Document 5k0gm8v7eezk55mjGZYoDZrYD

DownloadRandom document
////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// ////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 1 De gevolgde methodiek voor het opstellen van een normenkader wordt beschreven in de `Basisinformatie voor risico-evaluatie: Werkwijze voor het opstellen van bodemsaneringsnormen en toetsingswaarden, richtwaarden en streefwaarden' (OVAM, 2016a). Het afleiden van de waarden voor vrij gebruik van bodemmaterialen in het kader van grondverzet (WVG) wordt beschreven in het document `Afleiding en onderbouwing gemeenschappelijk normenkader voor grondstoffen en uitgegraven bodem in Vlaanderen' (OVAM, 2015). 2/8 DISCUSSIENOTA STAKEHOLDEROVERLEG 6 OKTOBER 2022 Een nieuwe wijziging van het normenkader kan er komen: - wanneer nieuwe gegevens bekend raken over het gezondheidsrisico van andere PFAS dan PFOS of PFOA; - wanneer er nieuwe inzichten komen over de transferfactoren tussen grond en gewas (voeding); - op basis van nieuwe gegevens die toelaten om verschillende PFAS te vergelijken op het vlak van hun toxiciteit; - bij wetenschappelijke duidelijkheid over achtergrondconcentraties en uitlooggedrag van PFAS. De Commissie beveelt ook aan om op middellange termijn de polluentenproblematiek meer gentegreerd te herbekijken vanuit ecosysteemdiensten en biodiversiteitsperspectief in functie van vooruitgang van wetenschappelijke inzichten daaromtrent. Bodemdeskundigen moeten niet alleen een normenkader krijgen, ze moeten ook weten hoe ze de normen moeten toepassen in bodemonderzoek. Daarom zijn er in het bodembeleid ook de nodige handvaten en instrumenten voorzien om locatiespecifieke risicobeoordelingen mogelijk te maken. Bij de risico-evaluatie kan bijvoorbeeld rekening gehouden worden met het gebruik van grondwater, de aanwezigheid van moestuinen, risico op stofverspreiding, ... voor die bepaalde plaats. Ook hiervoor deden VITO en de Commissie Sanering en Grondverzet concrete voorstellen. Voorstel toetsingswaarden vaste deel van de aarde De aangepaste toetsingswaarden voor bodemsanering voor verschillende types bodemgebruik worden gegeven in onderstaande tabel. Bestemmingstype I/II III IV V PFOS (g/kg) 3,8* 4,9 110 268 PFOA (g/kg) 2,5* 7,9 632 303 *bijgestelde norm op basis van waarde vrij gebruik (zie verder) Een toetsingswaarde geldt steeds voor een bepaald bestemmingstype. Bestemmingstype I/II is landbouw/natuur, bestemmingstype III is wonen, IV is recreatie en V is industrie. Bij het opstellen van de toetsingswaarden wordt zowel gekeken naar risico voor de mens als risico voor het milieu. De strengste waarde van de twee wordt gekozen als toetsingswaarde. Het verschil in de normen tussen de verschillende bestemmingstypes is te wijten aan verschil in blootstelling van de mens bij normale activiteiten in de betreffende zone. Voor bestemmingstype IV bepalen de ecotoxicologische drempels de norm. Voor het afleiden van de toetsingswaarde moet een gezondheidskundige grenswaarde gekozen worden. De toegelaten wekelijkse dosis voor de 4 PFAS (PFOS, PFOA, PFHxS en PFNA) zoals in 2020 door EFSA bepaald is hiervoor de meest recente en meest aangewezen waarde. Die bedraagt 0.63 ng/kg lichaamsgewicht per dag. Het doorrekenen van deze waarde als som is niet haalbaar omdat er te weinig gegevens zijn over de gezondheidseffecten van PFHxS en PFNA. Hierdoor kunnen voor deze twee componenten geen toetsingswaarden bepaald worden. EFSA geeft een norm voor de inname maar geeft niet aan hoe men dit moet omrekenen naar een bodemnorm. Het gelijkmatig opsplitsen van de dosis over de 4 componenten geeft bovendien aanleiding tot toetsingswaarden 3/8 2 zie `Van Kennis naar Actie', 2de rapport PFAS opdrachthouder, https://www.vlaanderen.be/pfasvervuiling/tweede-rapport-opdrachthouder 3 