Document oexMQwm23G0QVy7keqmdokv6o

DownloadRandom document
4de PLAN VOOR DE IMPLEMENTATIE VAN HET VERDRAG VAN STOCKHOLM INZAKE PERSISTENTE ORGANISCHE VERONTREINIGENDE STOFFEN Belgi - 2022 1 Alle Partijen van het Verdrag van Stockholm - zowel individuele staten als de Europese Unie als organisatie voor regionale integratie - moeten een Implementatieplan opstellen waarin de concrete acties en maatregelen met betrekking tot de in het Verdrag vermelde POP's worden aangegeven. Dit document bevat het 4de Nationaal Implementatieplan (NIP) van Belgi sinds de inwerkingtreding van het Verdrag van Stockholm in 2004 en gaat in op de wijzigingen die zijn aangenomen tijdens de 8ste en 9de Conferentie van de Partijen (COP), die respectievelijk in 2017 en 2019 werden gehouden. - Tijdens de COP-8 werd beslist de bijlagen A en C van het Verdrag te wijzigen door decabroomdifenylether (commercieel mengsel, c-decaBDE) en gechloreerde paraffines met een korte keten (SCCP's) in Bijlage A op te nemen met specifieke vrijstellingen, en de opneming van hexachloorbutadieen (HCB) verder uit te breiden naar zowel Bijlage A als Bijlage C. - Tijdens de COP-9 zijn verdere beslissingen genomen om dicofol (zonder vrijstellingen) en perfluoroctaanzuur (PFOA), zijn zouten en met PFOA verwante verbindingen (met specifieke vrijstellingen) aan bijlage A van het Verdrag toe te voegen. Merk op dat dit document een aanvulling vormt op het Uitvoeringsplan van de Unie (UIP) dat de Commissie op 07/10/2021 namens de Unie heeft ingediend (COM(2021) 408 final)1 en dat het ingaat op de kwesties die niet onder de bevoegdheid van de Unie vallen (bv. handhaving, bodembescherming, verontreinigde site, ...). Wat de uitvoering van de basisverplichtingen van het Verdrag van Stockholm betreft: - Beindiging van de opzettelijke vervaardiging en toepassing van POP's (overeenkomstig artikel 3(1)) Op het niveau van de Europese Unie zijn wettelijke maatregelen met betrekking tot deze verplichtingen aangenomen: o Verordening (EU) 2019/1021 (de `POP'-verordening genoemd) - artikel 3.1 De POP-verordening (artikel 3.1) bepaalt dat de vervaardiging, het in de handel brengen (met inbegrip van de invoer) en het gebruik van de in Bijlage I opgenomen stoffen als zodanig, in mengsels of als bestanddeel van voorwerpen worden verboden. HCB en SCCP zijn beide zonder enige vrijstelling opgenomen in Bijlage I. Voor c-decaBDE en PFOA worden enkele vrijstellingen verleend (zie Bijlage 1 bij de POP-verordening). Deze maatregel is rechtstreeks toepasselijk in alle lidstaten van de EU. Er is dus geen nood aan verdere wetgevingsmaatregelen op het niveau van de lidstaten. Raadpleeg het UIP voor verdere details (sectie 5.1, blz. 114-131). Grens- en markttoezicht door de lidstaten is een noodzaak. Controles vinden plaats op nationaal niveau en/of worden gecordineerd op Europees niveau via het forum van het Europees Agentschap voor chemische stoffen (ECHA) over de uitwisseling van informatie over handhaving (zie de resultaten van het REACH-EN-FORCE-project inzake `Gentegreerde chemische controle van producten' (REF 10), uitgevoerd in 2021). 1 http://www.pops.int/Implementation/NationalImplementationPlans/NIPTransmission/tabid/253/Default.aspx 2 Informatie over handhavingsactiviteiten, inbreuken en sancties worden overeenkomstig artikel 13.1 van de POP-verordening ten minste om de drie jaar aan de Europese Commissie en het ECHA gemeld. Deze informatie wordt vervolgens gebundeld en door het ECHA gepubliceerd in een overzichtsverslag van de Unie. - Stopzetting van de in- en uitvoer van POP's (overeenkomstig artikel 3(2)) Op het niveau van de Europese Unie worden wettelijke maatregelen met betrekking tot deze verplichtingen aangenomen: o Verordening (EU) 2019/1021 - artikel 3.1 voor invoer (zie vorig hoofdstuk) o Verordening (EU) Nr. 649/2012 (de `PIC-verordening' genoemd) - artikel 15.2 voor uitvoer De PIC-verordening (artikel 15.2) bepaalt dat chemische stoffen en artikelen waarvan het gebruik in de Unie verboden is voor de bescherming van de gezondheid van de mens of het milieu, zoals vermeld in Bijlage V, niet mogen worden uitgevoerd. HCB en SCCP zijn beide opgenomen in Bijlage V. De uitvoer van c-decaBDE en PFOA is toegestaan indien aan alle vereisten van de PIC-verordening is voldaan (met inbegrip van een jaarlijkse procedure voor kennisgeving van uitvoer). Deze maatregelen zijn rechtstreeks toepasselijk in alle lidstaten van de EU. Er is dus geen nood aan verdere wetgevingsmaatregelen op het niveau van de lidstaten. Raadpleeg