. Verder zal deze installatie stoom en elektriciteit gebruiken.
In het MER zullen eventuele relevante milieu-aspecten van deze installatie gevalueerd worden op basis van ontwerp-gegevens. Het betreft emissiepunten van branders, het voorzien energiegebruik (verwarming, koeling, ...) en eventueel geluidsemissies. Het proces genereert geen relevante afvalwaterstroom.
Datum: april 2018
62 van 92
PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN
4
ALTERNATIEVEN
4.1
Nulalternatief
Het nulalternatief omschrijft de ontwikkeling die volgt wanneer noch het project noch enig alternatief ervoor wordt uitgevoerd. Het nulalternatief kan gebruikt worden als referentiekader om de milieueffecten te beoordelen. Het nulalternatief is bijgevolg de toestand en de evolutie van het studiegebied, indien het project geen doorgang vindt.
Het nulalternatief betreft hier het behoud van de exploitatie van Indaver nv tot 01/01/2020.
Voor P2C is het nulalternatief geen Demo-plant te bouwen op de site van Indaver. Als indaver dit niet doet is de kans zeer groot dat er spoedig een gelijkaardig initiatief op een andere locatie niet van Indaver komt. Gezien de maatschappelijke relevantie en de snelheid waarmee de economische wereld zich aanpast naar een circulaire economie is er een grote vraag naar het realiseren van dergelijke Demo-plant.
4.2
Locatiealternatieven
Aangezien er geen uitbreiding van de vergunning wordt aangevraagd, en er geen nieuwe infrastructuren zullen worden gebouwd, worden voor de hervergunning geen locatiealternatieven overwogen.
Wel komt op site Antwerpen een nieuwe installatie P2C. Deze zal een aparte ingedeelde inrichting of activiteit zijn (IIA) waarvoor een aparte vergunning zal aangevraagd worden. Na overleg met de Dienst MER werd deze activiteit als niet MER-plichtig overeenkomstig bijlage 1 of 2 van het MER-besluit beoordeeld. De P2C-installatie wordt al in dit MER opgenomen om een volledig zicht te geven op de milieueffecten op iets langere termijn.
Voor de P2C-installatie werden wel locatiealternatieven bekeken. Gezien deze nieuwe installatie SevesoHoge drempel zal zijn geeft de inplanting op Site Antwerpen, die al Hoge-drempel Seveso is, een aantal voordelen en synergin die andere Indaver sites niet kunnen bieden. Daarnaast zijn er voordelen naar gebruik van stoom en elektriciteit van de draaitrommelovens en gebruik van andere randinfrastructuur als , wegenis, riolering, onderhoudsdienst, ed.
4.3
Uitvoeringsalternatieven
In het MER zullen voor het gebruikte water 2 scenario's worden gevalueerd in de toekomstige situatie (zie paragraaf 3.2.7.3):
Scenario zonder gebruik van AMORAS-water
Scenario met gebruik van AMORAS-water
Aangezien er geen belangrijke uitbreiding van de vergunning wordt aangevraagd, en er geen nieuwe infrastructuren zullen worden gebouwd, worden voor dit project verder geen uitvoeringsalternatieven overwogen.
In het MER zal de toepassing van de BBT getoetst worden aan de hand van de relevante BREF-rapporten. Het betreft vooral de BREF "Waste Incineration" en BREF "Waste Treatment". Beide documenten dateren van 2006 en zijn momenteel in revisie. Er zijn reeds draftversies van de nieuwe BREF-documenten van 2017 beschikbaar.
Zowel de bestaande installaties, als de geplande beperkte wijzigingen (aan IndaChem Liquids,en IndaChem Recovery) en P2C zullen gevalueerd worden.
Datum: april 2018
63 van 92
PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN
5
REFERENTIESITUATIE, GEPLANDE SITUATIE EN
ONTWIKKELINGSSCENARIO'S
5.1
Referentiesituatie
De referentiesituatie wordt gedefinieerd als `de toestand van het studiegebied waarnaar gerefereerd wordt in functie van de effectvoorspelling'. Het is de situatie waarmee de situatie bij uitvoeren en functioneren van een project vergeleken wordt om tot een duiding van de milieueffecten te komen.
In dit MER wordt de situatie van het studiegebied en van de leefgemeenschap, met name de situatie op vlak van lucht-, water- en bodemkwaliteit en de geluidstoestand in het jaar 2017 als referentiesituatie weerhouden. Met betrekking tot de emissies betekent de referentiesituatie de emissies van de exploitatie van Indaver eveneens in het referentiejaar 2017.
5.2
Geplande situatie
5.2.1 Aanlegfase
Het MER voor de hervergunning zal geen relevante uitbreidingen op de site van Indaver evalueren.
Voor de vergunning van de nieuwe P2C Demoplant zal een aparte vergunningsprocedure worden doorlopen. De effecten van de aanlegfase voor deze installatie zullen in die specifieke vergunningsaanvraag worden gevalueerd en worden niet hernomen in het MER voor de hervergunning. Het betreft effecten die verband houden met volgende aspecten:
Innemen van een beperkte braakliggende zone op het bedrijfsterrein (groenperk, geen relevante begroeing aanwezig).
Tijdelijke bemaling voor werken onder het maaiveld (funderingen, opvangputten, ...), met lozing van het bemalingswater via de waterzuivering van Indaver.
Beperkt grondverzet voor werken onder het maaiveld (funderingen, opvangputten, ...), waarbij volgens de regelgeving controles gebeuren op eventuele verontreiniging van de grond, zodat deze op gepaste wijze kan worden afgevoerd en/of hergebruikt. Het betreft grondwerken in opgespoten bodemlagen.
Werfgeluid tijdens de aanlegfase. Stofemissies tijdens de aanlegfase, die beperkt worden door de maatregelen die in de regelgeving
(Vlarem) opgelegd worden tijdens activiteiten met een grote kans op stofemissies (grondwerken, slijpen, ...).
Er wordt daarom in het MER geen evaluatie van de milieueffecten in de aanlegfase voorzien.
5.2.2 Exploitatiefase
De geplande situatie wordt bekomen door de effecten in het referentiejaar 2017 te vermeerderen met de verwachte impact van de geplande wijzigingen en uitbreidingen zoals hoger beschreven. Aangezien er geen belangrijke aanpassingen of uitbreidingen beoogd worden, is de geplande situatie grotendeels gelijk aan de huidig vergunde situatie. Volgende zaken worden in de evaluatie van de geplande situatie beschouwd:
Twee scenario's voor het watergebruik: met of zonder gebruik van AMORAS-water (zoals
opgenomen in de huidige vergunning). Dit aangezien voor beide scenario's een andere set
lozingsvoorwaarden van toepassing zal aangevraagd worden.
Beperkte wijzigingen aan IndaChem Liquids en IndaChem Recovery.
Uitbreiding met Demo-plant Plastic-To-Chemicals:
o Extra restgassen o Extra geluidsemissie o Extra afvalwater (zeer beperkt) o Evaluatie van bodembeschermende maatregelen die het extra risico op
bodemverontreiniging t.h.v. opslagvoorzieningen en verwerkingsinstallatie beperken
Datum: april 2018
65 van 92
PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN
5.3
Ontwikkelingsscenario's
Ontwikkelingsscenario's beschrijven de evolutie van het studiegebied in de toekomst, rekening houdend met de autonome evolutie van het gebied en met de evolutie onder invloed van plannen en beleidsopties. De autonome ontwikkeling van een studiegebied zijn de veranderingen aan dat gebied zonder gestuurde benvloeding van buiten af. Bij de gestuurde ontwikkelingen wordt rekening gehouden met het geplande beleid, zoals bv. bepaald door het gewestplan, ruimtelijke uitvoeringsplannen, structuurplannen of gekende, geplande ontwikkelingen.
Deze scenario's dienen beschreven te worden ter aanvulling van de referentiesituatie, indien er redenen zijn om aan te nemen dat deze toestand in de toekomst ingrijpend kan veranderen. Deze veranderingen kunnen onder impuls geschieden van zowel de autonome ontwikkeling als door de mens gestuurde ontwikkelingen.
In het kader van dit MER worden geen belangrijke ontwikkelingsscenario's opgenomen aangezien niet verwacht wordt dat het studiegebied wijzigingen zal ondergaan die een relevante impact zullen hebben op de inhoud van dit MER. Indien uit het verdere verloop van de m.e.r.-procedure zou blijken dat er toch relevante ontwikkelingsscenario's zijn, zullen deze uiteraard mee beschouwd worden.