https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/HTML/?uri=CELEX:32020L2184&from=EN 4/8 DISCUSSIENOTA STAKEHOLDEROVERLEG 6 OKTOBER 2022 gebruik van bodem houdt zoveel als mogelijk rekening met uitloging (risicogebaseerde grenswaarden), anderzijds dient er beleidsmatig een voldoende groot verschil te zijn tussen de streefwaarde (gemiddelde niet-verontreinigde bodemkwaliteit), de waarde vrij gebruik, en de bodemsaneringsnorm voor bestemmingstype II. De waarde vrij gebruik is minimaal twee maal de streefwaarde. De toetsingswaarde voor type 1/11 ligt minstens 80% boven de waarde vrij gebruik. Dit is de standaard werkwijze in het beleid om de waarde vrij gebruik te bepalen, niet alleen voor PFAS, maar ook voor andere stoffen. Op die manier wordt vanuit de streefwaarde zowel de waarde vrij gebruik als de minimale toetsingswaarde bodemsaneringsnorm type 1/11 berekend. Onderstaande tabel geeft de kwantificeringslimiet (KL), streefwaarden (SW) en de bijgestelde toetsingswaarde bodemsaneringsnormen voor type 1/11 weer: Parameter KL SW WVG TW 1/11 PFOS (g/kg) 0,2 1,5 3,0 3,8 PFOA (g/kg) 0,2 1,0 2,0 2,5 Materialen die voldoen aan de waarden vrij gebruik en die men wenst toe te passen als bodem of als bouwkundig bodemgebruik/vormvast product onder water of in beschermingszones drinkwaterwingebieden, moeten onderworpen worden aan een kwaliteitstoets alvorens ze mogen toegepast worden. Op die manier wordt mogelijke verontreiniging van oppervlaktewater en drinkwater voorkomen. Risicobeoordeling binnen het handelingskader Indien voor het bestemmingstype I en II de afleiding van de toetsingswaarden louter zou gebeuren op basis van het humaan risico, dan worden toetsingswaarden berekend van resp. 0,2 g/kg PFOS en 0,6 g/kg PFOA. Die waarden zijn lager dan de gemiddelde concentratie in niet-verontreinigde bodem (de streefwaarde) en liggen op of net boven de bepalingsgrens. Daarom zijn ze niet handhaafbaar en wordt overgestapt naar de hierboven toegelichte rekenregels om de toestingswaarde te bepalen. In die zin betekent de normstelling dat we een bepaald risico aanvaarden. De Commissie Sanering en Grondverzet is het unaniem eens met deze aanpak, maar wil het risico verduidelijken. Het VITOrapport schat deze risico's in op basis van worst case aannames. Voor een gemiddelde bodem blijkt dat de waarde vrij gebruik kan leiden tot grondwaterconcentraties die de drinkwaterkwaliteit met een factor 5-13 overschrijden. Anderzijds blijkt uit recent onderzoek van VMM dat het grondwater in Vlaanderen voldoet aan de drinkwaternorm. In het beschrijvend bodemonderzoek wordt het werkelijk risico beoordeeld specifiek voor elke site. De op deze manier berekende waarde houdt een bevestiging in van de geldende waarde vrij gebruik voor PFOS van 3 g/kg ds. Voor PFOA wordt de geldende waarde van 3 g/kg ds bijgesteld naar 2 g/kg ds. Dit om volledige consistentie met PFOS en andere parameters te bewaren. Naast de specifieke waarde vrij gebruik voor PFAS en PFOA, geldt ook een som parameter van 8 g/kg ds voor som van alle PFAS. Er wordt geen wijziging van deze waarde voorgesteld. 5/8 DISCUSSIENOTA STAKEHOLDEROVERLEG 6 OKTOBER 2022 Omgang met de toetsingswaarden vaste deel van de aarde Zolang de voorgestelde toetsingswaarden voor PFAS niet opgenomen worden als bodemsaneringsnorm in bijlage IV van VLAREBO worden de PFAS beschouwd als niet-genormeerde parameters. Dat betekent dat de voorgestelde toetsingswaarden bodemsaneringsnorm in het kader van bodemonderzoeken voornamelijk gebruikt worden voor de beoordeling van de aanwezigheid van een ernstige bodemverontreiniging in het verkennend/orinterend bodemonderzoek (VBO/OBO). In dat onderzoek voert de deskundige ook een analyse uit van de 'duidelijke aanwijzing voor een ernstige bodemverontreiniging (DAEB)', een scoresysteem volgens de door OVAM