het UIP voor verdere details (hoofdstuk 5.2, blz. 131-132). Doeltreffende grenscontrole door de lidstaten is een noodzaak. Invoercontroles vinden plaats op nationaal niveau en/of worden gecordineerd op Europees niveau via het Handhavingsforum van het Europees Agentschap voor chemische stoffen (ECHA) (zie de resultaten van het REACH-EN-FORCE-project inzake `Gentegreerde chemische controle van producten' (REF 10), uitgevoerd in 2021). Informatie over handhavingsactiviteiten inzake invoer of het in de handel brengen, inbreuken en sancties worden overeenkomstig artikel 13.1 van de POP-verordening ten minste om de drie jaar aan de Europese Commissie en het ECHA gemeld. Deze informatie wordt vervolgens gebundeld en door het ECHA gepubliceerd in een overzichtsverslag van de Unie. Uitvoercontroles vinden plaats op nationaal niveau en/of worden gecordineerd op Europees niveau via het Handhavingsforum van het Europees Agentschap voor chemische stoffen (ECHA) (zie het eindverslag van het pilootproject inzake de controle van PIC). Informatie over handhavingsactiviteiten, inbreuken en sancties worden overeenkomstig artikel 22.1 van de PIC-verordening ten minste om de drie jaar aan de Europese Commissie gemeld. Deze informatie wordt vervolgens gebundeld en de Europese Commissie publiceert een samenvatting ervan (zie het eerste verslag dat betrekking heeft op de verslagperiode 2014-2016 en dat in 2018 is gepubliceerd). - Preventie van de productie en het gebruik van nieuwe chemische stoffen die kenmerken van POP's vertonen (overeenkomstig artikel 3(3)) De vervaardiging en het op de markt brengen van POP-achtige stoffen kan in principe doeltreffend worden voorkomen binnen de bestaande regelgevingskaders voor chemische stoffen: o REACH-verordening (EG) nr. 1907/2006 (voor chemische stoffen) o Verordening (EG) nr. 1107/2009 (voor gewasbeschermingsmiddelen) 3 o Verordening (EU) nr. 528/2012 (voor biociden) Deze maatregelen zijn rechtstreeks toepasselijk in alle lidstaten van de EU. Er is dus geen nood aan verdere wetgevingsmaatregelen op het niveau van de lidstaten. Raadpleeg het UIP voor verdere details (hoofdstuk 5.3, blz. 132-133). - Beoordeling en controle van chemische stoffen in gebruik (overeenkomstig artikel 3(4)) Artikel 3(4) bepaalt dat de Partijen bij de beoordeling van bestrijdingsmiddelen en chemische stoffen in het kader van de beoordelingsschema's voor bestrijdingsmiddelen en chemische stoffen in gebruik, rekening houden met de criteria van paragraaf 1 van Bijlage D. Op het niveau van de Europese Unie zijn wettelijke maatregelen met betrekking tot deze verplichting aangenomen: o Verordening (EU) 2019/1021 - artikel 3.3 Deze maatregel is rechtstreeks toepasselijk in alle lidstaten van de EU. Er is dus geen nood aan verdere wetgevingsmaatregelen op het niveau van de lidstaten. Raadpleeg het UIP voor verdere details (hoofdstuk 5.4, blz. 133). - Algemene vrijstellingen (overeenkomstig artikel 3(5)) voor chemische stoffen die voor laboratoriumonderzoek of als referentiestandaard worden gebruikt, of als onopzettelijke sporenverontreiniging in producten en artikelen voorkomen, of voorkomen als bestanddeel van artikelen die vr of op de datum van inwerkingtreding van de desbetreffende verplichting zijn vervaardigd of reeds in gebruik zijn. Op het niveau van de Europese Unie zijn wettelijke maatregelen met betrekking tot deze verplichtingen aangenomen: o Verordening (EU) 2019/1021 - artikel 4 De POP-verordening (artikel 4) voorziet vrijstellingen van controlemaatregelen: - In het geval van: o (a) een stof die gebruikt wordt voor laboratoriumonderzoek of als referentiestandaard ; o (b) een stof die als onopzettelijke sporenverontreiniging, zoals gespecificeerd in de desbetreffende vermeldingen in Bijlage I of II, voorkomt in stoffen, mengsels of voorwerpen. - Gedurende een periode van zes maanden indien die stof voorkomt in voorwerpen die geproduceerd zijn vr of op de datum waarop deze verordening op die stof van toepassing wordt. - In het geval van een stof die voorkomt in voorwerpen die al in gebruik zijn. Deze maatregelen zijn rechtstreeks toepasselijk in alle lidstaten van de EU. Er is dus geen nood aan verdere wetgevingsmaatregelen op het niveau van de lidstaten. Raadpleeg het UIP voor verdere details (hoofdstuk 5.5, blz. 134). Grens- en markttoezicht door de lidstaten is een noodzaak. Controles vinden plaats op nationaal niveau en/of worden gecordineerd op Europees niveau via het Handhavingsforum van het Europees Agentschap voor chemische