Datum: april 2018
66 van 92
PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN
6
INGREEP-EFFECTRELATIES
Bij de bepaling van de te verwachten effecten worden de mogelijke ingrepen in beschouwing genomen die aanleiding kunnen geven tot effecten. Voor het beschouwde project wordt enkel de exploitatiefase in beschouwing genomen, aangezien er geen relevante wijziging of uitbreiding van de activiteiten zal plaatsvinden.
De exploitatie omvat de verbranding van afval, de op- en overslag van afvalstoffen, hulpstoffen en eindproducten, de stortactiviteiten op de Deponie en het transport.
Hierna wordt per discipline een overzicht gegeven van de voornaamste te verwachten milieueffecten.
6.1
Lucht
Het belangrijkste te verwachten milieueffect voor de discipline lucht is de benvloeding van de luchtkwaliteit ten gevolge van atmosferische emissies. Deze zijn vooral afkomstig van de verbrandingsinstallaties en in mindere mate ook van laad- en losactiviteiten, op- en overslag, activiteiten op de deponie,... . Mogelijk relevante effecten die deze emissies teweeg brengen zijn ook eventuele gezondheidseffecten bij de omwonenden en ecotoxicologische effecten.
De P2C demoplant heeft een nieuw bijkomend emissiepunt naar lucht.
6.2
Oppervlaktewater
Voor de discipline oppervlaktewater is het belangrijkste te verwachten milieueffect benvloeding van de waterkwaliteit en -kwantiteit door de lozing van het afvalwater van Indaver nv.
Het afvalwater van Indaver wordt, na zuivering, geloosd in de Hoofdgracht van het Verlegde Schijn net naast het pompstation (< 100 meter). Het geloosde water komt dus, met het water van de Hoofdgracht, in het Kanaaldok terecht.
Het belangrijkste te verwachten milieueffect is hier dan ook de verontreiniging van de Hoofdgracht (zeer lokaal en daardoor beschouwd als niet relevant) en het Kanaaldok.
6.3
Bodem en grondwater
De voornaamste te verwachten effecten tijdens de exploitatiefase zijn:
bodem- en of grondwaterverontreiniging t.g.v.: historische activiteiten mogelijke incidenten/lekken bij de productieprocessen; mogelijke incidenten/lekken bij op- en overslag van afvalstoffen, hulpstoffen en eindproducten; mogelijke lekken van boven- en ondergrondse leidingen; aanwezigheid van de deponie (monitoring);
benvloeding van de grondwaterhuishouding als gevolg van het oppompen van grondwater.
6.4
Geluid en trillingen
Productie, overslag en transport zijn de belangrijkste bronnen voor mogelijke geluidseffecten. De geluidsemissie ten gevolge van de exploitatie zal het dominante effect zijn voor deze discipline.
Datum: april 2018
67 van 92
PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN
6.5
Biodiversiteit
Mogelijke effecten ten opzichte van biodiversiteit zijn het gevolg van de abiotische effecten. De effectgroepen die bij Indaver van belang kunnen zijn, zijn:
(fyto)toxiciteit via atmosferische emissies; ecotoxiciteit voor aquatische organismen ten gevolge van de lozing van afvalwater; verschraling door voedselaanrijking ontvangende waterlopen; rustverstoring ten gevolge van geluidsoverlast en lichthinder.
6.6
Mens
Mogelijk te verwachten effecten voor de mens zijn het gevolg van abiotische effecten. Mogelijke effecten die de nodige aandacht verdienen zijn:
gezondheidseffecten: toxicologische effecten ten gevolge van gasvormige emissies; hinder ten gevolge van geluid, geur, verkeer en eventueel licht en visuele hinder.
6.7
Overige disciplines: Landschap, bouwkundig erfgoed en
archeologie
Aangezien het project hoofdzakelijk de evaluatie van bestaande installaties omvat, wordt geen impact op het landschap, bouwkundig erfgoed en op archeologie verwacht.
6.8
Ingreep-effecttabel
In Tabel 6.1 wordt voor de disciplines die door erkende deskundigen behandeld worden tenslotte een overzicht gegeven van de ingrepen en mogelijk te verwachten effecten onder de vorm van een matrix.
Tabel 6.1: Ingreep-effectmatrix Oorzaak/Effect
Verwerkingsinstallaties
Opslag
Transport
Deponie
Abiotische effecten
Lucht: Benvloeding luchtkwaliteit
X
X
X
X
Water:
Benvloeding waterkwaliteit
X
-
-
X
Benvloeding waterkwantiteit
X
-
-
X
Bodem en grondwater: Bodem- en
grondwaterverontreiniging Benvloeding
grondwaterhuishouding
X
X
X
X
X
-
-
X
Geluid en trillingen:
Benvloeding geluidsklimaat
X
X
X
Datum: april 2018
68 van 92
PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN
Oorzaak/Effect
Biotische effecten
Biodiversiteit: (fyto)toxiciteit via atmosferische
emissies Ecotoxiciteit voor aquatische
organismen Rustverstoring
Mens: Gezondheidseffecten Hinder (geur, geluid, verkeer) Wijziging veiligheidssituatie Visuele aspecten
Verwerkingsinstallaties
Opslag
X X X
X
X
X
X
X
X
X
Transport
Deponie
X
X
X
X
X
X
Legende:
X : - :
er is mogelijk een effect er is geen effect te verwachten
6.9
Interdisciplinaire gegevensoverdracht
Uiteraard bestaan er tussen de disciplines belangrijke interacties en zal een gegevensoverdracht nodig zijn. De belangrijkste vectoren van gegevensoverdracht zijn de volgende:
Effecten m.b.t. de luchtkwaliteit: Fytotoxiciteit (biodiversiteit); Gezondheid van de mens; Hinder voor de mens (geur); Zure/eutrofirende depositie (biodiversiteit);
Effecten m.b.t. oppervlaktewater: Ecotoxiciteit (Biodiversiteit);
Effecten m.b.t. geluid en trillingen: Hinder voor de mens; Rustverstoring (Biodiversiteit);
Effecten m.b.t. bodem en grondwater: Gezondheidseffecten voor de mens; Aantasting flora;
Lichtinvloed: Hinder voor de mens;
Landschappelijke beleving: Visuele hinder voor de mens.
Datum: april 2018
69 van 92
PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN
7
EFFECTBESCHRIJVING EN -BEOORDELING
Hierna wordt per discipline een beschrijving gegeven van de methodiek die gevolgd zal worden voor de beschrijving en beoordeling van de milieueffecten. Deze beschrijving omvat telkens de volgende elementen:
afbakening van het studiegebied; beschrijving van de methodiek, inclusief beschikbare basisgegevens die zullen worden gebruikt en
geplande metingen; beschrijving van de referentiesituatie; effectbeschrijving en -beoordeling; milderende maatregelen.
7.1
Lucht
7.1.1 Afbakening van het studiegebied
Wat de mogelijke luchtverontreiniging betreft, zal het studiegebied bepaald worden door de mogelijke verspreiding van de polluenten rond de site van Indaver nv. Aangenomen wordt (op basis van gelijkaardige evaluaties in voorgaande MER's) dat de bijdrage van deze verspreiding verwaarloosbaar zal worden op een afstand van meer dan 5 km. Om deze reden wordt een studiegebied met een straal van 5 km t.o.v. het projectgebied voorgesteld.
7.1.2 Beschrijving van de referentiesituatie
De actuele kwaliteit van de omgevingslucht wordt gekarakteriseerd op basis van:
luchtkwaliteitskaarten, opgemaakt door VMM (meest recente beschikbare jaar = 2016); gegevens van het VMM meetstations in het studiegebied.
De actuele kwaliteit van de omgevingslucht zal getoetst worden ten opzichte van de geldende normen en kwaliteitsdoelstellingen.
In eerste instantie worden de emissies gekarakteriseerd en gekwantificeerd. Hierbij worden in de referentiesituatie volgende emissies onderscheiden:
de geleide procesemissies van: de 3 schoorstenen van de verbrandingsinstallaties (DTO1, DTO2 en DTO3); de uitlaat van de afzuiging/ scrubber van IndaChem Liquids; scrubber ompakruimten
de niet-geleide emissies: deze omvatten diverse emissies die ontstaan: bij laden en lossen en tijdens opslag vanuit opslagvoorzieningen (tanks, silo's, bekkens, gietputten, bunkers, ...); bij welbepaalde activiteiten zoals de vatenshredder, tankcleaning, mengers IndaChem Solids, ... vanop de deponie; de voornaamste emissies worden voorkomen of beperkt door afzuigingen (bvb. pendelgasleiding naar DTO's, lokale scrubbers of filters, ... deze emissies zullen in het MER gevalueerd worden op basis van de beschrijvingen en de kwantificering in voorgaande MER's, geactualiseerd met recente gegevens;
In de geplande situatie zijn er van P2C een bijkomend geleid emissiepunt (emissiepunt turbine) en nietgeleide emissies van laden en lossen en opslag .