vastgelegde methode. Indien de methodologie DAEB van OVAM (als onderdeel van de standaardprocedure OBO) duidelijk wijst op een ernstige bodemverontreiniging, is een beschrijvend bodemonderzoek (BBO) vereist. In dat BBO worden de voorgestelde bodemsaneringsnormen en richtwaarden/waarden vrij hergebruik louter gehanteerd voor het in beeld brengen van de omvang van de verontreiniging. Of beheersmaatregelen nodig zijn of een bodemsaneringsproject dient uitgewerkt te worden, wordt beslist aan de hand van een locatiespecifieke risico-evaluatie, met een afzonderlijke beoordeling van het humaan risico, het ecotoxicologisch risico en het verspreidingsrisico. Het wetenschappelijk rapport gaat verder in op de implicaties van het normenkader op de DAEB, en daarnaast meer specifiek de aspecten uitloging naar grondwater, wonen met moestuin, aanwezigheid kippenren, aanwezigheid van andere PFAS. Op die manier krijgt de bodemsaneringsdeskundige bijkomende handvaten aangereikt om de toetsingswaarden locatiespecifiek toe te passen binnen de contouren van het huidige bodembeleid. Afleiding waarde bouwkundig bodemgebruik Voor specifieke bouwkundige toepassingen kunnen bodems met hogere concentratie dan de waarde vrij gebruik mogelijk gebruikt worden. Dat zijn bv. ophogingen, onderfunderingen,.. waarbij de gebruikte verontreinigde grond niet in rechtstreeks contact staat met de omgeving. Bij dergelijke bouwwerken is er steeds een toplaag voorzien, een verharding of leeflaag boven op de gebruikte licht verontreinigde grond. Insijpeling van water, en dus uitloging van de verontreiniging, is hierbij dus beperkt. De beleidsmatige vertaling daarvan is in overeenstemming met die voor andere polluenten zoals PAK's. De voorgestelde toetsingswaarde bedraagt twee maal de waarde vrij gebruik of 6g/kg DS PFOS, 4 g/kg DS PFOA, 16 g/kg DS som PFAS. Het gebruik van bodem in bouwkundige toepassingen kan pas gebeuren na doorlopen van een beslissingsprocedure. Die wordt hieronder uitgewerkt. Waarde vrij gebruik (g/kg DS) Waarde Bouwkundig bodemgebruik (g/kg DS) PFOS 3 6 PFOA 2 4 som PFAS 8 16 6/8 DISCUSSIENOTA STAKEHOLDEROVERLEG 6 OKTOBER 2022 Omgang met de waarden vrij gebruik en aanpak bouwkundige toepassingen Een voorstel van beslisschema werd opgemaakt voor de omgang met de waarden vrij gebruik en bouwkundig bodemgebruik. Hierin kunnen 2 delen onderscheiden worden: een generiek deel en een locatiespecifieke evaluatie. Voor onderwatertoepassingen en toepassingen in beschermingszones drinkwaterwinning moet steeds een kwaliteitstoets gebeuren, zowel voor toepassing als bodem als voor toepassing in bouwkundig bodemgebruik en vormvast product. Toepassing in deze zones kan enkel indien een kwaliteitstoets uitwijst dat er geen bijkomend risico voor de kwaliteit van het oppervlaktewater of water bestemd voor drinkwater is. Deze kwaliteitstoets wordt uitgevoerd door een erkend bodemsaneringsdeskundige Generiek deel Indien bodems voldoen aan de waarde vrij gebruik (3 g/kg DS PFOS, 2 g/kg DS PFOA, 8 g/kg DS som PFAS), is vrij hergebruik toegestaan zowel als bodem als in bouwkundige toepassingen. Indien voldaan wordt aan de toetsingswaarde bouwkundig bodemgebruik (6 g/kg DS PFOS, 4 g/kg DS PFOA, 16 g/kg DS som PFAS) zijn de bouwkundige toepassingen toegestaan. Indien bodem niet voldoet aan de toetsingswaarde bouwkundig bodemgebruik, kan gebruik in een bouwkundige toepassing, indien de uitloging gemeten in een schudtest voldoet aan het criterium in grondwater van 0,1 g/I voor de som van 20 PFAS. Indien de gemeten uitloging van een toepassing voldoet aan dit criterium, kan de toepassing geen aanleiding geven tot het overschrijden van dit criterium in het grondwater. Dit is de laatste stap in het generieke deel van de methodiek. Locatiespecifieke evaluatie Bodemmaterialen die niet voldoen