stoffen (ECHA) (zie de resultaten 4 van het REACH-EN-FORCE-project inzake `Gentegreerde chemische controle van producten' (REF 10), uitgevoerd in 2021). Informatie over handhavingsactiviteiten, inbreuken en sancties worden overeenkomstig artikel 13.1 van de POP-verordening ten minste om de drie jaar aan de Europese Commissie en het ECHA gemeld. Deze informatie wordt vervolgens gebundeld en door het ECHA gepubliceerd in een overzichtsverslag van de Unie. - Beperking van de totale vrijkoming ten gevolge van de onopzettelijke vervaardiging van de in Bijlage C vermelde chemische stoffen (overeenkomstig artikel 6) Op het niveau van de Europese Unie zijn wettelijke maatregelen met betrekking tot deze verplichting aangenomen: o Verordening (EU) 2019/1021- artikel 6 Deze maatregel is rechtstreeks toepasselijk in alle lidstaten van de EU. Er is dus geen nood aan verdere wetgevingsmaatregelen op het niveau van de lidstaten. Raadpleeg het UIP voor verdere details (hoofdstuk 5.6, blz. 134-138). Informatie over de vrijkoming van stoffen of groepen van stoffen opgenomen in Bijlage III van de POPverordening in lucht, water en bodem wordt minstens om de drie jaar aan de Europese Commissie en het ECHA verstrekt, overeenkomstig artikel 13.1 van de POP-verordening. Deze informatie wordt vervolgens gebundeld en door het ECHA gepubliceerd in een overzichtsverslag van de Unie. De lidstaten moeten ook een actieplan ontwikkelen met maatregelen om de vrijkoming van de in Bijlage III van de POP-verordening opgenomen onopzettelijk geproduceerde POP's te identificeren, te karakteriseren en tot een minimum te beperken. Het actieplan omvat maatregelen om de ontwikkeling van vervangende of gewijzigde stoffen, voorwerpen en processen te bevorderen en, wanneer dit dienstig wordt geacht, het gebruik ervan verplicht te stellen, teneinde de vorming en de vrijkoming van in Bijlage III van de POP-verordening opgenomen stoffen te voorkomen. Bij het bestuderen van voorstellen voor de bouw van nieuwe installaties of voor ingrijpende wijziging van bestaande installaties met behulp van processen waarbij in Bijlage III van de POP-verordening opgenomen chemische stoffen vrijkomen, schenken de lidstaten, onverminderd de bepalingen van Richtlijn 2010/75/EU (Richtlijn Industrile emissies), bij voorrang aandacht aan alternatieve processen, technieken of methodes die even nuttig zijn, maar waarbij de in Bijlage III opgenomen stoffen niet worden gevormd en vrijkomen. o Status voor Vlaanderen: https://prtr.omgeving.vlaanderen.be/prtr/website/rapport/rapport-samenstellenflow?execution=e2s3 Alleen uitstoot in de lucht van HCB in 2011 (68,7 kg/j). Maar HCB is geen E-PRTR-stof. Voor HCBD in water wordt de emissie door rioolwaterzuiveringsinstallaties geraamd op 5,24 g/j. Bayer Agriculture meldde in 2019 een HCBD-emissie van 1,11 kg. Voor HCB toonde de monitoring aan dat de milieukwaliteitsnormen voor oppervlaktewater en biota nooit werden overschreden. Het was niet mogelijk een langetermijntrend vast te stellen vanwege de zeer lage detectie in oppervlaktewater. In een later stadium zou een trend kunnen worden bepaald op basis van de gemeten frequente detectie in biota. 5 o Status voor Brussel: Voor de verbrandingsoven voor huishoudelijk afval in Brussel worden elk jaar HCBmetingen uitgevoerd in het kader van de Europese E-PRTR-verordening; de resultaten van deze metingen liggen ruim onder de E-PRTR-drempelwaarden (2020: naar schatting 0,242 kg/jaar vrijgekomen in de lucht). o Status voor Walloni : De HCB-emissies van de verbrandingsovens voor stedelijk afval worden geraamd op basis van schoorsteenmetingen of aan de hand van een standaardemissiefactor (EMEP/EEA Air Pollutant Emission Inventory Guidebook 2016: 45,2 g/t - Tabel 3-1 - Niveau 1 EF voor 5.C.1.a Verbranding van stedelijk afval). De meeste HCB-metingen die zijn verricht aan de schoorsteen van een van de vier verbrandingsovens voor stedelijk afval liggen onder de detectiedrempel. De op basis van deze metingen berekende emissiefactor is lager dan de standaardemissiefactor van het EMEP/EEA Inventory Guidebook (27,1 g/t op basis van schoorsteenmetingen versus 45,2 g/t als standaardemissiefactor). De totale HCB-emissies van de Waalse verbrandingsovens voor stedelijk afval waren in 2020 gelijk aan 37 g/jaar (onder de E-PRTR-drempel van 10 kg/jaar). De HCB-emissies van de cementfabrieken worden geraamd op basis van schoorsteenmetingen die aan de schoorsteen van elke oven worden verricht. De totale HCB-emissies van de Waalse cementfabrieken