De kwantificering van de emissies zal voor de voornaamste emissiebronnen plaatsvinden aan de hand van meetgegevens. Voor minder belangrijke emissiebronnen, zal een (worst case) inschatting gedaan worden op basis van andere beschikbare gegevens (procesgegevens, indicatieve meting, ...).
Datum: april 2018
71 van 92
PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN
Voor de kwantificering van de maximale emissies van de Draaitrommelovens in de geplande situatie, zal een worst case berekening worden gedaan op basis van het te vergunnen thermisch vermogen van de ovens. De voeding van de ovens wordt immers beperkt door het thermisch vermogen en niet zozeer door de hoeveelheid afvalstoffen. Rekening houdend met de calorische waarde van het afval zal een worst case emissie (debiet, ...) worden bepaald.
7.1.3 Effectbeschrijving en -beoordeling
De impact van de emissies op de luchtkwaliteit wordt in kaart gebracht, en dit voor alle scenario's. Voor de voornaamste parameters zal een inschatting gemaakt worden van de immissiebijdrage van het bedrijf op de concentraties in de omgeving. Hiertoe zal het IMPACT-model gebruikt worden en zal de berekeningsmethode uit Vlarem II gevolgd worden. Dit model berekent voor een gemiddeld meteorologisch jaar de concentratie van een bepaalde contaminant in een rooster van punten rond de bron. De bekomen percentielscontouren worden voorgesteld op een kaart van de omgeving.
Daar bij Indaver afval met een zeer diverse samenstelling verbrand wordt kunnen verschillende polluenten in de rookgassen aanwezig zijn. De verbrandingsinstallaties zijn echter uitgerust met een uitgebreide gaszuivering, waardoor de meeste polluenten zeer grondig verwijderd worden. De emissies van afvalverbrandingsovens zijn onderworpen aan specifieke emissiegrenswaarden voor alle relevante polluenten, zoals vastgelegd in Vlarem II op basis van Europese regelgeving. De emissies worden gemonitord (emissiemetingen) om na te gaan of de emissiegrenswaarden gerespecteerd worden.
In het MER zal een selectie van relevante polluenten (polluenten met een mogelijk schadelijk effect in de omgeving) worden gemaakt. Dit zal gebeuren volgens de voorschriften uit het MER Richtlijnenboek Lucht. Enkel voor de geselecteerde polluenten wordt een effectevaluatie met dispersieberekeningen uitgevoerd. In het MER zal gemotiveerd worden waarom andere polluenten niet als relevante polluent worden geselecteerd.
In voorgaande MER's kwam men daarbij tot onderstaande selectie (deze zal mogelijk nog worden aangepast in het nieuwe MER):
NOx SO2 PM10 Dioxines (TEQ)
De berekende immissiebijdragen van de Indaver-emissies zullen worden getoetst aan de normen en aan de kwaliteitsdoelstellingen voor luchtverontreiniging.
De beoordeling zal gebaseerd zijn op:
de mate waarin zal voldaan worden aan de normen/luchtkwaliteitsdoelstellingen; het belang van de bijdrage van Indaver nv tot de luchtverontreiniging; de omvang van het gebied waarover zich bovengenoemde effecten kunnen voordoen.
Voor de evaluatie zal gebruik gemaakt worden van de verschillende normen, richtwaarden, grenswaarden, standaarden, ... zoals opgenomen in de momenteel van toepassing zijnde juridische randvoorwaarden.
De in het Richtlijnenboek Lucht (Geactualiseerde versie, Januari 2012) voorgeschreven significatiekaders zullen worden gevolgd, enerzijds voor jaargemiddelden (Tabel 7.1) en anderzijds voor uur- en daggemiddelden (Tabel 7.2).
Datum: april 2018
72 van 92
PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN
Tabel 7.1 Significantiekader voor jaargemiddelden Beoordeling bijdrage
Score
Gemiddelde
Beperkte bijdrage
-1
immissiebijdrage > 1% van
de milieukwaliteitsnorm of
richtwaarde of toegelaten
aantal overschrijdingen
Gemiddelde
Belangrijke bijdrage
-2
immissiebijdrage > 3% van
de milieukwaliteitsnorm of
richtwaarde of toegelaten
aantal overschrijdingen
Gemiddelde
Zeer belangrijke bijdrage -3
immissiebijdrage > 10% van
de milieukwaliteitsnorm of
richtwaarde of toegelaten
aantal overschrijdingen
Koppeling met milderende maatregelen
Onderzoek naar milderende maatregelen is minder dwingend tenzij de milieukwaliteitsnorm in de referentiesituatie reeds voor 80% ingenomen is
Milderende maatregelen dienen gezocht te worden binnen het MER met zicht op implementatie op korte termijn
Milderende maatregelen zijn essentieel
Tabel 7.2 Significantiekader voor uur- en daggemiddelden (percentielen) Beoordeling bijdrage
Immissiebijdrage > 1% van de milieukwaliteitsnorm of richtwaarde of toegelaten aantal overschrijdingen
Beperkte bijdrage
Immissiebijdrage > 5% van de milieukwaliteitsnorm of richtwaarde of toegelaten aantal overschrijdingen
Belangrijke bijdrage
Immissiebijdrage > 20% van de milieukwaliteitsnorm of richtwaarde of toegelaten aantal overschrijdingen
Zeer belangrijke bijdrage
Score -1 -2 -3
Deze beoordelingscriteria zijn richtinggevend en niet noodzakelijk als absolute waarden te beschouwen. Indien dient te worden afgeweken van bovenvermelde significantiekaders, zal dit omstandig gemotiveerd worden.
7.1.4 Milderende maatregelen
In het geval zich als gevolg van het project significant negatieve effecten zouden voordoen, zullen milderende maatregelen worden voorgesteld. Ook voor minder uitgesproken negatieve effecten kunnen milderende maatregelen voorgesteld worden, bvb. als er nog BBT-maatregelen zijn, die nog niet worden toegepast.
Datum: april 2018
73 van 92
PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN
7.2
Oppervlaktewater
7.2.1 Afbakening van het studiegebied
Het lozingspunt van Indaver ligt in de Hoofdgracht van de Verlegde Schijn net naast het pompstation (< 100 meter). Het geloosde water komt dus, met het water van de Hoofdgracht, in het Kanaaldok terecht. De milieueffecten van de Indaver-lozing op de Verlegde Schijn zijn daardoor zo goed als onbestaand, doch worden verplaatst naar het Kanaaldok.
Het studiegebied zal bijgevolg de Verlegde Schijn (zeer beperkt) en het Kanaaldok omvatten. Voor het Kanaaldok richten we ons op een zone die zich uitstrekt vanaf ongeveer 1 km stroomopwaarts tot ca. 2 km stroomafwaarts van het lozingspunt van Indaver.
7.2.2 Beschrijving van de referentiesituatie en lozing
Referentiesituatie oppervlaktewater
De hydrologische karakteristieken en de waterkwaliteit van het Kanaaldok en de Verlegde Schijn, worden zowel stroomopwaarts als stroomafwaarts van het lozingspunt van Indaver nv gekarakteriseerd. Daartoe wordt gebruik gemaakt van de gegevens van het VMM-meetnet en gegevens van specifieke studies in de omgeving (VMM en VITO). De stroomopwaartse toestand geeft de nulhypothese aan, terwijl de stroomafwaartse toestand de referentiesituatie weergeeft. De waterkwaliteit van het ontvangend oppervlaktewater wordt getoetst aan de waterkwaliteitsdoelstellingen die van toepassing zijn. Op die manier kan de gewenste situatie geverifieerd worden.
Referentiesituatie lozing
Voor de referentiesituatie van de emissies wordt gebruik gemaakt van de meetgegevens van het referentiejaar 2017 voor de relevante parameters in het geloosde effluent.
De lozingsvrachten in de referentiesituatie worden in kaart gebracht aan de hand van de metingen op de geloosde debieten en extrapolatie van deze gegevens naar de maximale productiecapaciteit.
Geplande situatie lozing
De vrachten in de geplande situatie worden in kaart gebracht aan de hand van de samenstelling en het debiet van eventuele bijkomende afvalwaterstromen.
De emissiesituatie voor de geplande situatie zal in kaart gebracht worden bij volcontinu bedrijf.