aan bovenstaande criteria kunnen op welbepaalde locaties nog steeds toegepast worden mits ze voldoen aan een site-specifieke evaluatie van de standstill. Deze evaluatie dient aan te tonen dat het gebruik van de bodemmaterialen geen bijkomende verontreiniging van het grondwater veroorzaakt. Hiervoor worden twee mogelijkheden voorgesteld. Indien de uitloging gemeten in een uitloogproef lager ligt dan 80% van de gemiddelde concentratie ter plaatse, kan het materiaal toegepast worden. Er kan dan vanuit gegaan worden dat de concentratie in het grondwater ter plaatse niet zal toenemen door de toepassing van de materialen. Als alternatief kunnen er ook berekeningen uitgevoerd worden van de verwachte belasting in het grondwater in de situatie met en zonder toepassing van de materialen om te evalueren of een toename in de concentratie verwacht kan worden door de bouwkundige toepassing. Om de sitespecifieke evaluatie van het behoud van standstill uit te voeren zijn de nodige tools aanwezig maar een aantal aspecten dienen nog verder uitgewerkt te worden: Protocol voor het uitvoeren van de uitloogtest met de nodige aandacht voor elementen specifiek voor PFAS zoals het gebruik van PFAS-vrije materialen Richtlijnen voor het bepalen van de gemiddelde concentratie in het grondwater ter plaatse: aantal metingen, spreiding, schaal van de zone Richtlijnen voor het uitvoeren van de kwaliteitstoets bij vrij gebruik in een waterwingebied Definiren van de randvoorwaarden voor het toepassen van de site-specifieke evaluatie, dit kan beperkt worden tot de kadastrale werkzone 7/8 GENERIEK SITE-SPECIFIEK C WVG N Uitloging g/l N Toetsing stand-still Bouwkundig J bodemgebruik mogelijk Bouwkundig J bodemgebruik mogelijk Bouwkundig Uitloging gw bodemgebruik J mogelijk ter plaatse N Geen bouwkundig bodemgebruik mogelijk Modelberekening: Geen bijkomend J risico grondwater N Geen bouwkundig bodemgebruik mogelijk Bouwkundig bodemgebruik mogelijk 8/8 DISCUSSIENOTA STAKEHOLDEROVERLEG 6 OKTOBER 2022 Het is niet mogelijk om bodemsaneringsnormen af te leiden die volledige in het EFSA-kader passen, er ontbreken daarvoor wetenschappelijke gegevens en de normwaarden zouden lager zijn dan de gemiddelde bodemkwaliteit of zelfs de bepalingsgrens. Dat betekent dat er een zeker risico moet aanvaard worden op gezondheidseffecten door PFAS-blootstelling. Welk risico aanvaard kan worden vergt eerder een maatschappelijke discussie waarvoor een draagvlak moet bestaan of gecreerd moet worden. Op vraag van de Commissie en als basis voor dergelijk debat, werden de risico's voor de verschillende toetsingswaarden berekend. De risicoberekeningen voor de toetsingswaarden vrij gebruik en bodemsanering, geven aan dat in worst case condities, dwz gelijktijdige verontreiniging met PFOS en PFOA en bij maximale blootstelling of hoge mobiliteit in de bodem, de EFSA-dosis of de drinkwaternorm mogelijk met een factor 10 wordt overschreden. Tegelijk stellen we vast dat slechts een beperkt deel van de Vlaamse bevolking verhoogde PFAS-waarden in bloed heeft en dat het grondwater voldoet aan de drinkwaternorm. De EFSA GGW kan gezien worden als een streefdoel op langere termijn voor de totale blootstelling via verschillende compartimenten (voeding, drinkwater, ingestie van stof,...). Het beleid moet er dan in bestaan om de blootstelling via elk van die compartimenten gelijktijdig aan te pakken, via een systemische aanpak. Bodemsaneringsnormen zijn in deze dus slechts n van de mogelijke middelen. Tegelijk moet ingezet worden op uitfasering van PFAS-productie en PFAS-houdende producten en beperken van emissies en verspreiding. Dit nieuwe voorstel wordt ook voorgelegd aan de stakeholders en de Vlaamse Regering. Dit moet de vertrekbasis zijn voor juridische verankering van het handelingskader voor PFAS in bodem. 9/8