waren in 2020 gelijk aan 150 g/jaar (onder de E-PRTR-drempel van 10 kg/jaar). - Identificatie en milieuverantwoord beheer van voorraden en afvalstoffen (overeenkomstig artikel 5) Op het niveau van de Europese Unie worden wettelijke maatregelen met betrekking tot deze verplichtingen aangenomen: o Verordening (EU) 2019/1021- artikel 5 m.b.t. voorraden en artikel 7 m.b.t. afvalbeheer o Richtlijn 2008/98/EG (kaderrichtlijn afvalstoffen) Deze maatregelen zijn rechtstreeks toepasselijk in alle lidstaten van de EU. Er is dus geen nood aan verdere wetgevingsmaatregelen op het niveau van de lidstaten. Raadpleeg het UIP voor verdere details (hoofdstuk 5.7, blz. 137-145). De POP-verordening (artikel 5) schrijft voor dat voorraden waarvan het gebruik niet is toegestaan, als afval moeten worden beheerd. De houder van voorraden van meer dan 50 kg die geheel of gedeeltelijk uit POP's bestaan en waarvan het gebruik is toegestaan, verstrekt de bevoegde instantie inlichtingen over de aard en de omvang van de voorraden. De voorraad wordt op een veilige, doeltreffende en milieuverantwoorde wijze beheerd. De lidstaten moeten toezicht houden op het gebruik en het beheer van de aangemelde voorraden. De POP-verordening (artikel 7) bepaalt dat producenten en houders van afval verplicht zijn alle redelijke inspanningen te leveren om verontreiniging van afval met POP-stoffen te voorkomen. Afval dat geheel of gedeeltelijk uit POP's bestaat of daarmee verontreinigd is, moet zo spoedig mogelijk worden verwijderd. Afval dat meer POP's bevat dan de in de verordening vastgestelde lagere POPgrenswaarden, moet in het algemeen zodanig worden verwijderd of nuttig toegepast dat de POPinhoud wordt vernietigd of onomkeerbaar wordt omgezet. Ook afvalstoffen die op een voor het milieu 6 verkieslijke manier worden beheerd in plaats van te worden vernietigd of onomkeerbaar te worden omgezet, moeten voldoen aan de in de Verordening vastgestelde maximale POPconcentratiegrenswaarden. Daarnaast verplicht de POP-verordening de lidstaten ertoe de nodige maatregelen te nemen om de controle en traceerbaarheid van POP's te waarborgen overeenkomstig artikel 17 van Richtlijn 2008/98/EG (betreffende het toezicht op gevaarlijke afvalstoffen binnen de kaderrichtlijn afvalstoffen), met inbegrip van een register van de hoeveelheden afval, de aard en de herkomst ervan en de eindbestemming van het afval. Controles vinden plaats op nationaal niveau en/of worden gecordineerd op Europees niveau via het Handhavingsforum van het Europees Agentschap voor chemische stoffen (ECHA). Informatie over handhavingsactiviteiten, inbreuken en sancties worden overeenkomstig artikel 13.1 van de POP-verordening ten minste om de drie jaar aan de Europese Commissie en het ECHA gemeld. Deze informatie wordt vervolgens gebundeld en door het ECHA gepubliceerd in een overzichtsverslag van de Unie. Met betrekking tot de behandeling en vernietiging van de in dit document behandelde POP's en geschikte vernietigingstechnologien, kunnen wij de volgende informatie verstrekken: o Ervaring/getrokken lessen in Vlaanderen: In Vlaanderen zijn tot nu toe geen voorraden PFOA, decaBDE en HCB vernietigd. Deze stoffen kunnen thermisch behandeld worden in de draaitrommelovens van Indaver in Antwerpen. o Ervaring/getrokken lessen in Brussel: geen dergelijke faciliteiten in Brussel. o Ervaring/getrokken lessen in Walloni: in Walloni zijn tot nu toe geen voorraden PFOA, decaBDE of HCB vernietigd. Op grond van de aan de cementfabrieken verleende milieuvergunning mogen zij dergelijke stoffen aanvaarden, op voorwaarde dat zij via de hete zone van de cementoven worden binnengebracht, om er zeker van te zijn dat alle PFAS correct worden vernietigd. - Identificatie van verontreinigde locaties en sanering op een milieuverantwoorde manier (overeenkomstig artikel 6.1) Wat de identificatie en sanering van door POP's verontreinigde locaties betreft, heeft de Europese Commissie in september 2006 een Thematische strategie voor bodembescherming aangenomen. Sinds de tenuitvoerlegging ervan zijn talrijke instrumenten en netwerken voor bodembewustzijn ontwikkeld. Dit omvat het European Network for Soil Awareness (ENSA) en de oprichting van het European Soil Data Centre (ESDAC), waarbij de bodemproblematiek steeds meer centraal komt te staan in onderzoeksprojecten in heel Europa. Ook op nationaal niveau worden wettelijke maatregelen aangenomen. Raadpleeg het UIP voor verdere details (hoofdstuk 5.8, blz. 146-147). o Status voor Vlaanderen: In het Vlaamse