AMORAS-Water
Zoals reeds aangehaald (zie paragraaf 3.2.7.3) zullen in de geplande situatie 2 scenario's worden gevalueerd:
Scenario zonder gebruik van AMORAS-water Scenario met gebruik van AMORAS-water
Voor beide scenario's zijn realistische aannames (debieten, samenstelling waterstromen, ...) beschikbaar, zoals opgenomen in het vergunningsdossier dat hiervoor werd opgemaakt en ingediend. Ook de verschillende lozingsnormen voor beide scenario's die in de huidige vergunning zijn opgenomen (zie paragraaf 2.2.4), zullen mee gevalueerd worden.
7.2.3 Effectbeschrijving en -beoordeling
De effecten die binnen de discipline oppervlaktewater besproken worden, zijn (per scenario):
de waterhuishouding: er wordt een waterbalans opgesteld waarbij de ingaande en uitgaande stromen en verliezen in kaart gebracht worden;
mogelijke oppervlaktewaterverontreiniging van het Kanaaldok ten gevolge van de lozing van afvalwater;
Datum: april 2018
74 van 92
PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN
impact op de afvoer van het Kanaaldok.
Naast het opstellen van de waterbalans zal met het oog op de evaluatie van de mogelijke oppervlaktewaterverontreiniging overgegaan worden tot een beschrijving en zo kwantitatief mogelijke inschatting van het debiet en de samenstelling van het geloosde afvalwater. Ook de waterzuiveringsinstallatie wordt beschreven.
De emissiesituatie zal voor alle relevante parameters (CZV, BZV, Ntot, Ptot, kwik (Hg), chloraat (ClO3-), chloriden (Cl-), sulfaat (SO42-), metalen, vrije chloor en EOX, kalium, jodide, bromide) in kaart worden gebracht en de geloosde vuilvrachten worden berekend.
Met betrekking tot de impact van de lozing wordt zowel gekeken naar de permanente (gemiddelde) impact als naar de tijdelijke (worst case) impact. Voor beide situaties wordt zowel de referentiesituatie als de geplande situatie in beeld gebracht.
Permanente (gemiddelde) impact
Voor de evaluatie van de permanente (gemiddelde impact) van de lozing wordt, indien hiervoor voldoende informatie beschikbaar is, de methodiek van de meest recente versie van het richtlijnenboek voor de discipline water gebruikt (juni 2011). Deze methodiek bestaat er in eerste instantie uit om stroomafwaarts een lozing voor parameter x de concentratieverhoging Cv bij volledige menging te berekenen volgens de volgende formule:
= +
waarbij Ce = concentratie parameter x in het geloosde water (jaargemiddelde) QL = lozingsdebiet afvalwaterstroom (jaardebiet) Qopp = afvoerdebiet oppervlaktewater (gemiddeld tijdebiet)
Om de significantie van de permanente impact van de lozing te duiden, wordt onderstaand beoordelingskader uit het vermelde richtlijnenboek gehanteerd. Als toetsingswaarde worden de milieukwaliteitsnormen gebruikt.
Tabel 7.3: Significantiekader permanente impact discipline water
Totale concentratieverhoging lozingen (X) vs. toetsingswaarde
1% < X 10%
10% < X 20%
X > 20%
Huidige immissiekwaliteit (Y) vs. toetsingswaarde
Y < 50%
-1
-1
-2
50% Y < 75%
-1
-2
-3
Y 75%
-2
-3
-3
-1: beperkte bijdrage -2 relevante bijdrage
-3: belangrijke bijdrage
Y = gemiddelde immissiekwaliteit stroomopwaarts van de lozing
Datum: april 2018
75 van 92
PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN
Tijdelijke (worst case) impact
Naast de permanente impact wordt in het MER ook de tijdelijke impact van een lozing bekeken. De beoordeling van deze tijdelijke of worst case impact is er op gericht om na te gaan of onder bepaalde/tijdelijke omstandigheden de lozing aanleiding kan geven tot een relevant/onaanvaardbaar effect
Naar analogie met de evaluatie van de permanente (gemiddelde) impact, moet voor de evaluatie van de worst case impact in eerste instantie een concentratieverhoging berekend worden. Hiertoe kan dezelfde methodiek gehanteerd worden zoals beschreven bij de evaluatie van de permanente impact. Verschilpunten zitten hem evenwel in de te hanteren uitgangsgegevens. De gehanteerde uitgangsgegevens moeten een worstcase lozingssituatie reflecteren (laag afvoerdebiet (bv. P10) vs. hoge lozingsconcentraties / vuilvracht). In dit MER wordt gerekend met de lozingsnormen vs. het afvoerdebiet van het Kanaaldok.
Voor de beoordeling van de tijdelijke (worst case) impact van niet gevaarlijke stoffen wordt het volgende significantiekader uit het Richtlijnenboek water gebruikt:
Tabel 7.4: Significantiekader tijdelijke impact discipline water: niet gevaarlijke stoffen
Gemodelleerde concentratieverhoging 0,5 x TW
Verwaarloosbaar tijdelijk effect
Gemodelleerde concentratieverhoging > 0,5 x TW en TW
Beperkt tijdelijk effect
Gemodelleerde concentratieverhoging > TW en frequentie Relevant tijdelijk effect voorkomen <10% op jaarbasis
Belangrijk (onaanvaardbaar) tijdelijk effect
Gemodelleerde concentratieverhoging > TW en frequentie Tijdelijk effect vormt op zich aanleiding tot het niet
voorkomen >10% op jaarbasis
respecteren van de kwaliteitsdoelstelling op jaarbasis
TW: toetsingswaarde
Voor de beoordeling van de tijdelijke (worst case) impact van gevaarlijke stoffen wordt het volgende significantiekader uit het richtlijnenboek water gebruikt:
Tabel 7.5: Significantiekader tijdelijke impact discipline water: gevaarlijke stoffen Gemodelleerde concentratieverhoging 0,5 x TW (MKN) Beperkt tijdelijk effect
Gemodelleerde concentratieverhoging > 0,5 x TW en TW
Relevant (aanvaardbaar) tijdelijk effect
Gemodelleerde concentratieverhoging > TW
Belangrijk (onaanvaardbaar) tijdelijk effect Potentieel risico op acuut toxische effecten
TW: toetsingswaarde
Watertoets
Alle elementen die nodig zijn voor de uitvoering van de watertoets zullen in het MER opgenomen worden in een afzonderlijk hoofdstuk.
Datum: april 2018
76 van 92
PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN
7.2.4 Milderende maatregelen
In het geval zich als gevolg van het project significant negatieve effecten zouden voordoen, zullen milderende maatregelen worden voorgesteld. Ook voor minder uitgesproken negatieve effecten kunnen milderende maatregelen voorgesteld worden.
7.3
Bodem en grondwater
7.3.1 Afbakening van het studiegebied
Het studiegebied voor bodem omvat de directe omgeving van de voorziene installaties, zodat het studiegebied kan samenvallen met het projectgebied.
Potentile grondwaterverontreiniging kan zich buiten de zone van de installaties verspreiden. Bijgevolg wordt voorgesteld het studiegebied voor grondwater voorlopig af te bakenen tot een straal van 500 m rond het projectgebied.
7.3.2 Beschrijving van de referentiesituatie
De beschrijving van de referentietoestand omvat enerzijds een volledige hydrogeologische karakterisatie van het studiegebied, en anderzijds een beschrijving van de bekende verontreinigingssituatie van het gebied.
De hydrogeologische karakterisatie wordt beschreven op basis van een recent hydrogeologische studie. Deze omvat o.a. de topografie, de pedologische gesteldheid, de geologische opbouw, de hydrogeologische opbouw (o.a. doorlatendheid, grondwaterstroming, ...), de (invloed op) grondwaterwinningen en de grondwaterkwetsbaarheid. De bekende verontreinigingssituatie omvat alle (bekende) bodem- en/of grondwaterverontreinigingen binnen het studiegebied.
De referentietoestand van grond en grondwater zal besproken worden op basis van de verschillende bodemonderzoeken die op het terrein werden uitgevoerd. Dit omvat o.a. verschillende orinterende en beschrijvende bodemonderzoeken ter hoogte van het studiegebied. In deze onderzoeken zijn eveneens gegevens van externe bronnen (vb. Databank Ondergrond Vlaanderen (DOV), grondwatervergunningen, hydrogeologische studies, sondeergegevens, ...) verwerkt.
7.3.3 Effectbeschrijving en -beoordeling
Bodem en/of grondwaterverontreiniging
De effecten die kunnen optreden en worden beoordeeld zijn bodem- en/of grondwaterverontreiniging t.g.v. het productieproces en t.g.v. calamiteiten.
De beoordeling van de effecten op bodem- en grondwaterverontreiniging ten gevolge van calamiteiten zal gebeuren op basis van de wettelijke bepalingen van het Bodemdecreet.
Bij de effectbeschrijving en -beoordeling zal, naast een globale evaluatie van het studiegebied, waar relevant steeds een gedetailleerde beoordeling gebeuren voor de meer kwetsbare zones voor de vermelde effecten.
Het effect van de voorziene bodembeschermende maatregelen op de risico's op bodem- en grondwaterverontreiniging zullen in detail onderzocht worden. Hierbij zal rekening gehouden worden met de bekende gegevens.
Voor de vermelde effectgroepen worden de beoordelingskaders gebruikt uit de MER Richtlijnenboeken.
Datum: april 2018
77 van 92
PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN
Grondwaterwinning
Voor de Grondwaterwinning heeft Indaver een wijziging van het vergunde debiet gevraagd. Daarvoor werd recent (2018) een MER-Ontheffing gemaakt. Deze omvatte een actualisatie van de hydrogeolische studie die de invloed van de grondwaterwinning evalueert. De effecten van de Grondwaterwinning die in de MEROntheffing werden gevalueerd zullen samengevat worden in het MER.
7.3.4 Milderende maatregelen
In het geval zich als gevolg van het project significant negatieve effecten zouden voordoen, zullen sowieso milderende maatregelen worden voorgesteld. Ook voor minder uitgesproken negatieve effecten kunnen milderende maatregelen voorgesteld worden.
Datum: april 2018
78 van 92
PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN
7.4
Geluid en trillingen
7.4.1 Afbakening van het studiegebied
Aangezien de meest nabijgelegen woning zich op ca. 1km ten oosten van de site van Indaver bevindt, en er zich bijgevolg noch binnen een straal van 200m rond het projectgebied noch binnen een straal van 200m rond het industriegebied zich bewoning bevindt, zal met betrekking tot de discipline geluid de geluidsimpact worden uitgerekend tot op minimaal 200m van de rand van het projectgebied.
7.4.2 Beschrijving van de methodiek
Voor het opstellen van het deel geluid zal worden gesteund op de meetresultaten van geluidsmetingen welke in het kader van de MER voor de hervergunning van Indaver zullen worden uitgevoerd. Volgende geluidsmetingen worden voorzien:
Langeduurs onbemande immissiemetingen in de omgeving ter bepaling van het actuele totale omgevingsgeluid
Geluidsdrukmetingen op de site ter opmaak van een actuele geluidskaart van Indaver op basis van dewelke het actuele immissierelevante bronvermogen van het bedrijf zal worden bepaald ("EMOLA" methode).
Uitgaande van deze metingen zal er een 3D- akoestisch overdrachtsmodel worden opgemaakt in de IMMIsoftware. De overdrachtsberekeningen zullen worden uitgevoerd met de IMMI-software (2012-2) op basis van de hiervoor door Europese Regelgeving geprefereerde norm ISO 9613-2. Het IMMI-model en de ISO 9613-2 methode houden rekening met de afstandsreductie, luchtabsorptie, invloed van de bodem en reflectie en afscherming door de aanwezigheid van gebouwen en andere obstakels. De berekeningen worden uitgevoerd voor `meewind' condities, bij 10 C en 70% vochtigheid, en voor de tertsbanden tussen 25 Hz en 10kHz.
Uitgaande van dit model zal het specifiek geluid worden berekend ter hoogte van een aantal beoordelingspunten waarop de verder besproken effectbeoordeling zal worden uitgevoerd. Bij de keuze van deze beoordelingspunten zal worden rekening gehouden met:
Wettelijke bepalingen Vlarem II; De ligging van het bedrijf ten opzichte van het gewestplan en eventuele RUP's; De ligging van woningen zowel binnen als buiten de 200m grens tov de bedrijfsgrens; De aanwezigheid van andere industriegebieden dan dewelke waarin het bedrijf gelegen is.
Deze beoordelingspunten zullen daarnaast ook de 2 meetpunten en de punten waar in het kader van de hervergunning in 1997 - voor zover deze niet op het bedrijf gelegen zijn - geluidsmetingen werden uitgevoerd omvatten.
Tot slot zal er - ter visualisatie - ook een geluidskaart worden uitgerekend over het gehele studie gebied op een rekenhoogte van 4m boven het maaiveld met een grid van 10 x 10m.
7.4.3 Beschrijving van de referentiesituatie
Gezien de meest recente geluidsemissie- en immissiegegevens dateren van voor de hervergunning MER 1998, zullen voor de beschrijving van de referentiesituatie nieuwe metingen worden uitgevoerd ter bepaling van het huidige immissierelevant vermogen van de site van Indaver .
Met betrekking tot de geluidsimmissie zullen er in het kader van deze hervergunning ter hoogte van 2 meetpunten gedurende 1 week continue, onbemande immissiemetingen worden uitgevoerd. Er zal n meetpunt gekozen worden in de richting van de meest nabij gelegen woning en n meetpunt op 200m van
Datum: april 2018
79 van 92
PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN
de terreingrens van het bedrijf. De immissiemeetcampagne kan verlengd worden indien er na 1 week onvoldoende meetgegevens voor de meest kritische windrichtingen worden opgetekend.
Wat betreft de geluidsemissie van de huidige situatie zal er een gemeten geluidskaart worden opgesteld van de Indaver site en zal - uitgaande van deze gemeten geluidskaarten - het geluidsvermogen worden bepaald uitgaande van de" EMOLA" methode. Deze methode werd ontwikkeld in opdracht van AMINABEL ter bepaling van het immissierelevante geluidsvermogenniveau van gebieden van geluidsbronnen in open lucht door middel van geluidscontouren (juni 2000).
Een samenvatting van de relevante brongroepen alsook de gegevens mbt de geluidsvermogens uit deze studie zal worden weergegeven in het milieueffectrapport om zodoende een duidelijk beeld te bekomen van de referentiesituatie.
7.4.4 Effectbeschrijving en -beoordeling
Op basis van het geluidsvermogenniveau van de diverse bronnen en brongroepen van de bestaande installaties van het bedrijf en op basis van de relevante omgevingsparameters zal er een akoestisch overdrachtsmodel worden opgesteld teneinde het specifieke geluid van de huidige situatie te bepalen tot op minimum 200 m afstand van het projectgebied
Voor deze overdrachtsberekeningen zal het model "IMMI" worden gebruikt. De berekeningen zullen worden uitgevoerd in 1/3 octaafbanden in overeenstemming met de technische bepalingen van de norm ISO 9613-2. Er zal rekening worden gehouden met de geometrische uitbreiding, de luchtabsorptie, mogelijke relevante schermeffecten en reflecties van de gebouwen van het bedrijf en de invloed van de bodem.
Het specifiek geluid van het bedrijf zal worden berekend ter hoogte van de meetpunten enerzijds en ter hoogte van een aantal relevante referentiepunten anderzijds.
Vervolgens zal het effect van het bedrijf ter hoogte van de meetpunten worden bepaald. Uitgaande van het gemeten totale omgevingsniveau ter hoogte van de meetpunten en het berekend specifiek geluid van Indaver ter hoogte van deze punten, zal het theoretische oorspronkelijk omgevingsgeluid worden bepaald. Dit theoretisch oorspronkelijk omgevingsgeluid kan vervolgens vergeleken worden met het gemeten totale omgevingsgeluid om na te gaan in hoeverre de inrichting een significant effect kan hebben. De beoordeling van de effecten zal worden uitgevoerd ter hoogte van de referentiepunten uitgaande van het significantiekader zoals omschreven in het richtlijnenboek voor de discipline Geluid en Trillingen van februari 2011 voor project-MER industrie zoals weergegeven in Tabel 7.6. Het berekende specifiek geluid van het bedrijf zal dus enerzijds vergeleken worden met het theoretische bepaald oorspronkelijk omgevingsgeluid ter hoogte van de meetpunten en anderzijds met de richtwaarden voor het specifiek geluid in de open lucht van als hinderlijke ingedeelde inrichtingen.
Tabel 7.6: Significantiekader voor de discipline Geluid Invloed op omgeving
Eindscore na correctie Voldoet aan het VLAREM ?