bodemdecreet van 2006 is bepaald dat lokale overheden een inventaris van risicolocaties moeten opstellen, op basis van een lijst van risicoactiviteiten. Een risicolocatie is een perceel grond waar een activiteit met een verhoogd risico op bodemverontreiniging plaatsvindt of heeft plaatsgevonden. Er bestaat een verplichting tot onderzoek van risicolocaties op het moment van eigendomsoverdracht, op periodieke basis of bij de sluiting van bepaalde installaties die bodemverontreiniging kunnen veroorzaken. De autoriteiten kunnen ook 7 informatie verzamelen naar aanleiding van hun onderzoek naar de bodemkwaliteit. De verkennende onderzoeken omvatten een beperkt onderzoek naar de voorgeschiedenis van de bodem, alsmede beperkte bemonsteringsactiviteiten. De identificatie en het onderzoek van deze risicolocaties is generiek voor alle vormen van bodemverontreiniging. Alle verdachte stoffen moeten worden onderzocht, ook die welke verband houden met decaBDE, SCCP, HCB en PFOA, indien relevant. Recente ontwikkelingen in het Vlaams Gewest hebben aangetoond dat er sprake is van een zeer zorgwekkend probleem van PFAS-verontreiniging. Dit was eerst het geval met het 3M-terrein in Zwijndrecht en het gebied in de omgeving daarvan. Maar ook elders in Vlaanderen werden met PFAS verontreinigde locaties gedentificeerd en blijven ze opduiken, zoals blijkt uit de inventarisatiecampagne van de OVAM. Op deze locaties is gerichte actie nodig: niet alleen in de vorm van extra maatregelen, maar ook in de vorm van communicatie met de lokale besturen en bewoners. Saneringsoperaties zullen noodzakelijk zijn of zijn reeds begonnen; in dit verband blijft de uitwisseling van kennis over bodem- en grondwatersanering van groot belang. Aanvullend onderzoek is dus nog steeds noodzakelijk en zal ons meer duidelijkheid verschaffen over blootstellingsroutes, impact op de gezondheid of innovatieve saneringstechnieken. Voor mogelijke oplossingen voor met PFAS verontreinigde sites, zie: https://www.vlaanderen.be/pfas-vervuiling/sanering Voor het beperken van de blootstelling zijn ook (ontwerp-)bodemsaneringsnormen van essentieel belang. De gecombineerde beoordeling van bodem- en grondwaterverontreiniging is van doorslaggevend belang voor de ontwikkeling van de aanpak van verontreinigde gebieden. o Status voor Brussel: Sinds 2005 hebben wij een wetgeving inzake verontreinigde bodems. Deze wetgeving regelt de tijdstippen waarop onderzoek naar bodemverontreiniging, en zo nodig behandeling, moet worden uitgevoerd (opstarten, overdragen of stopzetten van activiteiten, ongevallen, toevallige ontdekking van verontreiniging, verkoop van grond enz.). Deze wetgeving voorziet in normen voor de gebruikelijke stoffen zoals zware metalen of koolwaterstoffen, maar niet voor opkomende verontreinigende stoffen zoals PFAS. In afwachting van de vaststelling van normen voor opkomende verontreinigende stoffen stellen de deskundigen voor de in het Vlaams Gewest geldende normen te gebruiken. o Status voor Walloni: Er zijn op gewestelijk of subgewestelijk niveau geen specifieke strategien, beleidsmaatregelen of wetgeving voor de identificatie van door POP's verontreinigde locaties als zodanig vastgesteld. Het bestaande kader voor het beheer van verontreinigde locaties in Walloni is namelijk niet gericht op n enkele verontreinigende stof, maar omvat alle soorten verontreinigende stoffen die in de bodem en het grondwater kunnen worden aangetroffen, waaronder dus ook een aantal POP-verbindingen. Dit kader is wettelijk gebaseerd op het Bodemdecreet van 1 maart 2018 (http://environnement.wallonie.be/legis/solsoussol/sol006.htm), dat een inventaris van (potentieel) verontreinigde locaties omvat (de databank over de bodemtoestand - `Banque de Donnes de l'Etat des Sols (BDES)'). Deze inventaris wordt voortdurend 8 bijgewerkt op basis van verschillende referentiebronnen, waaronder ook vergunningen die zijn afgeleverd voor activiteiten of installaties die geacht worden risico's op bodem- en grondwaterverontreiniging in te houden, en historische informatie over dit soort activiteiten. De BDES is publiek beschikbaar met onbeperkte toegang en bestaat uit een webdienst op basis van een geodatabase, zodat voor elke locatie kan worden nagegaan of wel of geen informatie over (potentile) bodemverontreiniging beschikbaar is (http://bdes.wallonie.be). De algemene lijst van activiteiten/installaties die als risicovol voor bodem- en grondwaterverontreiniging worden beschouwd (http://environnement.wallonie.be/legis/pe/pe006bisannexe1.htm), maakt deel uit van de wetgeving inzake ingedeelde activiteiten/inrichtingen (http://environnement.wallonie.be/legis/pe/pe006.htm). Een specifieke aanpak om door POP's verontreinigde locaties te onderscheiden van andere verontreinigde locaties is nog niet beschikbaar. Met onze huidige inventarisatie is het namelijk nog niet mogelijk het exacte aantal met POP's verontreinigde locaties te bepalen, aangezien voor bodemonderzoek nog geen elektronische rapportering van afzonderlijke verontreinigende stoffen vereist is. Het in Walloni van kracht zijnde Bodemdecreet is hoofdzakelijk gericht op locaties waar momenteel activiteiten plaatsvinden of in het verleden activiteiten hebben plaatsgevonden die een risico van bodemverontreiniging inhouden. Het Bodemdecreet organiseert bodemonderzoeken op basis van bodemscreeningswaarden (zie bijlage 1 van het Bodemdecreet - http://environnement.wallonie.be/legis/solsoussol/sol006.htm). Voor 50 verbindingen zijn bodemscreeningswaarden vastgesteld (metalen, BTEX, PAK's (polycyclische aromatische koolwaterstoffen), minerale olie, gechloreerde oplosmiddelen en cyaniden). Voor verontreinigende stoffen die niet in Bijlage 1 van het Bodemdecreet zijn gespecificeerd, zoals de meeste POP's, worden op de website van de milieuadministratie (https://dps.environnement.wallonie.be/home/liens-- documents/le-coin-des-specialistes-experts-laboratoires/polluants-non-normes- pnn.html) aanwijzingen gegeven voor bodemdeskundigen. Voor elke bodemdrempel worden vijf bodemgebruiksvormen met toenemende gevoeligheid in aanmerking genomen: natuurlijk (I), agrarisch (II), residentieel (III), recreatief of commercieel (IV), industrieel (V). Dergelijke categorien van bodemgebruik zijn gekoppeld aan meer gedetailleerde types van juridisch bodemgebruik in Bijlage 2 of effectief bodemgebruik in Bijlage 3 van het Bodemdecreet. Terwijl de bodemscreeningwaarden voor POP's worden vastgesteld ter bescherming van twee soorten receptoren - de menselijke gezondheid (VLH genoemd) en de watervoerende lagen (VLN genoemd), komt de uiteindelijke drempelwaarde overeen met de kleinste van de twee drempelwaarden. Voor het grondwater wordt ook een andere drempelwaarde (VLnappe genaamd) bepaald. De bepalingen van artikel 23 tot 28 van het Bodemdecreet verplichten automatisch, tenzij een afwijking kan worden gerechtvaardigd, tot een bodemonderzoek a) in geval van een stedenbouwkundige vergunningsaanvraag voor een perceel dat in de BDES- 9 databank als (potentieel) verontreinigd is gedentificeerd (indien de bodemoppervlakte/ondergrond moet worden gewijzigd of indien er een wijziging is van het bodemgebruik in de richting van een gevoeliger bodemgebruik), b) in geval van beindiging van een bodembedreigende activiteit, c) in geval van milieuschade, d) na de beslissing van de Waalse overheid dat er een geloofwaardig risico op bodemverontreiniging bestaat. De overdracht van grond leidt niet tot een bodemonderzoek, maar wel tot de verplichting om voor het overgedragen perceel over een voor echt verklaard uittreksel uit de databank over de toestand van de bodem te beschikken, zodat beide partijen over dezelfde informatie over de toestand van het perceel in de databank beschikken. Bodemonderzoeken worden door erkende bodemdeskundigen verwerkt via verschillende onderzoeksstappen (orinterende studie, karakteriserende studie, saneringsproject en -werken, eindbeoordeling), volgens de richtlijnen van het Decreet betreffende bodembeheer en bodemsanering (`CWBP' - https://sol.environnement.wallonie.be/home/sols/sols-pollues/code-wallon-de- bonnes-pratiques--cwbp-.html) en het Waalse compendium van de monsternemings- en analysemethodes (`CWEA' - https://sol.environnement.wallonie.be/home/sols/sols-pollues/compendium- wallon-des-methodes-dechantillonnage-et-danalyse--cwea-.html). Elke stap die voltooid is (zodat geen verdere stap in het proces nodig is) leidt tot de afgifte van een bodemcontrolecertificaat (" Certificat de Contrle du Sol"), dat vervolgens beschikbaar is in de databank over de toestand van de bodem. De POP-verordening (artikel 9) bepaalt dat de lidstaten met de Commissie informatie moeten uitwisselen over de maatregelen die op nationaal niveau worden genomen om door POP's verontreinigde locaties te identificeren en te beoordelen. Belgi verstrekt deze informatie via het verslag dat overeenkomstig artikel 13.1 van de POP-verordening ten minste om de drie jaar moet worden bijgewerkt en bij de Europese Commissie en het ECHA moet worden ingediend. Deze