Lna-Lvoor*
Tussenscore
Nieuw of verandering
Bestaand
LAX,T LAX,T>+6 +3<LAX,T+6 +1<LAX,T+3 -1LAX,T+1 -3LAX,T<-1 -6LAX,T<-3 LAX,T<-6
(effectscore) -3 -2 -1 0 +1 +2 +3
LspGW -1 -1 -1 0 +1 +2 +3
Lsp>GW -3 -3 -3
-1 / -2** -
LspRW -1 -1 -1 0 +1 +2 +3
RW<LspRW+10 -2 -2 -1 -1 +1 +2 +3
Lsp>RW+10 -3 -3 -3 -3 -
Datum: april 2018
80 van 92
PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN
LAX,T:
Lvoor Lna GW: RW: Lsp: * **
verschil in omgevingsgeluid in dB(A) vooraleer en nadat een project zal zijn uitgevoerd met X en T te bepalen en te verantwoorden door de deskundige
met T = met X =
duur in seconden "N" parameter van statistische analyse (LAN,T), in VLAREM II wordt N = 95 gebruikt ter toetsing aan
de milieukwaliteitsnorm ofwel
"eq" voor het equivalente geluidsdrukniveau (LAeq,T) van het omgevingsgeluid
het theoretische oorspronkelijk omgevingsgeluid bepaald op basis van het logaritmische verschil tussen het gemeten totale omgevingsgeluid en het berekend specifiek geluid uitgaande van het overdrachtsmodel
het gemeten totale omgevingsgeluid bepaald door middel van langdurige immissiemetingen
Grenswaarde
Richtwaarde
specifiek geluid*
bij hervergunning dient Lvoor gebruikt te worden alsof het bestaande bedrijf er niet was
de keuze -1 ofwel -2 is afhankelijk van de grootte van de overschrijding van de GW (al dan niet binnen het betrouwbaarheidsinterval van de berekende specifieke immissie)
De uiteindelijke negatieve scores worden als volgt gekoppeld aan milderende maatregelen:
Score -1 matig significant negatief
Onderzoek naar milderende maatregelen is minder dwingend, maar indien de onderzoekssturende
randvoorwaarden aangeven dat er zich een probleem kan stellen dan dient de deskundige over te gaan tot het voorstellen van milderende maatregelen. Bij het ontbreken ervan dient dit gemotiveerd te worden.
Score -2 significant negatief
Er dient noodzakelijkerwijs gezocht te worden naar milderende maatregelen, eventueel te koppelen aan de lange of langere termijn. Bij het ontbreken ervan dient dit gemotiveerd te worden.
Score -3 Zeer significant negatief
Er dient noodzakelijkerwijs gezocht te worden naar milderende maatregelen te koppelen aan de korte termijn. Bij het ontbreken ervan dient dit gemotiveerd te worden.
De scores 0, +1, +2 en +3 krijgen respectievelijk de beoordeling verwaarloosbaar, positief, zeer positief en uitgesproken positief. Voor deze scores zijn geen milderende maatregelen nodig.
Tot slot zal ook de berekende specifieke impact van het bedrijf ter hoogte van alle relevante beoordelingspunten worden vergeleken met de geldende de richtwaarden voor het specifiek geluid in de open lucht van als hinderlijke ingedeelde inrichtingen.
De berekende specifieke impact ter hoogte van de beoordelingspunten alsook de berekende geluidskaart zullen worden overgedragen naar de disciplines Mens en Fauna en Flora ter evaluatie van de gevolgen voor deze disciplines.
7.4.5 Milderende maatregelen
In het geval er significant negatieve effecten zouden worden vastgesteld, kunnen milderende maatregelen worden voorgesteld.
Datum: april 2018
81 van 92
PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN
7.5
Biodiversiteit
7.5.1 Afbakening van het studiegebied
Algemeen zijn de effecten met betrekking tot biodiversiteit, naast het lokale biotoopverlies, gebonden aan de invloeden op de water-, de bodem- en de luchtkwaliteit en op het geluidsklimaat. De invloedssfeer voor deze discipline wordt dus bepaald door de grootste invloedssfeer voor n van de hoger vermelde milieucompartimenten, rekening houdend met de relevante effectgroepen of scope.
Voor dit project-MER zal in eerste instantie rekening worden gehouden met het studiegebied zoals afgebakend voor geluid en voor oppervlaktewater. Het studiegebied zal bijgevolg reiken tot:
een straal van 200 m rondom het industriegebied (cfr. geluid); tot ongeveer 2 km stroomafwaarts van het lozingspunt van Indaver nv op het Kanaaldok (cfr.
oppervlaktewater); een straal van 5 km rondom de site van Indaver (cfr. Lucht).
7.5.2 Beschrijving van de referentiesituatie
De beschrijving van de referentiesituatie gebeurt op twee niveaus:
1. beschrijving van de belangrijkste natuurwaarden in de aandachtsgebieden binnen het studiegebied; 2. beschrijving van de zones met natuurwaarde binnen het projectgebied.
Onder aandachtsgebieden vallen zones die hoog gewaardeerd worden ten aanzien van natuurbehoud binnen het studiegebied, dit zijn de:
vogel- en habitatrichtlijngebieden; gebieden behorende tot het Vlaams Ecologisch Netwerk (VEN); natuurreservaten; het netwerk ecologische infrastructuur van de Antwerpse haven. Concreet gaat het hier om:
Het vogelrichtlijngebied Schorren en Polders van de Beneden-Schelde o Aandachtsgebieden: De Kuifeend en Blokkersdijk
Het habitatrichtlijngebied Schelde- en Durmestuarium van de Nederlandse grens tot Gent
Bovenstaande lijst van gebieden kan nog worden aangepast als tijdens de effectieve uitwerking van het MER blijkt dat het studiegebied groter of kleiner moet worden afgebakend dan in de fase van de aanmelding is verondersteld.
De beschrijving van de natuurwaarden in de aandachtsgebieden zal gebeuren aan de hand van de beschikbare literatuur met betrekking tot deze gebieden (o.a. rapporten met de specifieke instandhoudingsdoelstellingen van de vogel- en habitatrichtlijngebieden, gegevens van de watervogeltellingen van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek,...) en specifieke literatuur aangaande de fauna en flora van het Schelde-estuarium (onderzoeksrapporten van het INBO, Natuurpunt, UGent). Ook de Biologische Waarderingskaart - Habitatkaart versie 2016 (INBO) zal worden gebruikt voor het nagaan van de aanwezigheid van Europese habitats en regionaal belangrijke biotopen en voor de algemene biologische waardering van de gebieden. Telkens zal ook een overzicht worden gegeven van het beschermingsstatuut van de aandachtsgebieden en de toekomstige ontwikkelingen inzake natuurbehoud en natuurontwikkeling.
Datum: april 2018
82 van 92
PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN
7.5.3 Effectbeschrijving en -beoordeling
Onderstaande effectgroepen zullen worden onderzocht zoals beschreven hieronder:
Direct ruimtebeslag wordt niet verwacht; er is geen relevante uitbreiding van de installaties voorzien, waarbij waardevolle habitats worden ingenomen.
Ecotoxicologische effecten a.g.v. water- en luchtemissies zullen worden ingeschat op basis van de `lethale dosis (of LD50), dit is de hoeveelheid toxische stof die bij 50% van een populatie tot de dood leidt. Hierbij zal de aandacht voornamelijk uitgaan naar de stoffen waarbij een overschrijding van de VLAREM concentraties (milieukwaliteitsdoelstellingen) optreedt.
Lichthinder: kwalitatieve analyse op basis van beschikbare informatie inzake verlichting van de site met eventuele aanbevelingen inzake "slim verlichten".
Geluidshinder: kwalitatieve analyse op basis van de discipline geluid. Versnippering en barrirewerking: wordt niet verwacht; er is geen uitbreiding van het bedrijf
voorzien. Impact op de grondwaterhuishouding als gevolg van de grondwaterwinning op basis van een
samenvatting van de discipline grondwater. Verzurende depositie: kwantitatieve analyse op basis van de online tool www.depositiescan.be.
Indien de depositiescan aangeeft dat er aanzienlijke effecten kunnen optreden, zal een bijkomende modellering wel strikt noodzakelijk zijn in het kader van de passende beoordeling.
Gezien het vogelrichtlijngebied BE2301336 `Schorren en polders van de Beneden-Schelde', het habitatrichtlijngebied BE2300006 `Schelde- en Durme-estuarium van de Nederlandse grens tot Gent' en het VEN-gebied Grote Eenheid Natuur (GEN) `Slikken en schorren langsheen de Schelde' in de omgeving van de site gelegen zijn, worden volgende evaluaties voorzien:
Passende beoordeling (= toets ikv artikel 36ter natuurdecreet - impact op SBZ) (als afzonderlijke bijlage van het project-MER) o Beschrijving en situering van de SBZ gebieden (aangemelde soorten, habitats, IHD's en staat van instandhouding) o Beschrijving en beoordeling van de te verwachten effecten ten aanzien van de natuurlijke kenmerken en IHD's voor de betreffende habitats en soorten. De depositiescan zal hierin opgenomen worden (zie hiervoor). o Milderende maatregelen
Verscherpte natuurtoets (=toets ikv artikel 26bis natuurdecreet - impact op VEN) (als afzonderlijke bijlage van het project-MER) o Beschrijving en situering van de VEN gebieden o Beschrijving en beoordeling van de te verwachten effecten ten aanzien van het VEN, met toets inzake onvermijdbare en onherstelbare schade aan het VEN. o Milderende maatregelen
Toets aan artikel 16 van het Natuurdecreet (natuurtoets) = zit vervat in de uitwerking van de discipline biodiversiteit in haar totaliteit
Toets aan het soortenbeschermingsprogramma van de Antwerpse haven. Door het project zal er geen inname zijn van de aangeduide verbindingsgebieden. Mogelijke impact op paraplusoorten zullen beschreven en beoordeeld worden.
7.5.4 Milderende en compenserende maatregelen
Indien er zich significante effecten zullen voordoen t.o.v. de ecologisch waardevolle gebieden, zullen in het MER milderende en/of compenserende maatregelen voorgesteld worden. Daarnaast worden aanbevelingen geformuleerd om negatieve effecten tegen te gaan of zo gering mogelijk te houden.
Datum: april 2018
83 van 92
PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN
7.6
Mens
7.6.1 Afbakening van het studiegebied
De effecten met betrekking tot mens zijn gebonden aan de invloeden op de water-, de bodem- en de luchtkwaliteit en op het geluidsklimaat. De invloedssfeer voor deze discipline wordt dus bepaald door de grootste invloedssfeer voor n van de hoger vermelde milieucompartimenten. Rekening houdend met de conclusies in de disciplines `lucht', `water', `bodem en grondwater' en `geluid' zal het studiegebied zich in het kader van dit MER uitstrekken over een gebied met een straal van maximaal 5 km ten opzichte van het projectgebied.
7.6.2 Beschrijving van de referentiesituatie
De referentiesituatie bevat de beschrijving van de woon- en leefomgeving rondom de projectsite, waarbij aandacht wordt besteed aan de volgende elementen:
bevolkingsdichtheid en -opbouw; aanwezigheid van andere bedrijven; veiligheidssituatie; verkeerssituatie; overzicht klachten.
7.6.3 Effectbeschrijving en -beoordeling
In het kader van de effectbespreking wordt een gezondheidsrisicoanalyse uitgevoerd zoals deze omschreven wordt in Het MER Richtlijnenboek Mens-Gezondheid.
Hiertoe wordt in eerste instantie een identificatie uitgevoerd van de factoren die mogelijk tot gezondheidsrisico's en hinder kunnen aanleiding geven. Het betreft hier mogelijk:
luchtemissies; geluidsemissies; verkeer andere: licht.
In een volgende stap wordt een identificatie en kwantificering uitgevoerd van de blootstelling en belasting. Hierbij wordt zoveel mogelijk kwantitatief gewerkt.
Vervolgens worden de criteria vastgelegd en een evaluatie uitgevoerd van de mogelijke effecten. Het betreft hier:
toxicologische effecten, gezondheidseffecten in de bestudeerde populatie; hindereffecten: vnl. geur, maar ook geluid, verlichting, visuele aspecten, ... ; mobiliteitseffecten; veiligheidseffecten.
De verwachte gevolgen worden geanalyseerd en besproken uitgaande van enerzijds kwaliteitsdoelstellingen, streefwaarden en literatuurgegevens inzake veilige concentraties "no effect level" en anderzijds op basis van literatuurgegevens die toelaten risicoanalyses inzake gezondheid uit te voeren.
Hinderaspecten worden getoetst t.o.v. de aanvaardbare niveaus zoals zij in de wetgeving of in de wetenschappelijke literatuur zijn uitgewerkt.
Datum: april 2018
84 van 92
PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN
7.6.4 Milderende maatregelen
In het geval zich als gevolg van het project significant negatieve effecten zouden voordoen, zullen milderende maatregelen worden voorgesteld. Ook voor minder uitgesproken negatieve effecten kunnen milderende maatregelen voorgesteld worden.
7.7
Andere milieueffecten
7.7.1 Mobiliteit
Alle afvalstoffen en andere materialen en hulpstoffen die van en naar Indaver worden getransporteerd worden over de weg aangevoerd. Indaver ligt nabij de grote verkeerswegen doorheen het havengebied. De ontsluitingswegen naar het terrein van Indaver gaan niet door woonkernen, enkel door Havengebied.
In het MER zal het aantal transporten in kaart worden gebracht, en zal de invloed van de verkeersstroom van en naar Indaver op de omliggende wegen kort gevalueerd worden.
7.7.2 Landschap, bouwkundig erfgoed en archeologie
In het MER zal worden nagegaan of een significant effect verwacht wordt op het landschap, het bouwkundig erfgoed en archeologie. Aangezien de aanvraag een hernieuwing betreft, en er verder geen grote wijzigingen zullen optreden, wordt verwacht dat het effect verwaarloosbaar is.
7.7.3 Klimaat
De invloed van de activiteiten van Indaver op het klimaateffect (broeikasgasemissies, energie-efficintie, ...) worden kort toegelicht, alsook de eventuele invloed van klimaateffecten op de activiteiten van Indaver (toename van extreme weersomstandigheden, ...).
Datum: april 2018
85 van 92
PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN
8
GRENSOVERSCHRIJDENDE EFFECTEN
De vestiging van Indaver nv is in vogelvlucht, vanaf de noordelijkste hoek van het bedrijfsterrein, op 4,6 km van de Nederlandse grens gelegen. Een gewestgrens is verderaf gelegen, aangezien Indaver nv in het noorden van het Vlaamse Gewest gevestigd is.
Gezien het studiegebied zich in alle disciplines beperkt tot hooguit 5 km van de terreingrens, en gezien deze afstand ongeveer gelijk is aan de afstand tot de Nederlandse grens, is te bekijken of er zich grensoverschrijdende effecten kunnen voordoen.
In voorgaande MER's werd over de grensoverschrijdende effecten het volgende besloten:
De bijdrage van de emissies van Indaver aan de luchtverontreiniging is het grootst voor NOx. Voor deze polluent werd t.h.v. de Nederlandse grens in het MER van 1998 (MER voor de hervergunning van indaver) nog een beperkte bijdrage aan de luchtverontreiniging berekend (grootte-orde 0,5 g/m (NO + NO2) voor het jaargemiddelde). Sinds het in gebruik nemen van de DeNOxgaszuivering eind 2005 zijn de emissies ongeveer gehalveerd, waardoor het effect op de luchtkwaliteit t.h.v. de grens daalde tot minder dan 1 % van de luchtkwaliteitsdoelstelling (< 0,4 g/m voor het jaargemiddelde voor NO2) en daardoor als verwaarloosbaar wordt beschouwd (MER 2009 - MER voor de ombouw van de Statische Oven).
In het MER van 2009 (MER voor de ombouw van de Statische Oven) werd de bijdrage van de afvalwaterlozing van Indaver aan de verontreiniging van de Schelde berekend. Deze bleek voor alle polluenten kleiner dan 1% te zijn, wat als verwaarloosbaar wordt aanzien. Inmiddels gebeurt de lozing van Indaver niet meer naar de Schelde, maar naar het Kanaaldok, waardoor het mogelijke grensoverschrijdende effect via de Schelde weggevallen of op zijn minst sterk afgenomen is.
Voor de mogelijke effecten via andere disciplines (via bodem, grondwater, geluid, ...) ligt Indaver zo ver van de grens dat enig relevant effect kan worden uitgesloten.
Gezien de besluiten van de voorgaande MER-studies (zie 8) voor de activiteiten van Indaver en gezien de emissies nog in dezelfde grootte-orde liggen als in deze MER's, worden geen relevante grensoverschrijdende effecten verwacht. Daarom zien de deskundigen weinig toegevoegde waarde in een eventuele grensoverschrijdende informatie-uitwisseling met de Nederlandse overheden in het kader van dit MER.