informatie wordt vervolgens gebundeld en door het ECHA gepubliceerd in een overzichtsverslag van de Unie. Belgi heeft zich er ook toe verbonden om samen met de Commissie een strategie te ontwikkelen voor de identificatie van met POP's verontreinigde locaties en voor de milieuverantwoorde sanering ervan. - Uitwisseling van informatie met betrekking tot de beperking of stopzetting van de vervaardiging, het gebruik en het vrijkomen van POP's en alternatieven voor POP's, met inbegrip van informatie over de risico's en de economische en sociale kosten ervan (overeenkomstig artikel 9) Belgi heeft een nationaal contactpunt aangewezen voor de uitwisseling van informatie, zoals bepaald in artikel 9, en deze informatie is toegankelijk op de website van het Verdrag van Stockholm2. Telkens wanneer dit relevant is, wordt informatie over de vervaardiging, het gebruik en het vrijkomen van POP's gedeeld door de Commissie en het Europees Agentschap voor chemische stoffen. Raadpleeg het UIP voor verdere details (hoofdstuk 6.1, blz. 147-148). - Voorlichting, bewustmaking en educatie van het publiek (overeenkomstig artikel 10) 2 http://www.pops.int/Countries/CountryContacts/tabid/304/Default.aspx 10 Toegang tot milieu-informatie en overleg met de belanghebbenden vormen een integraal onderdeel van het milieubeleid van de Unie. Raadpleeg het UIP voor verdere details (hoofdstuk 6.2, blz. 148150). Over het Belgische NIP is van 3 oktober 2022 tot 1 december 20223 een openbare raadpleging gehouden en het NIP is beschikbaar voor het publiek zoals voorgeschreven in artikel 9 van de POPverordening. Belgi verstrekt aan het publiek informatie over POP's via de volgende websites: - https://www.health.belgium.be/nl - Vlaanderen : https://www.vlaanderen.be/pfas-vervuiling , https://www.vlaanderen.be/pfas- vervuiling/pfas-verkenner-voor-professionele-gebruikers en https://www.milieu-engezondheid.be/nl/wat-meten-we-factsheets - Brussel : https://leefmilieu.brussels/ - Walloni : https://awac.be/inventaires-demission/emissions-de-pop/ Uit de feedback van de openbare raadpleging over het UIP in het najaar van 2019 is echter gebleken dat zowel het grote publiek als de deskundigen zich zorgen maken over de communicatie over POP's. De respondenten wezen op een gebrek aan zichtbaarheid van de activiteiten die op het niveau van de lidstaten aan de gang zijn, en verder op een gebrek aan communicatie over POP's en de belangrijkste bekommernissen. Met name de stakeholdergroep van het grote publiek heeft zijn bezorgdheid geuit over verouderde pesticidevoorraden en risico's in verband met POP's in voedingsmiddelen. Belgi erkende dat de communicatiemethodologie verder moet worden bekeken en dat moet worden nagegaan welke acties nodig kunnen zijn als gecordineerde voorlichtingscampagnes op panEuropees niveau. - Onderzoek, ontwikkeling en monitoring van POP's (overeenkomstig artikel 11) Onderzoek en ontwikkeling zijn van essentieel belang voor de ondersteuning van beleidsmaatregelen, zoals onder meer de bescherming van de consument of van het milieu. Onderzoek en ontwikkeling op het gebied van POP's kan tot 2027 door Europa worden gefinancierd via het Horizon Europefinancieringsprogramma. Verplichte open toegang tot publicaties en open wetenschapsbeginselen worden in het hele programma toegepast. Het programma staat open voor onderzoekers en innovators uit de hele wereld, die worden aangemoedigd om voor de voorbereiding van voorstellen samen te werken met de EU-partners. Raadpleeg het UIP voor verdere details (hoofdstuk 6.3, blz. 150152). In het Vlaams Gewest zijn enkele POP's, waaronder decaBDE, HCB en PFAS, opgenomen in de campagnes voor humane biomonitoring van de FLEHS I-IV-studies (2002-2020). Zie: https://www.milieu-en-gezondheid.be/ De FLEHS IV-monsters zijn ook opgenomen in het HBM4EU-project (2017-2022): https://www.hbm4eu.eu/ Naast de FLEHS-campagne werden specifieke onderzoeksprojecten gefinancierd betreffende: - ontwikkeling van op HBM gebaseerde indicatoren voor hormoonontregelaars, waaronder PFAS. - belang van pre- versus postnatale blootstelling aan POP's, waaronder PFAS. 3 Datums te bevestigen afhankelijk van het besluit van de CIE. 11 - het relatieve belang van verschillende menselijke blootstellingsroutes aan PFAS. - Technische bijstand (overeenkomstig artikel 12) De POP-verordening geeft het ECHA een centrale rol bij de ontwikkeling van technische informatie. Dit omvat technische bijstand op verzoek van de Commissie en anderen. De EFSA verleent ook technische bijstand