Datum: april 2018
87 van 92
PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN
BIJLAGE 1: KAARTENBUNDEL
Kaart 1: Topografische kaart Kaart 2: Orthofoto Kaart 3: Gewestplan Kaart 4: Waterlopen en staalnamepunten waterkwaliteit Kaart 5: Overstromingsgevoelige gebieden Kaart 6: Bodemkaart Kaart 7: Natuurbescherming Kaart 8: Biologische Waarderingskaart Kaart 9: Beschermd erfgoed Kaart 10: Vastgestelde inventarissen
Datum: april 2018
89 van 92
projectgebied
www.geovlaanderen.be
o0
250
500
1 000
1 500
m 2 000
\\bema1file03\milieu\Projecten\BE0117001000-1249\BE0117001041_Project MER hervergunning site Stabroek\04_plannen\3_GIS\maps\BE0117001041_krt_001A_topografische_kaart.mxd
Kaart 1 Topografische kaart
Nippon Express Apollo
Indaver
Intercommunale Hooge Maey
om
0 50 100
200
300
400
L:\Projecten\BE0117001000-1249\BE0117001041_Project MER hervergunning site Stabroek\04_plannen\3_GIS\maps\BE0117001041_krt_002A_orthofoto.mxd
projectgebied
Kaart 2 Orthofoto
www.geovlaanderen.be
RT T
Stabroek
T
T
A
A
T
R R
N
NH
om
0
125 250
500
750
1 000
L:\Projecten\BE0117001000-1249\BE0117001041_Project MER hervergunning site Stabroek\04_plannen\3_GIS\maps\BE0117001041_krt_003A_gewestplan.mxd
projectgebied GRUP
0100- woongebied
0101- woongebied met kultureel, historische en/of esthetische waarde
0102- woongebied met landelijk karakter
0105- woonuitbreidingsgebied
0200- gebied voor gemeenschapsvoorzieningen en openbaar nut
^ 0401- gebieden voor dagrecreatie
P 0500- parkgebieden
T 0600- bufferzones
N 0701- natuurgebied
R
0702- natuurgebied met wetenschappelijke waarde of natuurreservaten
NH
0732- bijzondere natuurgebieden (waterzuivering, afvoerleidingen en leidingstraten
0810- bosgebieden met ecologisch belang
0900- agrarische gebieden
1000- industriegebieden
A 1030- bijzondere industriegebieden
1100- ambachtelijke bedrijven en kmo's
1380- reservegebied voor sliblagunering
1500- bestaande autosnelwegen
1504- bestaande waterwegen
www.geovlaanderen.be
Kaart 3 Gewestplan
# ### 154000
MT-31 S19 MT-32
# Zandvlietsluis
# Berendrechtsluis
# MT-34
803800
#E004339
#E004341
#E004344
#156000
MT36MT-36
#! #! MT37MT-37
Insteek dok 2
# #E004360 E004342
Insteek dok 1
#157100
#157000 #811500
!# Zeeschelde !# MT-42 MT-41
MT41
Insteekdo k3 Zoutenstraatbeek
rgang elwate Midd Kanaaldok B3
Dorpsbeek
#182687
Kreek Snelle
# # 834600182688
# TR834600.1834610
# # 834630834640
# # TR834600.4
TR834600.2
projectgebied
! Meetpunt waterbodemkwaliteit # Meetpunt waterkwaliteit (VMM)
Bevaarbaar Geklasseerd, eerste categorie
Geklasseerd, tweede categorie
Geklasseerd, derde categorie
Niet geklasseerd
Antitank kanaal
## TR182680.3182686 #E004343 # Delwaidedok E004345
#E004348 #804000 #E004350
#182685 De Zijp
## TR182680.2182300
atergang leine W K
#182690 # TR182690.1
# ## TR18
se Beek
endijTk R182690.3 rtog
He
'S
ek
2690.2
arrenhofbe
St
rte
Beek ijse
Bonapa
Par
182850
Beek
#
# 182680
182590
TR182680.1
## # 180000
TR182590.1
#TR180000.1
Afwaterings
gracht
St. J
acobsloop
eek vense B Ettenho
rse Beek Bote
Rod e Beek
## TR182590.2180100
Bunderb
TR180000.4
eek
#182800
Kapellebeek De Rekke
Havendok
#E004352
Groot Schijn
Pluimbeek Blokbeek
Oud Schijn
TR180000.2 TR182590.3
## # 181000
chijn
oon
S 182
600
# Sch
e Beek Zwart
#182700 # #
##182610
TR182610.1
Deurga nckdok
Bunderbeek
www.geovlaanderen.be
# # ### # # # # MT-47
158000
MT-49 Van
Cauw MT-48 elaert
sluis MT-50
805000 E004355
o0
550
1 100
2 200
3 300
m 4 400
L:\Projecten\BE0117001000-1249\BE0117001041_Project MER hervergunning site Stabroek\04_plannen\3_GIS\maps\BE0117001041_krt_004A_waterlopen.mxd
endok 6de Hav
sluis ewijn Boud
Churchilldok
## 182900182950
807000
# #E004371
#
# 18#320#0
TR183600.2
Kaart 4
Waterlopen en staalnamepunten waterkwaliteit
projectgebied Recent overstroomde gebieden (2012) Effectief overstromingsgevoelig gebied Mogelijk overstromingsgevoelig gebied Bevaarbaar Geklasseerd, eerste categorie Geklasseerd, tweede categorie Geklasseerd, derde categorie Niet geklasseerd
www.geovlaanderen.be
o0
250
500
1 000
1 500
m 2 000
L:\Projecten\BE0117001000-1249\BE0117001041_Project MER hervergunning site Stabroek\04_plannen\3_GIS\maps\BE0117001041_krt_005A_overstroming.mxd
Kaart 5 Overstromingsgevoelige gebieden (watertoets)
projectgebied Antropogeen Nat zandleem Natte klei Natte Zware Klei Vochtige Zware Klei
www.geovlaanderen.be
om
0
100
200
400
600
800
L:\Projecten\BE0117001000-1249\BE0117001041_Project MER hervergunning site Stabroek\04_plannen\3_GIS\maps\BE0117001041_krt_006A_bodemkaart.mxd
Kaart 6 Bodemkaart
Schorren en
polders van de Beneden-Schelde
projectgebied Erkend natuurreservaat Vlaams natuurreservaat Habitatrichtlijngebied Vogelrichtlijngebied VEN Grote eenheid natuur Grote eenheid natuur in ontwikkeling Natuurverwevingsgebied
www.geovlaanderen.be
Kuifeend -
Grote Kreek
De Kuifeend
o0
250
500
1 000
1 500
m 2 000
\\bema1file03\milieu\Projecten\BE0117001000-1249\BE0117001041_Project MER hervergunning site Stabroek\04_plannen\3_GIS\maps\BE0117001041_krt_007A_natuurbescherming.mxd
De Kuifeend en de Blokkersdijk
Kaart 7 Natuurbescherming
projectgebied
Biologisch minder waardevol
Complex van biologisch minder waardevolle en waardevolle elementen
Complex van biologisch minder waardevolle, waardevolle en zeer waardevolle elementen
Complex van biologisch minder waardevolle en zeer waardevolle elementen
Biologisch waardevol
Complex van biologisch waardevolle en zeer waardevolle elementen
Biologisch zeer waardevol
www.geovlaanderen.be
om
0
100
200
400
600
800
\\bema1file03\milieu\Projecten\BE0117001000-1249\BE0117001041_Project MER hervergunning site Stabroek\04_plannen\3_GIS\maps\BE0117001041_krt_008A_bwk.mxd
Kaart 8 Biologische waarderingskaart (versie 2016)
projectgebied Beschermde archeologische Beschermd Beschermd Beschermd stads- en Erfgoedlandschap
www.geovlaanderen.be
om
0 150 300
600
900
1 200
\\bema1file03\milieu\Projecten\BE0117001000-1249\BE0117001041_Project MER hervergunning site Stabroek\04_plannen\3_GIS\maps\BE0117001041_krt_010A_beschermd_erfgoed.mxd
Kaart 9 Beschermd erfgoed
##
##
##### #
##
#
###### ##### # #
##
#
#
### #
#
## ### ##
#
# #
#
#
#### #
#
## # ####
##
##
#
### ##
# ##
#
#
## ##
# ## #
### ##
#
#
# #
#
# ##
#
# projectgebied
# Bouwkundig erfgoed (relict) Beheerplan
# Vastgestelde archeologische zone Bouwkundig erfgoed (gehelen) Vastgestelde houtige begroeiingen Vastgestelde historische tuinen en parken Vastgestelde landschapsatlas
#
#
## #
# #
#
## #
# ##
www.geovlaanderen.be
om
0 150 300
600
900
1 200
\\bema1file03\milieu\Projecten\BE0117001000-1249\BE0117001041_Project MER hervergunning site Stabroek\04_plannen\3_GIS\maps\BE0117001041_krt_011A_vastgestelde_inventarissen.mxd
Kaart 10 Vastgestelde inventarissen
PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN
Datum: april 2018
91 van 92
PROJECT-MER: HERVERGUNNING INDAVER ANTWERPEN
COLOFON
PROJECT-MER: HERVERGUNNING SITE INDAVER TE ANTWERPEN AANMELDING
KLANT Indaver nv AUTEUR Arcadis en AIB Vinotte - MER-cordinator Frank Van Daele PROJECTNUMMER BE0117001041 DATUM April 2018 STATUS Finaal
Arcadis Belgium nv City Link 2 Posthofbrug 12 2600 Antwerpen Belgi www.arcadis.com
Datum: april 2018
92 van 92