door haar rol bij de risicobeoordeling van POP's in levensmiddelen. Raadpleeg het UIP voor verdere details (hoofdstuk 7.1, blz. 152-152). - Financile bijstand (overeenkomstig artikel 13) Artikel 13 schrijft voor dat de Partijen financile steun en stimulansen bieden voor die nationale activiteiten die bedoeld zijn om de doelstelling van het Verdrag van Stockholm te verwezenlijken in overeenstemming met hun nationale plannen, prioriteiten en programma's. De Partijen die ontwikkelde landen zijn, moeten via het financile mechanisme nieuwe en aanvullende financile middelen verstrekken om de Partijen die ontwikkelingslanden zijn en de Partijen met een overgangseconomie in staat te stellen de overeengekomen volledige marginale kosten te dekken van de uitvoering van maatregelen die aan hun verplichtingen uit hoofde van het Verdrag van Stockholm voldoen. Belgi financiert zijn binnenlandse uitvoering. Wat de financile bijstand aan ontwikkelingslanden betreft, om hen in staat te stellen hun verplichtingen uit hoofde van het Verdrag van Stockholm na te komen, verstrekt Belgi financile middelen via de GEF (het financile mechanisme) en het Bijzonder Milieuprogramma van het VN-milieuprogramma. De Unie verstrekt ook financiering via talrijke programma's en instrumenten. Raadpleeg het UIP voor verdere details (hoofdstuk 7.2, blz. 153-155). - Rapportering (overeenkomstig artikel 15) Artikel 15 schrijft voor dat de Partijen van de COP verslag uitbrengen over de maatregelen die zijn genomen om de bepalingen van het Verdrag uit te voeren en over de doeltreffendheid van die maatregelen om de doelstellingen van het Verdrag te bereiken. De rapportering omvat gegevens over de totale hoeveelheid vervaardigde, ingevoerde en uitgevoerde chemische stoffen die in de Bijlagen A en B zijn opgenomen en een lijst van landen van waaruit zij stoffen heeft ingevoerd en uitgevoerd. Op het niveau van de Europese Unie zijn wettelijke maatregelen met betrekking tot deze verplichting aangenomen: Verordening (EU) 2019/1021- artikel 13.1.f Verordening (EU) nr. 649/2012 - artikel 10 De POP-verordening (artikel 13.1.f) bepaalt dat de lidstaten jaarlijks monitoring- en statistische gegevens moeten verstrekken over de feitelijke of geraamde totale productie en het op de markt brengen van alle in Bijlage I of II vermelde stoffen. Informatie over de vervaardiging en het op de markt brengen (inclusief de invoer) wordt overeenkomstig artikel 13.1.f van de POP-verordening ten minste om de drie jaar aan de Europese Commissie en het ECHA gemeld. Deze informatie wordt vervolgens gebundeld en door het ECHA gepubliceerd in een overzichtsverslag van de Unie. De PIC-verordening (artikel 10) bepaalt dat uitvoerders hun aangewezen nationale instantie in kennis moeten stellen van de hoeveelheid van de chemische stof, als zodanig of als mengsel of in artikelen, 12 die in het voorgaande jaar naar elke Partij of ander land is vervoerd. Elke invoerder moet equivalente informatie verstrekken voor de in de Unie ingevoerde hoeveelheden. De lidstaat verstrekt vervolgens de geaggregeerde informatie aan het ECHA. Die informatie wordt samengevat op het niveau van de Unie en niet-vertrouwelijke informatie wordt elk jaar openbaar gemaakt door het ECHA . Deze maatregelen zijn rechtstreeks toepasselijk in alle lidstaten van de EU. Er is dus geen nood aan verdere wetgevingsmaatregelen op het niveau van de lidstaten. Raadpleeg het UIP voor verdere details (hoofdstuk 7.3, blz. 155-156). - Beoordeling van de doeltreffendheid (overeenkomstig artikel 16) Artikel 16 schrijft voor dat de Partijen de doeltreffendheid van het Verdrag periodiek evalueren op basis van de beschikbare wetenschappelijke, milieu-, technische en economische informatie. Er is een informatieplatform voor chemische monitoring opgericht (IPCheM) om de toegankelijkheid van de gegevens en de samenhang bij de verzameling, het beheer en de beoordeling te verbeteren. Het platform zal de doeltreffendheid van de evaluatie van de uitvoering van de POP-verordening en van het Verdrag van Stockholm in de Unie verbeteren door de toegang tot de monitoringgegevens te vergemakkelijken en door de vergelijkbaarheid van de gegevens te verbeteren. De Belgische bevoegde autoriteiten verstrekken de volgende toezichtgegevens: - Vlaanderen : gegevens inzake humane biomonitoring van FLEHS I tot FLEHS IV zijn beschikbaar (als samengevoegde gegevens) op IPCheM (bv. PFAS) en op het HBM4EU-dashboard (https://www.hbm4eu.eu/what-we-do/european-hbm-platform/eu-hbm-dashboard/). 13